id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 5
.146, § 2 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1304, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 5:
Art. 5
.146, § 2 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1304, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 5:
Art. 5
.146, § 2 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1304, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: VERBINTENIS Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 5:
Art. 5
.146, § 2 - 27 ELI link Pub nr 2022A32058 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1304, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0631.N A. C, tussenkomende partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 april
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft op 10 oktober 2025 een schriftelijke conclusie op de griffie van het Hof neergelegd. Op de rechtszitting van 28 oktober 2025 heeft raadsheer Ilse Couwenberg verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek en artikel 1304, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de terugwerkende kracht van de afspraken met betrekking tot de goederen, opgenomen in de regelingsakte van 5 februari 2024, niet kan worden tegengeworpen aan derden, zoals ook bepaald in artikel 1304, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek; deze bepaling sluit de toepasselijkheid van artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek niet uit en verhindert niet dat de eiseres, die de hoedanigheid heeft van voorwaardelijke schuldeiser, de niet-tegenstelbaarheid van het door het openbaar ministerie gelegde beslag, kan inroepen.
- Artikel 1287, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de echtgenoten die hebben besloten tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten waaromtrent zij vrijelijk een vergelijk kunnen treffen, vooraf moeten regelen. Artikel 5.69 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een contract dat geldig is tot stand gekomen, de partijen tot wet strekt. Krachtens artikel 5.138 Burgerlijk Wetboek zijn de algemene regels van het verbintenissenrecht van toepassing op elke verbintenis ongeacht de bron ervan, tenzij de wet zich daartegen verzet. Krachtens artikel 5.139, tweede lid, Burgerlijk Wetboek is een voorwaarde opschortend wanneer de vervulling ervan de verbintenis opeisbaar maakt.
- Uit deze bepalingen volgt dat de echtgenoten die hebben besloten over te gaan tot echtscheiding door onderlinge toestemming hun wederzijdse rechten moeten regelen in een voorafgaande alomvattende familiaalrechtelijke overeenkomst, die onderworpen is aan de algemene regels van het verbintenissenrecht en enkel nog afhankelijk is van de opschortende voorwaarde van een rechterlijke beslissing waardoor de echtscheiding kracht van gewijsde verkrijgt.
- Artikel 5.146, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt: “Onverminderd de regels ter bescherming van derden te goeder trouw, kunnen, bij vervulling van de opschortende voorwaarde niet worden tegengeworpen aan de schuldeiser van een verbintenis om een bepaald voorwerp te geven, indien zij zich voordoen terwijl de voorwaarde hangende was: 1° de beschikkingshandelingen en abnormale beheershandelingen verricht door de schuldenaar; en 2° de onbeschikbaarheid ten gevolge van een beslag of een situatie van samenloop, zoals het faillissement, die het vermogen van die schuldenaar treft.”
- Artikel 1304, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, ten aanzien van derden eerst gevolg heeft vanaf de melding op de huwelijksakte of vanaf de opmaak van de akte van echtscheiding. Deze bepaling, op grond waarvan de beschikkingshandelingen uit de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming niet aan de beslagleggende schuldeiser kunnen worden tegengeworpen zolang de rechterlijke beslissing waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken geen kracht van gewijsde heeft verkregen, verzet zich tegen de toepassing van artikel 5.146, § 2, eerste lid, 2°, Burgerlijk Wetboek op grond waarvan het beslag gelegd hangende de voorwaarde niet tegenwerpelijk is aan de verkrijger van het goed bij vervulling van de voorwaarde.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De appelrechters oordelen dat, “nog los van” het feit dat er geen sprake is van een werkelijke opschortende voorwaarde zoals bepaald in artikel 5.146, § 2, eerste lid, 2°, Burgerlijk Wetboek: - uit titel IV van de regelingsakte blijkt dat de terugwerkende kracht die de partijen in deze akte hebben bepaald, niet kan worden tegengeworpen aan derden en dat de gemaakte afspraken slechts uitwerking zullen hebben vanaf de melding van het vonnis of arrest van de echtscheiding op de huwelijksakte; - dit niets meer of niets minder is dan de wettelijke regeling vervat in artikel 1304, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek; - tijdens de echtscheidingsprocedure het huwelijksvermogensstelsel van de partijen bijgevolg zijn gelding blijft hebben en derden met de echtgenoten kunnen handelen alsof er geen echtscheidingsprocedure was.
- Met deze redenen geven de appelrechters te kennen dat artikel 1304, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek zich verzet tegen de toepassing van artikel 5.146, § 2, eerste lid, 2°, Burgerlijk Wetboek en verantwoorden zij naar recht hun beslissing om de vordering van de eiseres tot vrijgave van het onroerend goed, dan wel tot opheffing en doorhaling van het beslag op het onroerend goed als ongegrond af te wijzen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Eerste en tweede onderdeel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.139, tweede lid, en 5.146, § 2, Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1287, tweede lid, en 1304, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het tussenkomen van de echtscheiding, opgenomen in de regelingsakte van 5 februari 2024 niet als een opschortende voorwaarde in de zin van artikel 5.146 Burgerlijk Wetboek kan worden beschouwd aangezien de gewezen echtgenoot van de eiseres de eigendom nog niet kon overdragen zolang de echtscheiding niet definitief was. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.69, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met hun oordeel dat de regelingsakte van 5 februari 2024 louter als een engagement en niet als een familiaalrechtelijke overeenkomst moet worden beschouwd, geven de appelrechters van deze akte een uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en miskennen zij tevens de bindende kracht van de overeenkomst.
- Uit het antwoord op het derde onderdeel volgt dat de appelrechters de afwijzing van de vordering van de eiseres steunen op het vergeefs bekritiseerde oordeel dat de afspraken in de regelingsakte van 5 februari 2024 omtrent de toebedeling van de onroerende goederen slechts tegenstelbaar zijn aan derden na de overschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De onderdelen die beiden opkomen tegen het oordeel van de appelrechters dat het tussenkomen van de echtscheiding in casu niet is te beschouwen als een opschortende voorwaarde in de werkelijke betekenis van dit begrip, zodat artikel 5.146, § 2, eerste lid, 2°, Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, zijn gericht tegen een reden die de beslissing niet draagt en zijn bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 77,41 euro, waarvan 42,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren, Ilse Couwenberg en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 28 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251028.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div