id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 6 - 10 De kamer voor bescherming van de maatschappij dient niet te antwoorden op door een geïnterneerde ingediende stukken, maar enkel op middelen die zijn aangevoerd in een regelmatig ingediende conclusie; uit het recht van verdediging, dat mede wordt gewaarborgd door de verplichte bijstand van een raadsman, kan niet worden afgeleid dat de kamer op basis van ingediende stukken moet achterhalen of en zo ja welke middelen de geïnterneerde heeft aangevoerd of wenste aan te voeren. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ GEESTESZIEKE RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Fiches 11 - 14 De kamer voor bescherming van de maatschappij die moet oordelen over het verder beheer van de internering en die vaststelt dat is voldaan aan alle voorwaarden voor de handhaving van de interneringsmaatregel moet, behoudens bij daartoe strekkende conclusie, niet onderzoeken of de doelstellingen van de interneringsmaatregel ook niet met een minder verdergaande maatregel kunnen worden bereikt. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ GEESTESZIEKE GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.25.1298.N T. V., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2200 Herentals, Lierseweg 102-104, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 23 september
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5.1.e, 5.4 en 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het vonnis antwoordt niet op het middel waarbij de eiser zijn definitieve invrijheidstelling heeft gevraagd, zodat de door de correctionele rechtbank opgelegde straf in uitvoering komt en de opvolging door de strafuitvoeringsrechtbank van die straf en de daaropvolgende terbeschikkingstelling voldoende veiligheidsgaranties bieden; de kamer voor bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) motiveert niet waarom zij van oordeel is dat die opvolging niet tegemoet komt aan de noden van de eiser; het schrijven dat op de rechtszitting van de kamer werd neergelegd, bevat een middel waarop moet worden geantwoord aangezien daar duidelijk een aanspraak van de eiser uit blijkt op basis van een juridische redenering met pertinentie voor de hangende procedure; dat dit schrijven formeel geen conclusie is, belet niet dat er omwille van het recht van verdediging van de eiser op moet worden geantwoord; de vraag is zeker pertinent aangezien de eiser reeds meer dan vier jaar onafgebroken in detentie verblijft, wat nauwelijks verschilt van een toestand van strafuitvoering; bij een strafuitvoering nadert evenwel het strafeinde en zou de eiser reeds in aanmerking zijn gekomen voor strafuitvoeringsmodaliteiten; een internering kan enkel worden opgelegd en gehandhaafd indien er geen minder ingrijpende maatregelen beschikbaar zijn om tegemoet te komen aan de psychische of fysieke integriteit van derden; er moet steeds worden nagegaan of er alternatieve maatregelen kunnen worden opgelegd die aan het eventuele gevaar voor de maatschappij voldoende kunnen tegemoet komen.
- Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de kamer die uitspraak doet over het beheer van de internering. De verdragsrechtelijke bescherming van de geïnterneerde vloeit voort uit artikel 5.1.e en 5.4 EVRM.
- De kamer dient niet te antwoorden op door een geïnterneerde ingediende stukken, maar enkel op middelen die zijn aangevoerd in een regelmatig ingediende conclusie. Uit het recht van verdediging, dat mede wordt gewaarborgd door de verplichte bijstand van een raadsman, kan niet worden afgeleid dat de kamer op basis van ingediende stukken moet achterhalen of en zo ja welke middelen de geïnterneerde heeft aangevoerd of wenste aan te voeren.
- De kamer die moet oordelen over het verder beheer van de internering en die vaststelt dat is voldaan aan alle voorwaarden voor de handhaving van de interneringsmaatregel moet, behoudens bij daartoe strekkende conclusie, niet onderzoeken of de doelstellingen van de interneringsmaatregel ook niet met een minder verdergaande maatregel kunnen worden bereikt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 15 september 2025 blijkt dat de raadsman van de eiser met verwijzing naar het verslag van dr. D. de opheffing van de interneringsmaatregel heeft gevraagd, alsook een verdere opvolging door de strafuitvoeringsrechtbank. Ook blijkt uit dit proces-verbaal dat de eiser zelf heeft aangevoerd dat hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar en terbeschikkingstelling, hij aan die straf niet kan beginnen zolang de internering loopt, daardoor zijn straf wordt verlengd, zijn geestesstoornis helemaal weg is, hij van zijn internering af wil en dat dit voor hem veel duidelijker zal zijn.
- Het vonnis, dat vaststelt dat de eiser op de rechtszitting heeft aangedrongen op de stopzetting van de interneringsmaatregel, oordeelt onder meer als volgt: - diagnostisch is er bij de eiser sprake van een persoonlijkheidsproblematiek van het antisociale type, een moeilijke impulscontrole en beperkte copingsvaardigheden, alsook een hoge mate van agressie wat in combinatie met middelengebruik leidt tot ernstige feiten, al dan niet gewelddadig ten aanzien van derden; - de eiser werd op 25 juni 2024 geplaatst in de afdeling voor de bescherming van de maatschappij (hierna ABM) Merksplas in afwachting van een overplaatsing naar een forensisch psychiatrisch centrum (hierna FPC); - de eiser werd door drie mediumsecurity ziekenhuizen geweigerd; - een ambulante omkadering komt absoluut niet tegemoet aan de behandel- en beveiligingsnoden; - de contacten met de psychosociale dienst (hierna PSD) verlopen moeizaam, inclusief bedreigingen aan hun adres; - er wordt nog steeds een hoog recidiverisico aangenomen op zowel algemeen als seksueel geweld, alsook een risico op onttrekking; - de eiser gaf ten aanzien van de PSD aan dat hij niet op de hoogte wil worden gehouden van de stand betreffende het FPC en hij weigerde een gesprek met het FPC; - de eiser kampt met een ernstige psychiatrische problematiek, er is sprake van een hoog risico op herval in nieuwe strafbare feiten waarbij de psychische of fysieke integriteit van derden zou worden aangetast en er is een gevaar voor onttrekking; - de eiser maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat de internering kan worden opgeheven; - voor de zorgnoden van de eiser en ter bescherming van de maatschappelijke veiligheid wordt beslist tot een verdere plaatsing in de ABM Merksplas in afwachting van een concrete mogelijkheid tot opname in een FPC. Aldus vermeldt de kamer uitdrukkelijk de redenen voor de niet-opheffing van het interneringsstatuut van de eiser en geeft ze bovendien te kennen dat verdere opvolging door de strafuitvoeringsrechtbank niet tegemoet zal komen aan de zorgnoden van de eiser en de vereiste van de bescherming van de maatschappij. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div