id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3.b - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3.b - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3.b - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3.b - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3.b - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.3.b - 31 Link Justel databank 19661219-31 Fiches 7 - 11 Het komt in de eerste plaats de beklaagde en zijn raadsman toe aan de rechter alle informatie betreffende de persoonlijkheid van de beklaagde aan te reiken die zij relevant achten voor de straftoemetingsbeslissing; uit het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, volgt niet dat indien de beklaagde en de raadsman op dit punt in gebreke blijven, de rechter noodzakelijk zelf actief op zoek moet gaan naar die informatie; de beklaagde en zijn raadsman, die zelf verantwoordelijkheid dragen voor een behoorlijke uitoefening van het recht van verdediging, kunnen tekortkomingen op dit punt niet afwentelen op de rechter. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6- 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1076.N I I. Z., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen. II V. D.B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. III M. E.M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. IV A. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000, Brussel, Handelsstraat 124/3, waarvan de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 13 juni
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IV voert een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
- Het arrest spreekt de eiser II vrij voor de feiten omschreven onder de telastlegging K van de zaak A. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest specificeert niet waaruit blijkt dat de eiser I wetens en willens aan de feiten omschreven onder de telastleggingen D, F, I2 en J3 heeft deelgenomen; het houdt geen rekening met het gegeven dat de eiser I niet op de hoogte was en met de door hem aangevoerde argumenten; in een gelijkaardige zaak heeft de correctionele rechtbank een beklaagde die eveneens werkzaam was als taxichauffeur vrijgesproken omdat niet was aangetoond dat hij op de hoogte was van de criminele activiteiten van de overige beklaagden dan wel wetens en willens een actieve daad van mededaderschap heeft gesteld.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Het middel verduidelijkt niet op welke door de eiser I aangevoerde argumenten het arrest niet antwoordt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Het arrest (p. 68-69) vermeldt expliciet de elementen waarop wordt gesteund voor de vaststelling dat de eiser I wetens en willens zijn medewerking heeft verleend aan de feiten omschreven onder de telastleggingen D, F, I2 en J3 van de zaak A. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest gaat niet in op het verzoek van de eiser I om uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen gelet op zijn blanco strafregister in België; het arrest houdt op geen enkele manier rekening met de door de eiser I ingediende stukken betreffende zijn persoonlijke situatie; de strafmotivering is bovendien abstract en generiek, terwijl een specifieke afweging is vereist.
- De rechter moet niet antwoorden op door een partij ingediende stukken, maar enkel op een regelmatig voor hem genomen conclusie.
- Uit de enkele omstandigheid dat de rechter geen melding maakt van door een beklaagde ingediende stukken volgt niet dat de rechter met die stukken geen rekening heeft gehouden.
- De beslissing geen uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan kan worden verantwoordt of mede verantwoord door de redenen ter verantwoording van het opleggen van een effectieve bestraffing.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 79) stelt vast dat de eiser I om een bestraffing met uitstel heeft verzocht, maar wijst dit verzoek af op de volgende gronden: - de aard en de ernst van de feiten en de impact van de feiten op de samenleving, zoals die in het arrest (p. 73) nader worden beschreven; - de persoonlijkheid van de eiser I (leeftijd, blanco strafregister en beroepssituatie); - een (probatie-)uitstel zou de eiser I onvoldoende bewust maken van het ontoelaatbare karakter van zijn gedrag; - de opgelegde bestraffing vormt een passende maatschappelijke vergelding die geen afbreuk doet aan de kansen op re-integratie van de eiser I in de samenleving op een wijze die buiten verhouding staat tot de ernst van de feiten; - om de eiser I duidelijk te maken dat de bewezenverklaarde feiten niet kunnen worden getolereerd in de samenleving en om hem ertoe aan te zetten zich hiervan in de toekomst te onthouden, is het opleggen van een gevangenisstraf noodzakelijk; - gelet op het lucratief karakter van de feiten wordt aan de eiser I ook een geldboete opgelegd waarvan de omvang in verhouding staat tot de ernst van de feiten. Met die redenen, die geenszins abstract of generiek zijn maar wel degelijk toegespitst op de eiser I, is de beslissing geen uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser III
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest houdt geen rekening met het door de eiser III ingediende stukkenbundel waaruit blijkt dat hij onder toezicht stond van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen en waaruit zijn professionele, financiële en familiale situatie blijkt; er wordt niet verwezen naar het stukkenbundel waaruit de inspanningen van de eiser III blijken om zich in de maatschappij te integreren.
- De rechter moet niet antwoorden op door een partij ingediende stukken, maar enkel op een regelmatig voor hem genomen conclusie.
- Uit de enkele omstandigheid dat de rechter geen melding maakt van door een beklaagde ingediende stukken volgt niet dat de rechter met die stukken geen rekening heeft gehouden.
- Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Middelen van de eiser IV Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging: het arrest steunt voor de veroordeling van de eiser IV op informatie die niet in de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie wordt aangehaald, zonder aan de eiser IV de kans te geven om daarover verweer te voeren; de eiser IV heeft aangevoerd dat de strafinformatie bijzonder omvangrijk is, zodat het voor de verdediging onmogelijk was om daar in het geheel van kennis te nemen; hij heeft aangevoerd dat zijn recht op verdediging onherstelbaar zou zijn miskend indien de appelrechters rekening zouden houden met gegevens uit het onderzoek die niet werden aangehaald in de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie en zonder de eiser IV de gelegenheid te bieden zich daarover te verdedigen.
- Uit artikel 6.3.b EVRM en artikel 14.3.b IVBPR volgt dat een beklaagde over voldoende tijd en faciliteiten moet beschikken voor de voorbereiding van de verdediging. De rechter oordeelt onaantastbaar of aan die vereiste is voldaan.
- Het arrest stelt vast dat weliswaar niet ernstig kan worden betwist dat het strafdossier erg omvangrijk is, maar het oordeelt ook dat nergens uit blijkt dat de eiser IV niet over voldoende tijd en faciliteiten heeft beschikt om adequaat zijn verdediging voor te bereiden. Het stelt vast dat de eiser IV en zijn raadsman in het kader van de procedure in eerste aanleg ruim voldoende tijd hebben gehad om het strafdossier te bestuderen en de verdediging voor te bereiden, tijdens de procedure in eerste aanleg voldoende en ruime conclusietermijnen werden bepaald, in hoger beroep conclusietermijnen werden bepaald na het horen van alle partijen en hun raadslieden en ten slotte dat de eiser IV niet om meer voorbereidingstijd of langere conclusietermijnen heeft verzocht. In zoverre het middel is gericht tegen dit onaantastbaar oordeel, is het niet ontvankelijk.
- Uit artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging volgt niet dat indien de rechter bij de beoordeling van de strafvordering rekening houdt met aan het strafdossier ontleende gegevens die niet zijn vermeld in een schriftelijke nota die door het openbaar ministerie werd neergelegd of in de mondelinge vordering, hij de beklaagde de kans moet geven om daarover standpunt in te nemen. Een beklaagde en zijn raadsman, aan wie voldoende tijd en faciliteiten werden verleend voor de voorbereiding van de verdediging, moeten ermee rekening houden dat de rechter alle gegevens van het strafdossier bij zijn beoordeling kan betrekken en dit ongeacht of de vervolgende partij in een schriftelijke nota of in de mondelinge vordering van die gegevens melding heeft gemaakt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest wijst uitdrukkelijk op een gebrek aan kennis betreffende de leefomstandigheden van de eiser IV, maar het laat niettegenstaande een actieve onderzoeks- en waarheidsvindingstaak na om daar actief navraag naar te doen; de strafrechter kan niet volstaan met het aannemen van een louter passieve houding; indien hij een gebrek vaststelt aan gegevens over essentiële elementen, rust op hem de plicht om door middel van gerichte vragen dit kennistekort op te heffen.
- Het komt in de eerste plaats de beklaagde en zijn raadsman toe aan de rechter alle informatie betreffende de persoonlijkheid van de beklaagde aan te reiken die zij relevant achten voor de straftoemetingsbeslissing.
- Uit het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM, volgt niet dat indien de beklaagde en de raadsman op dit punt in gebreke blijven, de rechter noodzakelijk zelf actief op zoek moet gaan naar die informatie. De beklaagde en zijn raadsman, die zelf verantwoordelijkheid dragen voor een behoorlijke uitoefening van het recht van verdediging, kunnen tekortkomingen op dit punt niet afwentelen op de rechter. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen van de eisers I en IV verkrijgt de beslissing op de strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre ook gericht tegen de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eisers I en IV wordt bevolen, hebben de cassatieberoepen I en IV geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 516,51 euro, waarvan op het cassatieberoep I, II en III 129,13 euro is verschuldigd, en op het cassatieberoep IV 129,12 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div