← België

BS FINANCIEN contra CNH INDUSTRIAL BELGIUM nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.10 Rolnummer: F.22.0161.N Zaak: BS FINANCIEN contra CNH INDUSTRIAL BELGIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-11-25 Raadplegingen: 349 - laatst gezien 2026-06-18 14:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Moratoire interest moet worden toegekend vanaf de datum waarop de administratie ten onrechte heeft geweigerd over te gaan tot terugbetaling van een overschot aan bedrijfsvoorheffing omdat vanaf die datum geen sprake meer is van een vergissing begaan door de belastingplichtige bij de storting van de bedrijfsvoorheffing waarvoor de Staat niet moet instaan

(1).
(1)Gwh. 13 maart 2025, nr. 40/2025, ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.
  1. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Aanrekening en terugbetaling van de voorheffingen INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN Tekst van de beslissing Nr. F.22.0161.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de adviseur-generaal Centrum Grote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, eiser, tegen CNH INDUSTRIAL BELGIUM nv, met zetel te 8210 Zedelgem, Léon Claeysstraat 3A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0400.444.803, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 mei
  2. Het Hof heeft bij arrest van 7 december 2023 een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Bij arrest van 13 maart 2025 heeft het Grondwettelijk Hof deze vraag beantwoord. De verweerster heeft op 18 april 2025 een nota neergelegd ter griffie van het Hof. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan het arrest van 7 december 2023 is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Krachtens artikel 418, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, wordt bij terugbetaling van belastingen, voorheffingen, voorafbetalingen, nalatigheidsinterest, belastingverhogingen of administratieve boeten, moratoriuminterest toegekend tegen de wettelijke rentevoet, berekend per kalendermaand.
  4. Krachtens artikel 419, eerste lid, 4°, WIB92, zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, wordt geen moratoriuminterest toegekend in geval van terugbetaling van als roerende voorheffing of als bedrijfsvoorheffing gestorte bedragen aan de in de artikelen 261 en 270 bedoelde schuldenaars ervan.
  5. In voormeld arrest van 7 december 2023 heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4° WIB92, in de versie zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2015 en 2016, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in de uitlegging dat ze uitsluiten dat moratoriuminterest wordt toegekend aan de belastingplichtige in de situatie waar de belastingplichtige de bedrijfsvoorheffing aanvankelijk spontaan heeft betaald maar nadien een bezwaarschrift heeft ingediend en terugbetaling heeft gevorderd van de bedrijfsvoorheffing en deze vordering uiteindelijk door de rechter wordt ingewilligd, doordat ze aldus een discriminatie invoeren: 1° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van een belasting, roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing die zij hebben betaald nadat die belasting of voorheffing ten onrechte jegens hen werd ingekohierd, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminterest wordt toegekend? 2° tussen die belastingplichtigen en de belastingplichtigen die de terugbetaling verkrijgen van dezelfde voorheffingen, die zij niet spontaan hebben betaald binnen de termijn bepaald in artikel 412 van dat wetboek, maar pas nadat de administratie ze jegens hen had ingekohierd, overeenkomstig artikel 304, § 1, tweede lid, van datzelfde wetboek, waarbij aan de laatstgenoemde belastingplichtigen moratoriuminterest wordt toegekend?”
  6. Bij arrest van 13 maart 2025 heeft het Grondwettelijk Hof deze vraag als volgt beantwoord: “In zoverre zij uitsluiten dat moratoriuminteresten worden toegekend aan de belastingschuldigen wanneer zij aanvankelijk spontaan bedrijfsvoorheffing hebben betaald maar nadien een bezwaarschrift hebben ingediend en de terugbetaling van die bedrijfsvoorheffing hebben gevorderd in het kader van de toepassing van artikel 275³ van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en het bevoegde rechtscollege die vordering heeft ingewilligd, schenden de artikelen 418, eerste lid, en 419, eerste lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, zoals zij van toepassing waren voor de aanslagjaren 2015 en 2016, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.”
  7. Door te oordelen dat vanaf het indienen van de bezwaarschriften van 20 en 21 september 2018 vaststaat dat de administratie ten onrechte heeft geweigerd over te gaan tot terugbetaling van een overschot aan bedrijfsvoorheffing en er vanaf dan geen sprake meer is van een vergissing van de belastingplichtige zodat moratoriuminterest kan worden toegekend, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 172,44 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 23 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231207.1N.4 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231207.1N.4 precedenten: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.