← België

BELGISCHE STAAT FOD Financiën contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.12 Rolnummer: F.23.0082.N Zaak: BELGISCHE STAAT FOD Financiën contra P. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2025-11-25 Raadplegingen: 487 - laatst gezien 2026-06-15 10:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251023.1N.12 Fiche 1 Krachtens artikel 160 Wet Verzekeringen is de levensverzekering een persoonsverzekering waarbij het zich voordoen van het verzekerd voorval alleen afhankelijk is van de menselijke levensduur en die wordt geacht uitsluitend te zijn gericht op de uitkering van een vast bedrag; onder de uitkering van een “vast bedrag” dient te worden begrepen de uitkering van een bedrag dat niet afhankelijk is van de omvang van de schade veroorzaakt door het verzekerde voorval

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERZEKERING - LEVENSVERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wet 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, inwerkingtreding 1 november 2014 - 04-04-2014 - Art. 160 - 23 ELI link Pub nr 2014011239 Fiches 2 - 3 Opdat een werkgeversbijdrage voor een levensverzekeringscontract als definitief verworven kan worden beschouwd voor de begunstigde werknemer, is niet noodzakelijk vereist dat de bijdragen het vermogen van de werkgever hebben verlaten; het volstaat dat de werkgever een vaste en onherroepelijke verbintenis aangaat om de bijdragen voor de opbouw van het pensioen te bestemmen en dat de werknemer over een vaste en onherroepelijke aanspraak op het pensioen beschikt. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 39, § 2 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 4 Artikel XVIII van de Bijlage 1, getiteld “Voorrechten en immuniteiten” bij het Verdrag van 30 mei 1975 tot oprichting van een Europees ruimte-agentschap, dat louter de heffingsbevoegdheid verdeelt tussen de lidstaten en de ESA en die impliceert dat België zich moet onthouden van belastingheffing op salarissen en emolumenten om dubbele belasting te vermijden, is geen vrijstelling in de zin van artikel 39, §2, 2°, a), WIB92
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Pensioenen Wettelijke bepalingen: Verdrag van 30 mei 1975 tot oprichting van een Europees ruimte-agentschap, en Bijlagen I tot IV - 30-05-1975 - Art. XVIII bijlage 1 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 39, § 2 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.23.0082.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de adviseur-generaal directeur van het P Centrum Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy Van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  1. A. P.,
  2. R. T., die woonplaats kiezen bij gerechtsdeurwaarder Bernard Buyse, met kantoor te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Sint-Joostplein 1, verweerders, met als raadslieden mr. Vincent Vercauteren en mr. Koen van Duyse, advocaten bij de balie Antwerpen, beiden met kantoor te 2600 Antwerpen, Grotesteenweg 214 bus 4 en mr. Lennert De Vlieger, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Esplanade Oscar Van De Voorde
  3. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 14 maart
  4. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 24 september 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  5. Krachtens artikel 160 Wet Verzekeringen is de levensverzekering een persoonsverzekering waarbij het zich voordoen van het verzekerd voorval alleen afhankelijk is van de menselijke levensduur en die wordt geacht uitsluitend te zijn gericht op de uitkering van een vast bedrag. Onder de uitkering van een “vast bedrag” dient te worden begrepen de uitkering van een bedrag dat niet afhankelijk is van de omvang van de schade veroorzaakt door het verzekerde voorval. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechter niet wettig heeft beslist dat er sprake is van de uitkering van een vast bedrag omdat het bedrag zonder beperking in de tijd of qua bedrag wordt betaald tot aan het overlijden van de begunstigde, de uitkeringen voorzien na overlijden van overlevenden, wezen en personen ten laste na een bepaalde tijd uitdoven en de pensioenen kunnen worden aangepast aan de levensduurte, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt het naar recht.
  6. Overeenkomstig artikel 39, § 2, 2°, WIB92, zoals van toepassing vóór de vervanging ervan bij artikel 77, 2°, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, hierna WAP, zijn de in artikel 34, § 1, 2°, WIB92 genoemde pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden vrijgesteld van belasting indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is, het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en bepaalde vrijstellingen niet werden toegepast of verminderingen niet werden toegekend. Vóór de inwerkingtreding van de WAP was, wanneer de werkgever de premies van een levensverzekeringsovereenkomst had betaald, het kapitaal van die levensverzekeringsovereenkomst vrijgesteld indien de werknemer bewees dat tijdens de pensioenopbouw de werkgeversbijdragen definitief en uitsluitend in zijn voordeel werden betaald. Precies omdat de pensioenaanspraken definitief verworven waren voor de werknemer, dienden in een dergelijk geval de werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract op het ogenblik dat zij werden gestort, te worden beschouwd als bezoldigingen in hoofde van de werknemer en werden de latere uitkeringen gelijkgesteld met de uitvoering van een individuele levensverzekering in de zin van artikel 39, § 2, 2°, WIB92 en als dusdanig vrijgesteld van belasting. Hierover anders oordelen en de latere uitkeringen eveneens als een uitgesteld beroepsinkomen belasten op grond van artikel 34, § 1, 2°, WIB92, zou hebben ingehouden dat zowel de pensioenopbouw als de pensioenuitkering werden belast, wat strijdig zou zijn geweest met de strekking van de wet. Opdat een werkgeversbijdrage voor een levensverzekeringscontract als definitief verworven kan worden beschouwd voor de begunstigde werknemer, is niet noodzakelijk vereist dat de bijdragen het vermogen van de werkgever hebben verlaten. Het volstaat dat de werkgever een vaste en onherroepelijke verbintenis aangaat om de bijdragen voor de opbouw van het pensioen te bestemmen en dat de werknemer over een vaste en onherroepelijke aanspraak op het pensioen beschikt.
  7. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechter niet wettig kon beslissen dat sprake is van definitief verworven pensioenaanspraken omdat de betaling van het pensioen van de verweerder ten laste valt van de budgetten van de organisatie en niet blijkt dat de opgebouwde pensioenrechten uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen of daarvan zijn afgescheiden, berust het op een onjuiste rechtsopvatting en faalt het naar recht.
  8. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechter niet wettig kon beslissen dat er sprake is van definitief en in het individueel en uitsluitend voordeel van de begunstigde verworven pensioenrechten omdat er bij de beëindiging van het dienstverband niet altijd recht is op een “leaving allowance”, de rechtverkrijgenden zich niet noodzakelijk beperken tot de weduwen, wezen en personen ten laste en het exacte bedrag van de door de verweerder opgebouwde pensioenrechten niet gekend is, vergt het een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
  9. Uit de “tweede aanvullende conclusies in graad van beroep tevens definitieve syntheseconclusies” van de eiser blijkt dat deze voor de appelrechter niet heeft betwist dat de pensioenvoorziening werd opgebouwd met werkgeversbijdragen, doch enkel dat deze werkgeversbijdragen ten tijde van de pensioenopbouw uit het vermogen van de werkgever waren verdwenen. De appelrechter die oordeelt dat door de partijen niet wordt betwist dat het pensioen werd opgebouwd door werkgeversbijdragen tot 30 juni 1996, miskent de bewijskracht van de voormelde syntheseconclusie niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  10. In zoverre het middel miskenning aanvoert van de bewijskracht van het pensioenreglement, meer bepaald van de tekst van artikel 44.2.i van dat reglement, doordat de appelrechter oordeelt dat uit deze bepaling blijkt dat het pensioen werd opgebouwd door middel van werkgeversbijdragen, komt het op tegen een overtollige reden, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.
  11. In zoverre het middel aanvoert
(1)dat er voor de periode van pensioenopbouw voorafgaand aan de gelding van het ESA Pension Scheme geen vaststellingen zijn van een pensioenopbouw door stortingen van werkgeversbijdragen die uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen en de appelrechter niet aanduidt uit welke overwegingen dat blijkt, zodat het Hof in de onmogelijkheid verkeert zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, en
(2)dat voor zover het hof van beroep dat afleidt uit enige bepaling van het pensioenreglement, het de bewijskracht van dat reglement miskent, gaat het uit van de onjuiste rechtsopvatting dat werkgeversbijdragen voor een levensverzekeringscontract slechts als definitief verworven kunnen worden beschouwd voor de begunstigde werknemer, wanneer de bijdragen het vermogen van de werkgever hebben verlaten en faalt het in zoverre naar recht.
  1. Met de redenen die het bevat, verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer dat de werkgeversbijdragen het vermogen van de werkgever niet hebben verlaten en daarom niet als definitief verworven kunnen worden beschouwd, zonder dat het daarbij diende te antwoorden op elk argument dat werd aangevoerd tot staving van dat verweer maar geen afzonderlijk middel vormt. In zoverre het middel schending aanvoert van de motiveringsplicht, kan het niet worden aangenomen.
  2. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest tegenstrijdige motieven bevat doordat het enerzijds overweegt dat de stortingen van de werkgeversbijdragen uit het vermogen van de werkgever zijn verdwenen en anderzijds dat de betaling van de pensioenuitkeringen ten laste valt van de budgetten van de organisatie-werkgever en de betaling wordt gewaarborgd door de lidstaten, voert het geen feitelijke maar een juridische tegenstrijdigheid aan, is het bijgevolg vreemd aan het als geschonden aangevoerde artikel 149 Grondwet en bijgevolg niet ontvankelijk.
  3. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 6, 23, § 1, 5° en 34, § 1, WIB92, is het afgeleid en bijgevolg niet ontvankelijk.
  4. Krachtens artikel 39, § 2, 2° a), WIB92 zijn pensioenen vrijgesteld indien ze voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract dat is afgesloten ten gunste van de belastingplichtige of de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is en, onder meer, geen vrijstelling is toegepast overeenkomstig bepalingen die vóór het aanslagjaar 1993 van toepassing waren. Artikel XVIII van de Bijlage 1, getiteld “Voorrechten en immuniteiten” bij het Verdrag van 30 mei 1975 tot oprichting van een Europees ruimte-agentschap, bepaalt: “
  5. Met inachtneming van de voorwaarden en volgens de procedures zoals die door de Raad zijn vastgesteld, zijn de Directeur-Generaal en de personeelsleden van het Agentschap onderworpen aan een belasting ten gunste van het Agentschap op door het Agentschap betaalde salarissen en emolumenten. Deze salarissen en emolumenten zijn vrij van nationale inkomstenbelasting; de Lid-Staten behouden zich evenwel het recht voor rekening te houden met deze salarissen en emolumenten bij de berekening van de belasting die geheven wordt op inkomsten uit andere bronnen.
  6. De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op door het Agentschap aan zijn vroegere Directeuren-Generaal en personeelsleden betaalde jaargelden en pensioenen.” Deze bepaling, die louter de heffingsbevoegdheid verdeelt tussen de lidstaten en de ESA en die impliceert dat België zich moet onthouden van belastingheffing op salarissen en emolumenten om dubbele belasting te vermijden, is geen vrijstelling in de zin van artikel 39, § 2, 2°, a), WIB
  7. In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 604,84 euro Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 23 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.12 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251023.1N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.