Obsah (4)
Art. 14Art. 16Art. 17Art. 39id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 14
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 16
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 17
- 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de
Art. 39
, § 1, 2° - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiches 2 - 3 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in verband met de vrijstelling bij uitvoer volgt niet dat om van de vrijstelling voor uitvoer te kunnen genieten minstens een voldoende temporeel en materieel verband moet kunnen worden aangetoond tussen het tijdstip van de levering en het tijdstip dat het goed het grondgebied van de Unie effectief verlaat. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - 28-11-2006 - Art. 146, eerste lid, sub b Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - 28-11-2006 - Art. 146, eerste lid, sub b Tekst van de beslissing Nr. F.23.0108.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de adviseur-generaal directeur KMO Centrum Antwerpen, met kantoor te 2930 Brasschaat, Ruiterijschool 3, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, beiden advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen DHB bv, met zetel te 2990 Wuustwezel, Hoogstraatseweg 64, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0843.397.677, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 20 juni
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 24 september 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 14, § 2, Btw-wetboek wordt als plaats van de levering wanneer het goed door de leverancier, door de afnemer of door een derde wordt verzonden aangemerkt de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip van vertrek van de verzending of het vervoer naar de afnemer. Krachtens artikel 16, § 1, Btw-wetboek vindt het belastbaar tijdstip voor levering van goederen plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de levering van het goed wordt verricht. De levering wordt verricht op het tijdstip waarop het goed ter beschikking van de overnemer wordt gesteld. Krachtens artikel 17, § 1, Btw-wetboek wordt in afwijking van artikel 16 voor de levering van goederen de belasting opeisbaar over het gefactureerde bedrag op het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt, ongeacht of de uitreiking van de factuur plaatsvindt vóór of na het tijdstip waarop de levering wordt verricht.
- Krachtens artikel 39, § 1, 2°, Btw-wetboek zijn van de belasting vrijgesteld, de leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van de door de koper zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privé-gebruik, en van de door een reiziger in zijn persoonlijke bagage meegenomen goederen. Krachtens artikel 39, § 3, Btw-wetboek bepaalt de Koning de voorwaarden die voor het verkrijgen van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde vrijstellingen moeten worden nageleefd en kan Hij daarbij afwijken van de artikelen 16, § 1, 17, 22, § 1, en 22bis. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 18 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstelling ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, hierna KB nr. 18, moet een kopie van de verkoopfactuur of, bij ontstentenis van een verkoopfactuur, een verzendingsstuk dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat, worden afgegeven op het douanekantoor waar, overeenkomstig de douanereglementering inzake uitvoer, een aangifte ten uitvoer moet worden ingediend. Krachtens artikel 5, § 2, KB nr. 18 moet de niet in België gevestigde koper die zelf in België goederen in bezit neemt, bij de inbezitneming aan zijn in België gevestigde verkoper een ontvangstbewijs afleveren, dat benevens de datum van afgifte en de omschrijving van de goederen, het land van bestemming moet vermelden. Krachtens artikel 3 KB nr. 18 moet de verkoper van de goederen ten allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt en moet hij ze op ieder verzoek van de met de controle belaste ambtenaren voorleggen. Die stukken zijn, onder meer, de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken alsmede de aangifte ten uitvoer bedoeld in artikel
- Krachtens artikel 6 KB nr. 18 moet het bewijs van uitvoer door de verkoper worden geleverd overeenkomstig artikel 3 onafhankelijk van het stuk, voorgeschreven door artikel 5, §
- De verkoper wordt pas van zijn verantwoordelijkheid ontslagen indien hij kan bewijzen dat de goederen onder de gestelde voorwaarden werden uitgevoerd. Krachtens artikel 15 KB nr.18 kan de verkoper, in de door of vanwege de minister van Financiën bepaalde gevallen en onder de door hem gestelde voorwaarden, de betaling van de belasting opschorten wanneer een oorzaak van opeisbaarheid van de belasting waarvoor het belastbare feit voortvloeit uit de artikelen 16 en 22 van het Wetboek zich voordoet vóór de uitvoer van de goederen.
- Noch artikel 39, § 1, 2°, Btw-wetboek noch de bepalingen van het KB nr. 18 leggen een termijn op binnen dewelke na de levering van het goed tot uitvoer moet worden overgegaan. Dergelijke termijn ligt ook niet impliciet besloten in de artikelen 14, 16 en 17 Btw-wetboek krachtens dewelke voor leveringen van goederen het belastbaar feit plaatsvindt en de belasting opeisbaar wordt op het tijdstip waarop de levering van het goed wordt verricht, aangezien er bij uitvoer geen sprake is van een belastbare levering en de vrijstelling voor uitvoer het belastbaar feit neutraliseert. Uit artikel 15 KB nr. 18 volgt evenmin dat de uitvoer onmiddellijk na de levering moet geschieden om van de vrijstelling van artikel 39, § 1, 2°, Btw-wetboek te kunnen genieten aangezien deze bepaling slechts van toepassing is in het geval van een subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de btw.
- In zoverre het middel aanvoert dat uit artikel 39, § 1, 2°, Btw-wetboek en de bepalingen van KB nr. 18, in samenhang gelezen met de artikelen 14, 16 en 17 Btw-wetboek volgt dat de vrijstelling wegens uitvoer enkel kan gelden indien de uitvoer onmiddellijk na de terbeschikkingstelling van het goed wordt verricht, faalt het naar recht.
- Krachtens artikel 146, lid 1, sub b van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, hierna Richtlijn 2006/112/EG, verlenen de lidstaten vrijstelling voor de levering van goederen die door of voor rekening van een niet op hun respectieve grondgebied gevestigde afnemer worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van door de afnemer zelf vervoerde goederen, bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privégebruik.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in het arrest C-563/12, BDV Hungary Trading Kft t/ Nemzeti Adó-ès Vámhivatal Küzép-magyarországi Regionális Adó Föigazgatósága, van 19 december 2013 dat: - een goed is uitgevoerd en de exportlevering wordt vrijgesteld, wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over dat goed op de afnemer is overgegaan en de leverancier aantoont dat dit goed naar een plaats buiten de Unie is verzonden of vervoerd en het grondgebied van de Unie ingevolge deze verzending of vervoer fysiek heeft verlaten (r.o. 24); - artikel 146, lid 1, sub b, Richtlijn 2006/112/EG, anders dan de bepalingen van de Richtlijn betreffende het recht op aftrek, voor de toepassing van de in dat artikel bedoelde vrijstelling bij uitvoer niet als voorwaarde stelt dat het exportgoed het grondgebied van de Unie binnen een bepaalde termijn moet hebben verlaten (r.o. 26); - de kwalificatie van een transactie als exportlevering in de zin van artikel 146, lid 1, sub b, Richtlijn 2006/112/EG bijgevolg niet kan afhangen van de inachtneming van een bepaalde termijn waarbinnen het betrokken goed het douanegebied van de Unie moet hebben verlaten en waarvan de niet-inachtneming tot gevolg heeft dat de belastingplichtige de vrijstelling bij uitvoer definitief wordt ontzegd (r.o. 27); - het de lidstaten weliswaar vrijstaat een redelijke termijn vast te stellen om na te gaan of een goed in het geval van een exportlevering de Unie daadwerkelijk heeft verlaten (r.o. 34); - een nationale regeling die de vrijstelling bij uitvoer aan een termijn onderwerpt, met name om belastingontwijking en -fraude te bestrijden, evenwel zonder de belastingplichtige in staat te stellen om, teneinde voor die vrijstelling in aanmerking te komen, te bewijzen dat aan de voorwaarde van vertrek is voldaan na het verstrijken van die termijn, en zonder voor de belastingplichtige te voorzien in een recht op teruggaaf van de btw die reeds is betaald wegens de niet-inachtneming van die termijn, terwijl hij heeft bewezen dat de koopwaar het douanegebied van de Unie heeft verlaten, evenwel verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (r.o. 39).
- Anders dan het middel aanvoert, volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in verband met de vrijstelling bij uitvoer vervat in artikel 146, lid 1, sub b, Richtlijn 2006/112/EG aldus niet dat om van de vrijstelling voor uitvoer te kunnen genieten minstens een voldoende temporeel en materieel verband moet kunnen worden aangetoond tussen het tijdstip van de levering en het tijdstip dat het goed het grondgebied van de Unie effectief verlaat. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.
- In verband met de administratieve aanschrijving nr. E.T.97.794 van 1 maart 2001, volgens dewelke, om de vrijstelling te kunnen genieten, de uitvoer onmiddellijk na de terbeschikkingstelling moet worden verricht en, in elk geval, binnen de termijn die strikt nodig is om de goederen te vervoeren van op de plaats waar ze ter beschikking van deze persoon worden gesteld tot op het douanekantoor van uitgang waar ze de Gemeenschap verlaten, oordelen de appelrechters dat: - noch artikel 39 Btw-wetboek, noch KB nr. 18 een termijn bepalen binnen dewelke de uitvoer dient plaats te vinden om recht te kunnen doen gelden op de vrijstelling van btw wegens uitvoer, zodat de aanschrijving een voorwaarde toevoegt aan de wet, met als gevolg dat de aanschrijving in strijd is met het legaliteitsbeginsel en geen bindende voorwaarden kan opleggen voor het verkrijgen van de vrijstelling van de btw wegens uitvoer; - in acht genomen dat de echtheid van de uitvoer van het paard is bewezen door de verweerster, zoals door de administratie wordt aanvaard, voldaan is aan de voorwaarden voor de vrijstelling van de btw wegens uitvoer zoals bepaald in artikel 39 Btw-wetboek en KB nr. 18, die geen voorwaarden bepalen wat betreft enige termijn van uitvoer.
- Met deze redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat het afhankelijk stellen van de vrijstelling wegens uitvoer van de vereiste van onmiddellijke uitvoer, dan wel de uitvoer binnen de daartoe strikt vereiste termijn, zonder dat een wettelijke bepaling zulks vereist, in strijd is met het legaliteitsbeginsel. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Bepaalt de kosten voor de eiser op 529,65 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 23 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251023.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div