id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 1022
, vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: RECHTSBIJSTAND Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1022
, vierde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 7 - 8 Uit artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1, eerste lid, en 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding en de daarin gemaakte verwijzing naar de artikelen 557 en 618 Gerechtelijk Wetboek volgt dat in beginsel het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering wordt bepaald volgens de in artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding vermelde tabel en dit op grond van de som van de vordering in de laatste conclusie, waarbij rekening wordt gehouden met de gevorderde vergoedende interesten, dit zijn de gevorderde interesten vervallen tussen de datum van het misdrijf en de datum waarop de burgerlijke partij haar in geld waardeerbare vordering voor het strafgerecht heeft geformuleerd, en waarbij geen rekening wordt gehouden met de gerechtelijke vergoedende interesten, dit zijn de interesten vanaf de datum waarop de burgerlijke partij haar voor de strafrechter in geld waardeerbare vordering heeft geformuleerd en de datum van de rechterlijke beslissing, noch met de gerechtelijke verwijlinteresten, zijnde de interesten vanaf de uitspraak. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -
Art. 557
- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -
Art. 618
- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1022
, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -
Art. 557
- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) -
Art. 618
- 03 ELI link Pub nr 1967101054 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 1022
, tweede lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 2 - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0925.N N. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nelson Vanlocke, advocaat bij de balie Gent, tegen I. P., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden; het stelt vast dat de behandeling voor de rechter lang aansleepte maar dat de eiser daarvan de oorzaak is; dit wordt met klem betwist; de redelijke termijn moet worden gerespecteerd ongeacht de wijze waarop een beklaagde zijn verdediging voert of een rechtsmiddel aanwendt; het blijkt niet dat de eiser dilatoir heeft gehandeld; het raadplegen van een advocaat of het voegen van stukken zijn legitieme daden van verdediging; het was de verweerster die om uitstel heeft gevraagd om te mogen antwoorden op de door de eiser ingediende stukken; een uitstel wegens ziekte van de verweerster is niet de verantwoordelijkheid van de eiser; het arrest hoefde geen eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken, maar had ook een minder verregaand rechtsherstel kunnen verlenen.
- Bij de beoordeling of over de strafvervolging werd geoordeeld binnen een redelijke termijn zoals vereist door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR mag de rechter wel degelijk het gedrag van de beklaagde betrekken. Ook handelingen van de beklaagde die geen dilatoir karakter hebben en die kunnen worden gekaderd in de normale uitoefening van het recht van verdediging, zoals het verzoek om uitstel wegens de recente raadpleging van een nieuwe raadsman of het indienen van nieuwe stukken wat tot uitstel leidt omdat de tegenpartij ervan kennis wil nemen, kunnen een impact hebben op het tijdsverloop en zijn dus wel degelijk relevant bij de beoordeling van de redelijketermijnvereiste.
- Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of in het licht van de complexiteit van de zaak, het gedrag van de met opsporing en vervolging belaste overheden, het gedrag van de beklaagde en het belang dat de zaak voor de beklaagde heeft, de redelijketermijnvereiste is gerespecteerd. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op grond van het geheel van redenen die het arrest (randnr. 8.3, p. 12-13) bevat, kan het wettig oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel het niet-verlenen van rechtsherstel bekritiseert, is het afgeleid uit de vergeefse aanvoering over de overschrijding van de redelijke termijn en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 162bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, artikel 1022, derde en vierde lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1, eerste lid, en 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding: het arrest veroordeelt de eiser tot de betaling van de basisrechtsplegingsvergoeding en niet van de minimumrechtsplegingsvergoeding; uit het stukkenbundel blijkt dat de eiser juridische tweedelijnsbijstand genoot; het arrest stelt dit ook vast; de eiser had op de stukken vermeld dat hij ontoereikende inkomsten had en een precaire financiële situatie, zodat de eiser verzocht om de minimumrechtsplegingsvergoeding toe te kennen; het arrest had gelet op de bewoordingen van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek ambtshalve slechts de minimumrechtsplegingsvergoeding mogen toekennen; enkel ingeval van een kennelijk onredelijke situatie mocht daarvan worden afgeweken.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de eerste rechter of voor het appelgerecht bij toepassing van artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek om een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding heeft verzocht. Evenmin blijkt dat de eiser bij de behandeling voor de eerste rechter genoot van de tweedelijns rechtsbijstand. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Artikel 1022, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns rechtsbijstand geniet, de rechtsplegingsvergoeding wordt vastgesteld op het door de Koning bepaalde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. In dat geval omkleedt de rechter zijn beslissing met bijzondere redenen. Uit die bepaling volgt dat de rechter die vaststelt dat de in het ongelijkgestelde partij tweedelijns rechtsbijstand geniet ertoe gehouden is het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding toe te kennen ook als daarom niet uitdrukkelijk wordt verzocht, behoudens ingeval van een verzoek om afwijking.
- Uit artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1, eerste lid, en 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding en de daarin gemaakte verwijzing naar de artikelen 557 en 618 Gerechtelijk Wetboek volgt dat in beginsel het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering wordt bepaald volgens de in artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding vermelde tabel en dit op grond van de som van de vordering in de laatste conclusie, waarbij rekening wordt gehouden met de gevorderde vergoedende interesten, dit zijn de gevorderde interesten vervallen tussen de datum van het misdrijf en de datum waarop de burgerlijke partij haar in geld waardeerbare vordering voor het strafgerecht heeft geformuleerd, en waarbij geen rekening wordt gehouden met de gerechtelijke vergoedende interesten, dit zijn de interesten vanaf de datum waarop de burgerlijke partij haar voor de strafrechter in geld waardeerbare vordering heeft geformuleerd en de datum van de rechterlijke beslissing, noch met de gerechtelijke verwijlinteresten, zijnde de interesten vanaf de uitspraak.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de bewezenverklaarde feiten zich situeren in de periode van 6 augustus 2021 tot en met 11 mei 2022; - de verweerster zich op 7 december 2022 voor de eerste rechter burgerlijke partij heeft gesteld; - de verweerster voor het appelgerecht op de rechtszitting de bevestiging heeft gevraagd van de veroordeling van de eiser tot betaling van een schadevergoeding van 2.500,00 euro, te vermeerderen met de interesten (arrest, randnr. 10.3, p. 15-16); - de eiser voor de appelprocedure juridische tweedelijnsbijstand genoot (arrest, randnr. 9.3, p. 15).
- Daaruit volgt dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding volgens artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding dient te worden bepaald op grond van een vordering in de schaal van 2.500,01 euro tot 5.000,00 euro en dat het minimumbedrag moet worden toegekend. Het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een dergelijke vordering bedraagt 588,66 euro. Door de eiser te veroordelen tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep voor een hoger bedrag dan 588,66 euro en met name tot een bedrag van 627,91 euro schendt het arrest de in rechtsoverweging 10 vermelde bepalingen. Het middel is in zoverre gegrond. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot betaling aan de verweerster van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van een bedrag dat 588,66 euro overstijgt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 110,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div