id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.3 Rolnummer: F.23.0077.N Zaak: BELGISCHE STAAT FOD FINANCIËN c. ATHORA BELGIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2025-11-27 Raadplegingen: 487 - laatst gezien 2026-06-15 10:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De samengestelde aanvullende voorziening leven is een voorziening die wordt aangelegd om het hoofd te bieden aan een verwacht verlies met beroepskarakter, dat voortvloeit uit de omstandigheid dat de beloofde prestatie van de verzekeringsonderneming ten gevolge van een aanhoudend dalende rente op de markt voor lineaire obligaties op lange termijn niet zal kunnen worden gefinancierd met de inkomsten verkregen uit belegging van de door de verzekerde betaalde premies; die voorziening komt uit haar aard in aanmerking voor belastingvrijstelling, omdat het een voorziening voor kosten of verliezen betreft
(1).
(1)Cass. 19 maart 2009, AR F.07.0096.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090319.21, AC 2009, nr. 209. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: KB 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit - 14-11-2003 - Art. 31, § 3 - 30 ELI link Pub nr 2003023014 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 48 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: VERZEKERING - LEVENSVERZEKERING Wettelijke bepalingen: KB 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit - 14-11-2003 - Art. 31, § 3 - 30 ELI link Pub nr 2003023014 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 48 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiches 3 - 4 Een verzekeringsonderneming die een aanvullende voorziening moet samenstellen is ertoe gehouden is om deze aanvullende voorziening in haar jaarrekening samen met de voorziening voor verzekering leven op te nemen, zodat zij niet kan voldoen aan de voorwaarde dat het bedrag van de voorzieningen voor risico's en kosten bij de afsluiting van het belastbare tijdperk in één of meer afzonderlijke rekeningen moet voorkomen; in die omstandigheden kan met het oog op de uitsluiting uit de winst van die voorzieningen en risico's de belastingplichtige volstaan met een opgave 204.3, op voorwaarde dat de voorzieningen op controleerbare wijze ertoe strekken het hoofd te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk waren gedurende het volledige, betrokken boekjaar
(1).
(1)Cass. 17 december 2015, AR F.14.0073.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151217.8, AC 2015, nr. 763, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 48 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: VERZEKERING - LEVENSVERZEKERING Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 48 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.23.0077.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de adviseur-generaal directeur van het Centrum grote ondernemingen, beheer en gespecialiseerde controles van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, met kantoor te 1000 Brussel, Finance Tower, Kruidtuinlaan 50 bus 3351, eiser, tegen ATHORA BELGIUM nv, voorheen GENERALI BELGIUM nv, met zetel te 1050 Elsene, Marsveldstraat 23, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.262.553, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 22 maart
- Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 48, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2014, worden vrijgesteld, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico’s en kosten die door ondernemingen worden geboekt om het hoofd te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn. Een voorziening die wordt geboekt om het hoofd te bieden aan een toekomstig verlies of kost met beroepskarakter in de zin van artikel 48 WIB92 komt in aanmerking voor vrijstelling onder deze bepaling indien het betrokken verlies of de kost scherp omschreven is en volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk is. De rechter beoordeelt in feite of de betrokken verliezen of kosten scherp omschreven zijn en of zij volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn. Het Hof kan evenwel nagaan of de feitenrechter gelet op de gedane vaststellingen wettig heeft kunnen besluiten dat de verliezen of kosten in kwestie scherp omschreven zijn en of zij volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn.
- Krachtens artikel 31, § 3, eerste tot zesde lid van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit, hierna KB Leven, zoals van toepassing, wordt bij de berekening van de voorziening voor verzekering leven rekening gehouden met de ongunstige ontwikkeling van de verschillende betrokken factoren, die ten grondslag liggen aan die voorziening voor verzekering leven. In het bijzonder stelt de verzekeringsonderneming voor de overeenkomsten waarvoor de gewaarborgde rentevoet vastgesteld is krachtens de bepalingen van artikel 24, § 2 en § 3, KB Leven, een aanvullende voorziening samen zodra de gewaarborgde rentevoet 80 pct. van de gemiddelde rentevoet over de laatste vijf jaar van de OLO’s op tien jaar met meer dan 0,1 pct. overschrijdt. Deze samen te stellen aanvullende voorziening maakt deel uit van de voorziening voor verzekering leven. Zij is voor alle overeenkomsten gelijk aan de som van het positieve verschil tussen de inventarisreserve van de overeenkomst waarbij de technische rentevoet wordt vervangen door de rentevoet die overeenstemt met 80 pct. van de gemiddelde rentevoet vermeld in het vorige lid en de inventarisreserve van de overeenkomst in haar technische grondslagen of eventueel aangepast volgens artikel 86, § 3, KB Leven. Deze aanvullende voorziening wordt op 31 december van elk jaar berekend. De jaarlijkse dotatie is gelijk aan ten minste 10 pct. van de in het vorige lid bedoelde samen te stellen aanvullende voorziening. Indien de samen te stellen aanvullende voorziening kleiner is dan de samengestelde aanvullende voorziening, mag de verzekeringsonderneming van deze laatste aanvullende voorziening 10 pct. afhouden van het overschot alsook 90 pct. van de samengestelde aanvullende voorziening die betrekking heeft op de vereffende overeenkomsten. Hieruit volgt dat de krachtens artikel 31, § 3, KB Leven samengestelde aanvullende voorziening leven een voorziening is die wordt aangelegd om het hoofd te bieden aan een verwacht verlies met beroepskarakter, dat voortvloeit uit de omstandigheid dat de beloofde prestatie van de verzekeringsonderneming ten gevolge van een aanhoudend dalende rente op de markt voor lineaire obligaties op lange termijn niet zal kunnen worden gefinancierd met de inkomsten verkregen uit belegging van de door de verzekerde betaalde premies.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat een overeenkomstig artikel 31, § 3, KB Leven samengestelde aanvullende voorziening leven uit haar aard niet in aanmerking komt voor vrijstelling onder artikel 48 WIB92, omdat het een voorziening voor verlies van toekomstige inkomsten betreft en geen voorziening voor kosten of verliezen, faalt het naar recht.
- De appelrechters stellen vast dat: - het geschil betrekking heeft op de vrijstelling onder artikel 48 WIB92 van de overeenkomstig artikel 31, § 3, KB Leven samengestelde aanvullende voorziening voor levensverzekeringen, die in de balans van de verweerster van het jaar 2013 is opgenomen; - de aanvullende voorziening leven dient om tegemoet te komen aan actuele en concrete marktomstandigheden en het specifieke risico dekt voor levensverzekeringsmaatschappijen dat zij een onveranderlijk en gegarandeerd rendement over een zeer lange termijn aanbieden; - de voorziening wordt berekend op basis van actuele en concrete marktomstandigheden, namelijk een constante daling van de gemiddelde rentevoeten over de laatste vijf jaar van de OLO’s op tien jaar; - de evolutie van de OLO-rentevoet een goede graadmeter is; - het duidelijk is dat er verlies zal worden gemaakt in de mate dat de verweerster het niveau van de gewaarborgde verbintenissen niet zal kunnen financieren aan de hand van het rendement op de dekkingswaarden; - de toekomstige verliezen hun oorsprong vinden in de belastbare periode gezien ze verband houden met de contracten die op dat moment lopen en het rendement op de kapitaalmarkten van de belastbare periode niet volstaat om de schuld aan de verzekeringnemer in de toekomst volledig te kunnen voldoen; - de aanvullende voorziening niet wordt aangelegd op forfaitaire basis, maar wel op basis van de som van het positieve verschil tussen de inventarisreserve van de overeenkomst waarbij de technische rentevoet wordt vervangen door de rentevoet die overeenstemt met 80 pct. van de gemiddelde rentevoet vermeld in het vorige lid en de inventarisreserve van de overeenkomst in haar technische grondslagen, zodat de berekening verschilt voor elke individuele levensverzekeringsovereenkomst; - de aanvullende voorziening leven wordt berekend op basis van wetenschappelijke en actuarieel onderbouwde methodes, zodat zij een getrouw beeld geeft van de werkelijkheid, overeenkomstig de principes van het boekhoudrecht.
- De appelrechters konden op die gronden oordelen dat het niet om een voorziening voor een algemeen risico gaat, maar om een voorziening voor scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn en verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 48, eerste lid, WIB92, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2014, worden vrijgesteld, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico’s en kosten die door ondernemingen worden geboekt om het hoofd te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn.
- Krachtens artikel 24, 2°, KBWIB92 worden uit de winst van het in artikel 22 vermelde tijdperk gesloten de voorzieningen voor risico's en kosten die bij het verstrijken van dat tijdperk zijn aangelegd, wanneer de voorzieningen voldoen aan de voorwaarden die in artikel 22, § 1, 3° en 4°, KBWIB92, ten aanzien van waardeverminderingen gesteld zijn. Krachtens artikel 22, § 1, 3°, KBWIB92 worden uit de winst van het krachtens artikel 360 WIB92 bepaalde belastbare tijdperk gesloten de bij het verstrijken van dat tijdperk geboekte waardeverminderingen, onder de voorwaarde dat de waardeverminderingen geboekt zijn bij het afsluiten van de boekhouding van het belastbare tijdperk en hun bedrag in één of meer afzonderlijke rekeningen voorkomen. Krachtens artikel 22, § 1, 4°, KBWIB92 moet het bij het verstrijken van enig belastbaar tijdperk overblijvend totaal van de vrijgestelde waardeverminderingen, per onderwerp verantwoord en uiteengezet worden in een staat waarvan het model door de minister van financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, en moet die staat worden ingediend binnen de termijn die gesteld is voor het overleggen van de aangifte in de inkomstenbelastingen over het belastbare tijdperk, en bij die aangifte worden gevoegd.
- Krachtens artikel 31, § 3, tweede lid, KB Leven, zoals van toepassing, stelt de verzekeringsonderneming voor de overeenkomsten waarvoor de gewaarborgde rentevoet vastgesteld is krachtens de bepalingen van artikel 24, § 2 en § 3, een aanvullende voorziening samen zodra de gewaarborgde rentevoet 80 pct. van de gemiddelde rentevoet over de laatste vijf jaar van de OLO’s op tien jaar met meer dan 0,1 pct. overschrijdt. Krachtens het derde lid van die bepaling maakt deze aanvullende voorziening deel uit van de voorziening voor verzekering leven.
- Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat een verzekeringsonderneming die een aanvullende voorziening moet samenstellen in de zin van voormeld artikel 31, § 3, tweede lid, KB Leven ertoe gehouden is om deze aanvullende voorziening in haar jaarrekening samen met de voorziening voor verzekering leven op te nemen, zodat zij niet kan voldoen aan de voorwaarde dat het bedrag van de voorzieningen voor risico’s en kosten bij de afsluiting van het belastbare tijdperk in één of meer afzonderlijke rekeningen moet voorkomen. Een belastingplichtige die zich in die omstandigheden bevindt, kan met het oog op de uitsluiting uit de winst van die voorzieningen en risico’s volstaan met een opgave 204.3, op voorwaarde dat de voorzieningen op controleerbare wijze ertoe strekken het hoofd te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk waren gedurende het volledige, betrokken boekjaar.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verweerster een opgave 204.3 heeft ingediend; - de voorziening ertoe strekt het hoofd te bieden aan scherp omschreven kosten die volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn gedurende het volledige, betrokken jaar; - de aanvullende voorziening leven door de verweerster op reglementaire gronden samen met de inventarisreserve moet worden geboekt; - de verweerster aldus terecht stelt dat zij in de onmogelijkheid was om aan de voorwaarde van afzonderlijke boeking te voldoen; - de verweerster bijgevolg kon volstaan met een opgave 204.
- Door op die gronden te oordelen dat het bedrag van de aanvullende voorziening leven in aanmerking komt voor vrijstelling onder artikel 48 WIB92, hoewel dat bedrag niet in een afzonderlijke rekening voorkomt, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 202 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 23 oktober 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251023.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090319.21 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151217.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div