id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 3 - 4 Wanneer een burgerlijke partij hoger beroep aantekent tegen een vonnis waarbij meerdere beklaagden werden vrijgesproken van welbepaalde telastleggingen en in haar grievenschrift onder de rubriek “burgerlijke rechtsvordering” vermeldt dat het beroepen vonnis die telastleggingen ten onrechte niet bewezen heeft verklaard en zich ten onrechte zonder rechtsmacht heeft verklaard om kennis te nemen van haar op die telastleggingen gebaseerde vordering, kan de appelrechter in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak oordelen dat die burgerlijke partij de beroepen beslissing over haar vordering tegen al deze beklaagden bij het appelgerecht aanhangig heeft gemaakt en aldus een nauwkeurige grief in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering heeft aangevoerd; de omstandigheid dat in de desbetreffende grief niet wordt gepreciseerd tegen welke beklaagden de burgerlijke partij haar burgerlijke vordering heeft gericht, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat haar grief niet nauwkeurig zou zijn; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Over de beoordeling van de draagwijdte van een grief zie o.a. Cass. 30 april 2024, AR P.23.0814.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.17; Cass. 5 maart 2024, AR P.23.1669.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.11; Cass. 27 juni 2023, AR P.22.1658.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.38; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 91-113; M.A. BEERNAERT, D. VANDERMEERSCH en M. GIACOMETTI, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2025, II, 1958-1974. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 5 - 6 Wanneer de redelijke termijn van de strafvervolging is overschreden maar die overschrijding niet ertoe heeft geleid dat het bewijsmateriaal of het recht van verdediging is aangetast, kan de strafrechter uit de loutere overschrijding van de redelijke termijn niet afleiden dat de vordering tot schadevergoeding die een burgerlijke partij heeft ingesteld op grond van de feiten die het voorwerp uitmaken van die strafvervolging, onontvankelijk is of vervallen moet worden verklaard; de strafrechter kan in dat geval oordelen dat de beklaagde tegen wie die burgerlijke vordering werd ingesteld, zich voor eventueel rechtsherstel moet wenden tot de burgerlijke rechter
(1).
(1)Cass. 5 september 2023, AR P.22.0708.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.11, RW 2023-24, 1149; Cass. 8 februari 2022, AR P.21.1278.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1390.N I K. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, met zetel te 9090 Merelbeke-Melle, Brusselsesteenweg 199, ON 0477.445.084 , burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg,
- VLAAMSE NUTSREGULATOR (VNR), voorheen VLAAMSE REGULATOR VAN DE ELEKTRICITEITS- EN GASMARKT (VREG), met zetel te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Koning Albert II-laan 7, ON 0886.689.767, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Tom Bauwens, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de verweerster woonplaats kiest,
- VINÇOTTE vzw, met zetel te 1800 Vilvoorde, Olieslagerslaan (Jan) 35, ON 0402.726.875, burgerlijke partij, verweerster,
- B. L., burgerlijke partij, verweerder,
- O. S., burgerlijke partij, verweerder,
- N. M., burgerlijke partij, verweerster, II D. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tom De Meester, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg, III K. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg,
- VLAAMSE NUTSREGULATOR (VNR), reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Tom Bauwens, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de verweerster woonplaats kiest,
- VINÇOTTE vzw, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster,
- B. L., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder,
- O. S., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder,
- N. M., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, IV
- MULAN CONSULTING bv, met zetel te 3970 Leopoldsburg, Kerkhovenweg 61, ON 0821.199.129, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg,
- VLAAMSE NUTSREGULATOR (VNR), reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Tom Bauwens, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 99, waar de verweerster woonplaats kiest,
- VINÇOTTE vzw, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster,
- B. L., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder,
- O. S., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder,
- N. M., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster,
- M.L. INVEST nv, met zetel te 3970 Leopoldsburg, Generaal Lemanstraat 17, ON 0825.985.781, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen FLUVIUS SYSTEM OPERATOR cv, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 september
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseressen IV.1 en IV.2 voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I, III en IV.1
- Het arrest veroordeelt de eisers I, III en IV.1 tot het betalen aan de verweerster I.3-III.3-IV.1/3 van: - een definitieve schadevergoeding van 1.000,00 euro, meer de gerechtelijke intresten; - een provisionele schadevergoeding van één euro, meer de gerechtelijke intresten, waarbij het arrest (p. 101) oordeelt dat de uitspraak over de vergoedende intresten wordt aangehouden; - een rechtsplegingsvergoeding van 1.260,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en een rechtsplegingsvergoeding van 1.350,00 euro voor de procedure in hoger beroep, alsook tot de kosten van de verweerster I.3-III.3-IV.1/
- Verder veroordeelt het arrest de eisers I, III en IV.1 tot het betalen aan de verweerders I.5-III.5-IV.1/5 en I.6-III.6-IV.1/6 van: - een provisionele schadevergoeding van één euro, meer de gerechtelijke intresten, waarbij het arrest (p. 102) oordeelt dat de uitspraak over de vergoedende intresten wordt aangehouden; - een rechtsplegingsvergoeding van 225,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en een rechtsplegingsvergoeding van 225,00 euro voor de procedure in hoger beroep. Met betrekking tot de burgerlijke vorderingen van de verweerster I.3-III.3-IV.1/3 en de verweerders I.5-III.5-IV.1/5 en I.6-III.6-IV.1/6 houdt het arrest, behoudens in zoverre het uitspraak doet over het beginsel van aansprakelijkheid, door het aanhouden van de uitspraak over de vergoedende intresten geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering in, noch een beslissing als bedoeld door artikel 420, tweede lid, 1°, 3° en 4°, Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissingen over de omvang van de schadevergoedingen van de voormelde verweerders, is het cassatieberoep van de eisers I, III en IV.1 voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord van de verweerster I.1-II-III.1-IV.1/1- IV.1/2
- Overeenkomstig artikel 429, derde en vierde lid, Wetboek van Strafvordering brengt de verweerder zijn memorie van antwoord per aangetekende brief ter kennis van de eiser en moet het bewijs van deze verzending ter griffie neergelegd worden binnen de acht vrije dagen vóór de rechtszitting.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerster I.1-II-III.1-IV.1/1-IV.1/2 haar memorie van antwoord aangetekend ter kennis van de eisers heeft gebracht. De memorie van antwoord is niet ontvankelijk. Middelen Eerste middel van de eiser I, eerste middel van de eiser III en enig middel van de eiseressen IV.1 en IV.2
- De middelen voeren schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 35, 35bis, 35ter, 36 tot en met 39 en 61quater Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging en van de motiveringsverplichting: het arrest oordeelt ten onrechte dat de omstandigheid dat de terbeschikkingstelling van de boekhouding van de eisers IV.1 en IV.2 aan een burgerlijke partij, namelijk aan de verweerster I.1-III.1-IV.1/1-IV.2 (hierna verweerster I.1), niet heeft geleid tot een onherstelbare miskenning van het recht van verdediging; deze boekhoudkundige stukken werden niet geïnventariseerd, zodat niet kon worden nagegaan of er geen stukken verdwenen zijn; door niet te antwoorden op de desbetreffende appelconclusie van de eiser I, de eiser III en de eiseressen IV.1 en IV.2 , is het arrest bovendien ook niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiser I, de eiser III en de eiseressen IV.1 en IV.2 niet aannemelijk zouden maken dat er geen stukken uit de boekhouding verdwenen zouden zijn en zij hierdoor niet zouden zijn gehinderd in hun verdediging.
- Het arrest (p. 50-51, nr. 20) oordeelt met betrekking tot het in de middelen bedoelde verweer als volgt: - de boekhouding werd niet vrijgegeven aan de verweerster I.1; er werd haar immers enkel inzage gegeven in de boekhouding; - de onderzoeksrechter kan gedurende het gerechtelijk onderzoek inzage geven aan een burgerlijke partij van de bij het dossier horende in beslag genomen overtuigingsstukken, wat inhoudt dat de burgerlijke partij ook het recht heeft om alle boekhoudkundige stukken uit te pluizen en haar klacht verder te stofferen. Dit houdt op zich geen miskenning in van het recht van verdediging, zoals ook het meegeven van de boekhouding aan de burgerlijke partij op zich geen miskenning inhoudt van het recht van verdediging; - er wordt verder niet aannemelijk gemaakt dat de verweerster I.1 een deel van deze overtuigingsstukken, die nog steeds onder beslag stonden, zou hebben weggemaakt. De boekhouding werd nadien terug overgemaakt aan de eiser I en er wordt niet aannemelijk gemaakt dat niet de volledige boekhouding zou zijn teruggegeven of dat de boekhouding door de verweerster I.1 zou zijn gemanipuleerd of misbruikt; - de huidige strafvervolging is slechts op beperkte wijze gesteund op elementen afkomstig uit de in beslag genomen boekhouding, nl. op beperkte elementen die de verweerster I.1 aanvoert in haar conclusie, waaronder een aantal offertes, facturen en vrachtbrieven, die waarschijnlijk afkomstig zijn uit de boekhouding; - de eiser I, de eiser III en de eiseressen IV.1 en IV.2 waren voor de eerste rechter en voor het hof van beroep in de mogelijkheid om tegenspraak te voeren met betrekking tot de bewijselementen afkomstig uit de in beslag genomen boekhouding, waarbij niet aannemelijk wordt gemaakt dat er stukken uit de boekhouding zouden zijn verdwenen en dat de mogelijkheid om hun verdediging ten volle te voeren hierdoor gehinderd zou zijn; - een onherstelbare miskenning van het recht van verdediging ligt niet voor. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in de middelen aangehaalde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige komen de middelen onder het mom van een wettigheidskritiek op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplichten ze tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre zijn de middelen niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I en tweede middel van de eiser III
- De middelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: door de fraude met groenestroomcertificaten bewezen te achten en de eiser I en de eiser III in dit verband schuldig te verklaren aan meerdere onderdelen van de telastleggingen A (valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken), B (oplichting), C (poging oplichting) en D (inbreuken op het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen), zonder te antwoorden op de respectieve appelconclusies waarin de eiser I en de eiser III hadden aangevoerd dat de zonnepanelen nieuw waren, dat zij een nieuwe markt met een specifieke regelgeving aanboorden en dat zij zich meermaals hebben geïnformeerd bij de verweerster I.2; het arrest oordeelt louter dat de keuringswijze voor de eiser I en de eiser III duidelijk moet zijn geweest en dat zij niet aantonen dat zij hebben gedwaald, zonder nader te duiden waarom de eiser I en de eiser III met een bedrieglijk opzet hebben gehandeld en het doel hadden om grote winsten te maken door jarenlang een te hoge minimumsteun te verkrijgen voor groenestroomcertificaten.
- Met de redenen die het arrest bevat (p. 70-84, nrs. 48-70) en die de middelen slechts gedeeltelijk aanhalen, beantwoorden de appelrechters de in de middelen bedoelde verweren van de eiser I en de eiser III. De middelen missen feitelijke grondslag. Middelen van de eiser II Eerste middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat het door de verweerster II tegen de eiser II ingestelde hoger beroep ontvankelijk is op burgerrechtelijk gebied, is niet naar recht verantwoord; de verweerster II heeft hoger beroep aangetekend tegen het beroepen vonnis waarin de eiser II werd vrijgesproken van de telastleggingen A.1, B.1, C.1 en D.1, maar heeft in haar grievenschrift niet nauwkeurig aangeduid van welk beslissingsonderdeel zij de hervorming vroeg; in dat grievenschrift werd in de rubriek “burgerlijke rechtsvordering” louter vermeld dat de correctionele rechtbank de telastleggingen A.1, B.1, C.1 en D.1 ten onrechte niet bewezen heeft verklaard en zich ten onrechte zonder rechtsmacht heeft verklaard om kennis te nemen van de vordering van de verweerster II op grond van die telastleggingen, zonder dat een afzonderlijk beslissingsonderdeel van het beroepen vonnis werd aangeduid waaruit blijkt dat de verweerster II opkomt tegen de beslissing waarbij de correctionele rechtbank zich zonder rechtsmacht verklaart om kennis te nemen van de tegen de eiser II ingestelde burgerlijke vordering; door in het grievenschrift louter de beslissing te vermelden waarbij de correctionele rechtbank zich zonder rechtsmacht verklaart om kennis te nemen van de burgerlijke vordering van de verweerster II, is er twijfel of de verweerster zich aldus gegriefd achtte door de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerster II tegen de eiser II, dan wel tegen de eiseres IV.2, dan wel tegen de eisers I, III, IV.1 en de oorspronkelijk tweede beklaagde; het arrest kon dan ook niet oordelen dat de grief van de verweerster II met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering gepreciseerd en voldoende duidelijk is. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door niet te antwoorden op het in de appelconclusie van de eiser II aangevoerde verweer met betrekking tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep van de verweerster II, is het oordeel dat het door de verweerster II tegen de eiser II ingestelde hoger beroep ontvankelijk is op burgerrechtelijk gebied, niet regelmatig met redenen omkleed.
- Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door een appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet is vereist dat de appellant tevens de reden voor de beoogde wijziging opgeeft.
- Het staat aan de appelrechter om onaantastbaar in feite de draagwijdte te beoordelen van de door een appellant in het verzoekschrift of in het grievenformulier opgegeven grieven.
- Wanneer een burgerlijke partij hoger beroep aantekent tegen een vonnis waarbij meerdere beklaagden werden vrijgesproken van welbepaalde telastleggingen en in haar grievenschrift onder de rubriek “burgerlijke rechtsvordering” vermeldt dat het beroepen vonnis die telastleggingen ten onrechte niet bewezen heeft verklaard en zich ten onrechte zonder rechtsmacht heeft verklaard om kennis te nemen van haar op die telastleggingen gebaseerde vordering, kan de appelrechter in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak oordelen dat die burgerlijke partij de beroepen beslissing over haar vordering tegen al deze beklaagden bij het appelgerecht aanhangig heeft gemaakt en aldus een nauwkeurige grief in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering heeft aangevoerd. De omstandigheid dat in de desbetreffende grief niet wordt gepreciseerd tegen welke beklaagden de burgerlijke partij haar burgerlijke vordering heeft gericht, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat haar grief niet nauwkeurig zou zijn.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 46-47, nrs. 8-9) oordeelt met betrekking tot de akte van hoger beroep en het grievenschrift van de verweerster II als volgt: - het hoger beroep van de verweerster II, dat werd aangetekend tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis, is ontvankelijk in zoverre deze beschikkingen haar burgerlijke eis betreffen en niet ontvankelijk in zoverre gericht tegen de overige beschikkingen en tegen de beschikkingen waarbij haar vordering deels werd toegekend; - de verweerster II voert in haar grievenschrift grieven aan met betrekking tot de schuld en met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering; - met betrekking tot de schuld stelt de verweerster II dat de eisers I, II, III, IV.1 en IV.2 ten onrechte niet schuldig werden verklaard aan de telastleggingen A.1, B.1, C.1 en D.
- Aangezien een burgerlijke partij in beginsel alleen wat haar burgerlijke belangen betreft hoger beroep kan aantekenen, kan de op het grievenformulier van de verweerster II onder de aangekruiste rubriek “schuld” vermelde grief tegen de vrijspraak van de eisers I, II, III, IV.1 en IV.2 dan ook niet als een nauwkeurig bepaalde grief worden beschouwd in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering; - met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering stelt de verweerster II in haar grievenschrift dat de correctionele rechtbank ten onrechte de feiten A.1, B.1, C.1 en D.1 niet bewezen heeft verklaard en zich ten onrechte zonder rechtsmacht heeft verklaard om kennis te nemen van de vordering van de verweerster II die gesteund is op die telastleggingen. Die grief is wél gepreciseerd en voldoende duidelijk. Uit de grief met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering blijkt immers duidelijk dat de verweerster II wenst dat de appelrechter oordeelt of de als misdrijf omschreven feiten van de telastleggingen A.1, B.1, C.1 en D.1, waarvoor eisers I, II, III, IV.1 en IV.2 werden vrijgesproken, bewezen zijn en dat de appelrechter zou nagaan of de misdrijven bewezen zijn, alsook of ze aanleiding hebben gegeven tot schade. Op grond van die redenen, waarmee het arrest het andersluidende verweer in de appelconclusie van de eiser II verwerpt en beantwoordt, konden de appelrechters oordelen dat de verweerster II een nauwkeurige grief heeft aangevoerd tegen de beslissing van het beroepen vonnis over de burgerlijke vordering van de verweerster II tegen de eiser II. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: met het oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn geen invloed heeft op de ontvankelijkheid van de burgerlijke vordering tegen de eiser II en het tijdsverloop niet ertoe heeft geleid dat er bewijsmateriaal verloren zou zijn gegaan of de mogelijkheid om tegenspraak erover te voeren zou zijn gehinderd, verantwoordt het arrest niet naar recht dat de burgerlijke vordering van de verweerster II tegen de eiser II ontvankelijk is en dat de eiser II, na meer dan negen jaar na de aanvang van de redelijke termijn, nog tot het betalen van een schadevergoeding moet worden veroordeeld; door te oordelen dat de eiser II zich voor een eventueel rechtsherstel maar tot de burgerlijke rechter dient te wenden, verstrekt het arrest geen remedie voor de overschrijding van de redelijke termijn. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door niet te antwoorden op het in de appelconclusie van de eiser II aangevoerde verweer waarbij hij had aangevoerd dat de tegen hem ingestelde burgerlijke vordering van de verweerster II ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn ontoelaatbaar, onontvankelijk of vervallen moest worden verklaard , is het oordeel van de appelrechters, die zich ertoe beperken dat de redelijke termijn van de strafvervolging manifest is overschreden, niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters dienden het voormelde verweer te beantwoorden, ook al had de eiser II in hoger beroep niet de hoedanigheid van beklaagde maar was tegen hem louter nog de burgerlijke vordering van de verweerster II aanhangig.
- Wanneer de redelijke termijn van de strafvervolging is overschreden maar die overschrijding niet ertoe heeft geleid dat het bewijsmateriaal of het recht van verdediging is aangetast, kan de strafrechter uit de loutere overschrijding van de redelijke termijn niet afleiden dat de vordering tot schadevergoeding die een burgerlijke partij heeft ingesteld op grond van de feiten die het voorwerp uitmaken van die strafvervolging, onontvankelijk is of vervallen moet worden verklaard. De strafrechter kan in dat geval oordelen dat de beklaagde tegen wie die burgerlijke vordering werd ingesteld, zich voor eventueel rechtsherstel moet wenden tot de burgerlijke rechter. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 53, nr. 24) oordeelt met betrekking tot de ontvankelijkheid van de burgerlijke vordering van de verweerster II tegen de eiser II als volgt: - de overschrijding van de redelijke termijn heeft geen invloed op de al dan niet ontvankelijkheid van de burgerlijke vordering ten aanzien van de eiser II, waarbij het tijdsverloop niet ertoe heeft geleid dat bewijsmateriaal is verloren gegaan of de eiser II zou hebben gehinderd in zijn mogelijkheid om tegenspraak te voeren over het bewijsmateriaal; - het is niet van belang dat de verweerster II haar geschil had kunnen aanhangig maken bij de burgerlijke rechter in plaats van een klacht met burgerlijkepartijstelling in te dienen bij de onderzoeksrechter. De burgerlijke partij mag vrij kiezen of zij een klacht met burgerlijkepartijstelling neerlegt in de handen van de onderzoeksrechter dan wel of zij dagvaardt voor de burgerlijke rechter, waarbij zij ook bij het instellen van een klacht met burgerlijkepartijstelling ervan mag uitgaan dat de gerechtelijke overheid de zaak zal benaarstigen binnen een even redelijke termijn als deze van een burgerlijke zaak; - voor eventueel rechtsherstel zal de eiser II zich tot de burgerlijke rechter dienen te wenden. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het in het middel bedoelde verweer en verantwoordt het de beslissing over de ontvankelijkheid van de door de verweerster II tegen de eiser II ingestelde burgerlijke vordering naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 509,51 euro, waarvan op het cassatieberoep I en III 129,13 euro is verschuldigd, op het cassatieberoep II 90,63 euro is verschuldigd en op het cassatieberoep IV 90,62 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251209.2N.24 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161018.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170201.9 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.7 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.38 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231011.2F.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.6 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div