← België

N. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.23 Rolnummer: P.25.0794.N-P.25.0866.N Zaak: N. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Burgerlijk recht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-06 Raadplegingen: 577 - laatst gezien 2026-06-16 13:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de loutere omstandigheid dat de rechter oordeelt dat een ten aanzien van de verdediging laatdunkende uitlating van het openbaar ministerie op de rechtszitting de uiting inhoudt van de klaarblijkelijke verontwaardiging van het openbaar ministerie over de wijze waarop de verdediging wordt gevoerd, kan niet worden afgeleid dat het recht op een eerlijk proces is miskend. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 3 - 5 Indien de beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde op het ogenblik dat de internering bevolen wordt, aangehouden is, vindt de internering bij toepassing van artikel 11 Interneringswet voorlopig plaats in de psychiatrische afdeling van een gevangenis; de rechter die de internering beveelt, dient hierover dan ook niet te oordelen, behoudens toepassing van artikel 12 Interneringswet. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 11 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 12 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 11 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 12 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 11 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 12 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 6 - 11 Uit de enkele omstandigheid dat de onderzoeksrechter geen initiatieven neemt met betrekking tot een proces-verbaal van verhoor door de politie in zoverre in de daarin opgenomen verklaringen van getuigen door die laatsten een racistische term wordt gebruikt om een persoon aan te duiden, kan niet worden afgeleid dat de onderzoeksrechter blijk zou hebben gegeven van partijdigheid of zich schuldig zou hebben gemaakt aan het misdrijf van racisme, noch dat het gerechtelijk onderzoek nietig zou zijn. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 ONDERZOEKSGERECHTEN ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Allerlei ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure RACISME. XENOFOBIE Fiches 12 - 16 De rechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid om de behandeling van de zaak uit te stellen totdat het verslag van een door een inverdenkinggestelde of beklaagde met het oog op een tegenexpertise gecontacteerde deskundige met betrekking tot zijn geestestoestand is afgerond; uit de loutere omstandigheid dat de rechter een verzoek tot uitstel afwijst omdat de betrokkene over voldoende tijd beschikte om een tegenexpert aan te stellen en verder oordeelt dat een kort vóór de pleitzitting geformuleerd verzoek vooral lijkt te zijn ingegeven om de voortgang van de zaak af te remmen, kan als zodanig geen miskenning van het recht van verdediging worden afgeleid, noch een poging tot intimidatie van de verdediging. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN DESKUNDIGENONDERZOEK BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Fiches 17 - 19 Behoudens in de gevallen van artikel 152 Wetboek van Strafvordering en artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering moet in strafzaken de conclusie blijken uit een geschrift dat, ongeacht zijn benaming of vorm, tijdens het debat ter rechtszitting door een partij of zijn advocaat aan de rechter wordt voorgelegd, waarvan regelmatig is vastgesteld dat de rechter kennis ervan heeft genomen en waarin middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie zijn aangevoerd; een geschrift uitgaande van een partij of haar advocaat dat, ook al bevat het dergelijke middelen, niet tijdens het debat aan de rechter is voorgelegd maar aan de griffie is overgemaakt, desgevallend via e-Deposit, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het andermaal ter rechtszitting is neergelegd of dat de inhoud ervan werd hernomen of dat de eiser zijn middelen mondeling heeft aangevoerd, is dan ook in de regel geen schriftelijke conclusie waarmee de rechter rekening moet houden, maar indien evenwel de rechter, ook al is artikel 152 Wetboek van Strafvordering niet van toepassing, na de partijen te hebben gehoord een conclusiekalender heeft bepaald en daarin heeft aangegeven dat de conclusies moeten worden neergelegd ter griffie, dient hij de aldus desgevallend via e-Deposit ingediende conclusie in aanmerking te nemen. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 152 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0794.N en P.25.0866.N I J. N., inverdenkinggestelde, eiser, met als raadslieden mr. Nelson Vanlocke en mr. Jean Flamme, beiden advocaat bij de balie Gent, tegen 1. B. D.S., burgerlijke partij, 2. R. D.S., burgerlijke partij, 3. R. M., burgerlijke partij, 4. L. M., burgerlijke partij, 5. L. M., burgerlijke partij, 6. L. G., burgerlijke partij, verweerders. II R. M., reeds vermeld, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Anthony Mallego, advocaat bij de balie Dendermonde, tegen J. N., reeds vermeld, inverdenkinggestelde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en II zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 mei 2025. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, acht middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging 1. In het belang van een goede rechtsbedeling worden de zaken P.25.0794.N en P.25.0866.N gevoegd. Middelen van de eiser I Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 16 van de op 14 december 1990 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bekrachtigde resolutie 45/121, en artikel 28bis Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat uit de uitlating van het openbaar ministerie op de rechtszitting volgens welke deze “zich niet wil moeien met de wijze waarop (de eiser I) zich verdedigt, maar vindt dat het tijd is om de vaudeville te stoppen” blijkt dat het openbaar ministerie lucht gaf aan zijn klaarblijkelijke verontwaardiging over een vraag tot uitstel van de behandeling van de zaak, worden de gehele verdedigingsstrategie en het recht van verdediging van de eiser I miskend; het openbaar ministerie miskent aldus immers de basisrechten waarover de eiser I als inverdenkinggestelde beschikt, zodat de voormelde uitlating neerkomt op een poging tot intimidatie en op een belediging van de verdediging, waardoor het openbaar ministerie de procedure op een onrechtmatige wijze tracht te manipuleren; hierdoor doet het openbaar ministerie ook afbreuk aan zijn objectiviteits- en loyauteitsverplichting, alsook aan de verplichting om het onderzoek niet enkel à charge maar ook à décharge te voeren; aldus wordt een eerlijk proces tegen de eiser I onmogelijk gemaakt. 3. Artikel 16 van de op 14 december 1990 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bekrachtigde resolutie 45/121 heeft geen rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht. 4. In zoverre het middel niet gericht is tegen het arrest maar tegen het optreden van het openbaar ministerie of tegen een uitlating van het openbaar ministerie op de rechtszitting, is het niet ontvankelijk. 5. Uit de loutere omstandigheid dat de rechter oordeelt dat een ten aanzien van de verdediging laatdunkende uitlating van het openbaar ministerie op de rechtszitting de uiting inhoudt van de klaarblijkelijke verontwaardiging van het openbaar ministerie over de wijze waarop de verdediging wordt gevoerd, kan niet worden afgeleid dat het recht op een eerlijk proces is miskend. In zoverre faalt het middel naar recht. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.3 en 6.2 EVRM en van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld: de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis van de eiser I, die inmiddels al zes jaar duurt, is overschreden, zodat de voorlopige hechtenis niet kon worden gehandhaafd; het onderzoeksgerecht dient zich te baseren op een geactualiseerd en gepersonaliseerd onderzoek en moet rekening houden met het vermoeden van onschuld en de twijfel over de schuld; de loutere verwijzing naar de ernst van de feiten en de openbare orde volstaan niet voor de handhaving van een voorlopige hechtenis die een abnormaal lange duur kent; het arrest geeft de indruk dat het de eiser I verwijt geen schuld te hebben bekend en houdt ten onrechte rekening met de houding van de eiser I en zijn gebrek aan medewerking tijdens het onderzoek, waarbij met name geen rekening kon worden gehouden met de klachten met burgerlijkepartijstelling van de eiser I en met zijn verzoek tot vertaling van het dossier in het Engels; hieruit blijkt de partijdigheid van de appelrechters, die bovendien tegenstrijdig oordelen door het door de eiser I gevraagde aanvullend onderzoek systematisch af te wijzen en door zijn verdedigingstechniek te hekelen; de eiser I vertoont geen enkele vorm van agressiviteit meer in de gevangenis, wat wijst op een totaal gebrek aan sociaal gevaar van de eiser I; de lange duur van de voorlopige hechtenis moet de onderzoeksrechter aanzetten tot nog meer spoed; door de lange duur van de voorlopige hechtenis en de daaruit voortvloeiende onherroepelijke schade heeft de eiser I niet meer de mogelijkheid gehad om een eerlijk proces te krijgen; het dossier was bovendien niet zeer complex, zodat de lange duur van het onderzoek niet valt te rechtvaardigen; het arrest oordeelt niet naar recht dat de duur van het onderzoek en van de voorlopige hechtenis geen negatieve weerslag had op het recht van de eiser I op een eerlijk proces; de enige mogelijke sanctie was dan ook de onontvankelijkheid van de strafvervolging, gelet op de manifeste miskenning van de basisrechten van de eiser I; het arrest is ook cynisch door de eiser I te verwijten na de beslissing tot internering door de raadkamer geen verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling te hebben neergelegd. 7. Uit het arrest blijkt niet dat het de eiser I verwijt geen schuld te hebben bekend, de vertaling van het strafdossier in het Engels te hebben gevraagd en na de beslissing tot internering door de raadkamer geen verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling te hebben neergelegd. Uit het loutere feit dat de appelrechters die omstandigheden vaststellen, kan niet worden afgeleid dat ze van oordeel zijn dat deze in het nadeel van de eiser I moeten worden geïnterpreteerd, noch dat ze hierdoor blijk zouden geven van partijdigheid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 8. Het Hof ontwaart de in het middel aangevoerde tegenstrijdigheid niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 9. Indien de beklaagde, beschuldigde of inverdenkinggestelde op het ogenblik dat de internering bevolen wordt, aangehouden is, vindt de internering bij toepassing van artikel 11 Interneringswet voorlopig plaats in de psychiatrische afdeling van een gevangenis. De rechter die de internering beveelt, dient hierover dan ook niet te oordelen, behoudens toepassing van artikel 12 Interneringswet. 10. De loutere omstandigheid dat een gerechtelijk onderzoek en de tijdens dat onderzoek bevolen en gehandhaafde voorlopige hechtenis van de inverdenkinggestelde lang heeft geduurd, heeft niet tot gevolg dat het recht op een eerlijk proces van die laatste noodzakelijk werd miskend en dat de strafvervolging onontvankelijk moet worden verklaard. 11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel 13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 151, § 1, Grondwet en artikel 56 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces en de noodzaak van een strafrechtelijk onderzoek ten ontlaste: het onderzoek is volstrekt nietig en strijdig met de openbare orde wegens de partijdigheid van de onderzoeksrechter; die partijdigheid blijkt uit het feit dat de twee verzoeken van de eiser I tot aanvullend onderzoek alsook de twee klachten met burgerlijkepartijstelling tegen de werkelijke daders van de moord werden afgewezen; de onderzoeksrechter heeft zich schuldig gemaakt aan het misdrijf van racisme door de processen-verbaal niet te laten verbeteren met betrekking tot de repetitieve aanwezigheid van een racistische term waarmee de eiser I in de verklaringen van het buurtonderzoek werd aangeduid. 14. In zoverre het onderdeel gericht is tegen beslissingen van het onderzoeksgerecht naar aanleiding van de burgerlijkepartijstellingen van de eiser I en tegen beslissingen van de onderzoeksrechter en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk. 15. Uit de enkele omstandigheid dat de onderzoeksrechter geen initiatieven neemt met betrekking tot een proces-verbaal van verhoor door de politie in zoverre in de daarin opgenomen verklaringen van getuigen door die laatsten een racistische term wordt gebruikt om een persoon aan te duiden, kan niet worden afgeleid dat de onderzoeksrechter blijk zou hebben gegeven van partijdigheid of zich schuldig zou hebben gemaakt aan het misdrijf van racisme, noch dat het gerechtelijk onderzoek nietig zou zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel 16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 151, § 1, Grondwet en artikel 56 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces, de noodzaak van een strafrechtelijk onderzoek ten ontlaste en van het beginsel van de bewijskracht van akten: de eiser I werd geïnterneerd op grond van een nietig strafrechtelijk onderzoek; er werd geen onderzoek gevoerd naar de gelden in de kluis van het slachtoffer en haar activiteiten als escorte; de vele berichten die de eiser I vanuit Duitsland naar het slachtoffer heeft gestuurd en de omstandigheid dat hij niet te zien is op de beelden van bewakingscamera’s bewijzen dat hij haar niet heeft vermoord; de gevraagde aanvullende onderzoeksdaden werden geweigerd in zoverre ze werden gevraagd door de eiser I maar gedeeltelijk toegestaan wanneer deze werden gevraagd door een andere burgerlijke partij; aan de eiser I werd geweigerd om aanwezig te zijn bij het verhoor van een zoon van het slachtoffer, waardoor zijn recht van verdediging fundamenteel werd miskend, te meer omdat de verbalisanten dit verhoor actief hebben gestuurd en de ondervraagde hebben geïntimideerd, waardoor dit verhoor louter à charge werd afgenomen; het arrest oordeelt ten onrechte dat het gebruik van een racistische term waarmee de eiser I in het onderzoek werd aangeduid, niet problematisch is; met het oordeel dat niet blijkt dat de verbalisanten zouden hebben gehandeld met racistische of xenofobe motieven omdat ze slechts letterlijk noteerden wat hen door de bevraagde buurtbewoners werd meegedeeld, miskent het bovendien de bewijskracht van de akten, aangezien uit het onderzoek is gebleken dat niet alle buurtbewoners de bewuste term gebruikten; de verbalisanten hadden de betrokken buurtbewoners moeten opleggen om hun woordgebruik te wijzigen en dit racisme te doen ophouden; gelet op de omstandigheid dat de gebruikte term als zodanig de minderwaardigheid van het andere ras uitdrukt, maken de verbalisanten zich zelf schuldig aan racisme; het veelvuldig gebruik van die term bewijst ook de geestesgesteldheid van de onderzoeksrechter; het arrest beantwoordt ook niet de appelconclusie van de eiser I in zoverre daarin werd aangevoerd dat de onderzoeksrechter daarin blijk gaf van racisme. 17. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het optreden van de verbalisanten, tegen beschikkingen van de onderzoeksrechter of tegen beschikkingen van het onderzoeksgerecht die geen deel uitmaken van het arrest, is het niet ontvankelijk. 18. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de onderzoeksrechter, de verbalisanten of andere gerechtelijke diensten de eiser I tijdens het strafrechtelijk onderzoek hebben aangeduid met een racistische term, maar louter dat bepaalde getuigen naar aanleiding van hun verklaring een dergelijke term hebben gebruikt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 19. Het arrest oordeelt niet dat alle bevraagde buurtbewoners zich van een racistische term hebben bediend om de eiser I aan te duiden. In zoverre het onderdeel de miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, mist het feitelijke grondslag. 20. Het arrest (p. 15) oordeelt dat: - de racistische term waarmee de eiser I wordt aangeduid slechts voorkomt in het navolgend proces-verbaal 12573/2019 van 14 september 2019, met name in het relaas van de buurtbewoners die vaak gebruik maakten van die racistische aanduiding; - niet blijkt dat de verbalisanten daarbij zouden hebben gehandeld uit racistische of xenofobe motieven; - uit het geheel van de resultaten van het gerechtelijk onderzoek blijkt dat de afkomst of de huidskleur van de eiser I geen enkele negatieve invloed had. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer van de eiser I dat de onderzoeksrechter blijk zou hebben gegeven van racisme. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. Vierde middel 21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het beginsel van de bewijskracht van akten: de bewezenverklaring van de feiten van moord is niet regelmatig met redenen omkleed; de appelrechters beantwoorden immers niet het verweer van de eiser I dat in het DNA-verslag van de deskundige verschillende hypothesen kunnen worden geformuleerd bij het mengprofiel dat in de vaginale wisser werd aangetroffen; door te oordelen dat er zekerheid is over de omstandigheid dat het op de vaginale wisser aangetroffen DNA afkomstig is van de eiser I, miskent het arrest bovendien de bewijskracht van het deskundigenverslag; de aanwezigheid van de eiser I bij het slachtoffer in de nacht van de moord wordt bovendien tegengesproken door andere elementen die in de appelconclusie van de eiser I werden aangetroffen, met name het gegeven dat zijn schoenmaat niet werd aangetroffen bij de aanwezige voetsporen en hij ook niet te zien is op de camerabeelden; het arrest stelt verkeerdelijk dat de eiser I ook andere schoenen kan hebben gedragen; er was dus minstens sprake van twijfel, wat het arrest ten onrechte uitsluit. 22. Op grond van de uitgebreide redenen die het arrest bevat (p. 21, 29 en 32, voorlaatste alinea), verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 23. Het arrest baseert het oordeel dat het DNA van de eiser I werd teruggevonden in de vaginale wisser niet op de in het deskundigenverslag vermelde hypothesen over de mengprofielen, maar wel op de bevinding in het deskundigenverslag dat het DNA-profiel in de vaginale wisser met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig is van het slachtoffer en van de eiser I (arrest, p. 21). In zoverre het middel miskenning aanvoert van de bewijskracht van het deskundigenverslag, mist het eveneens feitelijke grondslag. 24. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vijfde middel 25. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.b EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: door te weigeren in te gaan op het door de eiser I geformuleerde verzoek tot uitstel van de zaak in afwachting van de neerlegging van het verslag van de tegenexpertise van de door hem gecontacteerde psychiater-deskundige, miskent het arrest het recht van verdediging van de eiser I; het recht van verdediging wordt eveneens miskend door de weigering in te gaan op het verzoek tot rechtsbijstand dat de eiser I hiervoor had neergelegd; door het oordeel dat de eiser I eerder alle tijd heeft gehad om een tegenexpertise te laten uitvoeren en het verzoek tot rechtsbijstand van de eiser I en zijn verzoek tot wraking moeten worden beschouwd als een poging tot vertraging van de procedure, wordt de verdediging ten onrechte geïntimideerd. 26. In zoverre het middel gericht is tegen de weigering tot rechtsbijstand en niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk. 27. De rechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid om de behandeling van de zaak uit te stellen totdat het verslag van een door een inverdenkinggestelde of beklaagde met het oog op een tegenexpertise gecontacteerde deskundige met betrekking tot zijn geestestoestand is afgerond. Uit de loutere omstandigheid dat de rechter een verzoek tot uitstel afwijst omdat de betrokkene over voldoende tijd beschikte om een tegenexpert aan te stellen en verder oordeelt dat een kort vóór de pleitzitting geformuleerd verzoek vooral lijkt te zijn ingegeven om de voortgang van de zaak af te remmen, kan als zodanig geen miskenning van het recht van verdediging worden afgeleid, noch een poging tot intimidatie van de verdediging. 28. De enkele omstandigheid dat de rechter oordeelt dat een onontvankelijk verzoek tot wraking moet worden beschouwd als een poging tot vertraging van de procedure, houdt geen miskenning van het recht van verdediging in, noch een poging tot intimidatie van de verdediging. 29. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Zesde middel Eerste onderdeel 30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 9 Interneringswet, alsook miskenning van het beginsel van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat uit het psychiatrisch deskundigenonderzoek blijkt dat de eiser I lijdt aan een geestesstoornis, verantwoordt het arrest de internering van de eiser I niet naar recht; het arrest baseert zich ten onrechte op de ter rechtszitting van de raadkamer van 16 april 2024 gehoorde deskundige dr. D., volgens welke de eiser I lijdt aan blijvende wanen, hallucinaties en schizofrenie, terwijl in het deskundigenverslag enkel sprake is van een psychose; hierdoor miskent het arrest de bewijskracht van het deskundigenverslag; de deskundige kon dat niet verklaren, aangezien zijn verslag dateert van twee jaar vóór de voormelde rechtszitting van de raadkamer en de eiser I sindsdien niet meer werd onderzocht door dr. D.; de beslissing tot weigering van een nieuw deskundigenonderzoek en tot afwijzing van de tegenexpertise is dan ook niet naar recht verantwoord. 31. Het arrest verwijst met de overgenomen redenen van de beroepen beschikking betreffende de blijvende wanen, hallucinaties en schizofrenie naar de verklaringen van dr. D. op de rechtszitting van de raadkamer en niet naar het deskundigenverslag van dr. D. Het kan dan ook de bewijskracht van dat verslag niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 32. De rechter beoordeelt onaantastbaar op basis van de regelmatig tijdens het debat overgelegde gegevens of is voldaan aan de in artikel 9, § 1, Interneringswet bepaalde voorwaarden voor internering en meer bepaald of de beklaagde of inverdenkinggestelde op het ogenblik van de beslissing lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast. 33. Zo ook beoordeelt de rechter onaantastbaar de noodzaak om een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek te actualiseren. Het loutere feit dat enige tijd ligt tussen de uitvoering van een dergelijk onderzoek en de beoordeling van de interneringsvordering verplicht de rechter niet om een actualisering te bevelen. 34. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. 35. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de weigering om de zaak uit te stellen met het oog op een tegenexpertise, moet het om de in het vijfde middel vermelde redenen worden verworpen. Tweede onderdeel 36. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 Interneringswet: het arrest verwerpt het verweer van de eiser I dat zijn raadslieden niet werden verwittigd van de plaats, datum en uur van de expertisezitting onterecht door de overweging dat het onaannemelijk voorkomt dat die laatsten onwetend zouden zijn geweest van de uitvoering van het deskundigenonderzoek; de raadslieden van de eiser I werden nooit van die expertisezitting verwittigd, terwijl hun aanwezigheid heel wat garanties biedt, met name met betrekking tot de door de deskundige genoteerde verklaringen van de eiser I, die door de deskundige werden genoteerd zonder dat de eiser I werd bijgestaan door een raadsman, wat onwettig is, te meer omdat de eiser I zich bij het psychiatrisch deskundigenonderzoek in een zeer kwetsbare situatie bevond; het deskundigenonderzoek dateert bovendien van een periode dat de eiser I onder de invloed was van zware dosissen psychische medicatie, zodat dit niets zegt over zijn toestand op 16 april 2024; sindsdien is de eiser I met zijn medicatie gestopt en is hij een ander mens geworden, wat ook werd bevestigd door de gevangenisaalmoezeniers op de rechtszitting. 37. Het arrest (p. 34-35) oordeelt als volgt over de tegenspraak tijdens het psychiatrisch deskundigenonderzoek: - artikel 7 Interneringswet schept de mogelijkheid voor de betrokkene om zich tijdens het deskundigenonderzoek te laten bijstaan door een arts naar keuze of een advocaat, maar creëert voor de gerechtelijke overheid geen verplichting om ambtshalve in die bijstand te voorzien. Een forensische psychiatrische expertise is geen verhoor waarop de zogenaamde Salduzbepalingen (artikel 47bis Wetboek van Strafvordering) van toepassing zijn; - overigens genoot de eiser I vanaf zijn vrijheidsberoving steeds de bijstand van een raadsman, in eerste instantie van meester S., vanaf 29 juli 2020 van meester V. en vanaf 12 oktober 2020 van meester F.; - het college van psychiatrisch deskundigen werd aangesteld bij beschikking van 31 oktober 2019 van de onderzoeksrechter en het eindverslag dateert van 30 juni 2021. Het komt onaannemelijk voor dat de raadslieden onwetend zouden zijn geweest van de uitvoering van het deskundigenonderzoek: niet alleen hadden zij de mogelijkheid om met de eiser I te overleggen, maar ook kregen zij, zeker bij de verschijningen in raadkamer naar aanleiding van de periodieke controle op de noodzaak tot voorlopige hechtenis, toegang tot het strafdossier; - er was bijgevolg niets dat de eiser I kon hebben belet om, in samenspraak met zijn raadsman, zijn rechten uit artikel 7 Interneringswet te doen gelden; - de psychiatrisch deskundigen hebben hun voorverslag conform de bepalingen van de interneringswet meegedeeld aan wie het behoorde. Op 28 juni 2021 hebben zowel het openbaar ministerie als de raadsman van de eiser I bemerkingen overgemaakt aan de deskundigen; - namens de eiser I werd verzocht om ook zijn sociale gevaarlijkheid te onderzoeken, hetgeen evenwel reeds was onderzocht in het kader van de opdracht van de onderzoeksrechter, meer bepaald of er gevaar bestaat dat de eiser I ten gevolge van een geestesstoornis, desgevallend in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw misdrijven zou plegen. Voor het overige deelde de raadsman van de eiser I aan de deskundigen mee dat de feiten fundamenteel werden betwist en niet in aanmerking mochten worden genomen. Uit het eindverslag blijkt dat de deskundigen kennis hebben genomen van die bemerkingen. Op bladzijde 3 van het eindverslag noteren zij immers: “Ook op 28.6.2021 ontvingen we een mail (gevoegd in bijlage) van de raadsman van betrokkene. Deze mail bevat in feite geen opmerkingen op het verslag. De deskundigen zijn de mening toegedaan dat ze op alle vragen uit hun opdracht reeds een antwoord geformuleerd hebben”. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht het oordeel dat artikel 7 Interneringswet werd nageleefd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 38. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Zevende middel 39. Het middel voert miskenning aan van het beginsel van de bewijskracht van akten: het arrest antwoordt niet op de appelconclusie van de eiser I betreffende de op de rechtszitting onder ede afgelegde verklaringen van de gevangenisaalmoezeniers; hierdoor miskent het arrest ook de bewijskracht van die getuigenissen, zonder dat het oordeelt waarom hiermee geen rekening zou mogen worden gehouden. 40. Het arrest (p. 37) oordeelt dat de eiser I weliswaar verwijst naar de verklaringen van twee gevangenisaalmoezeniers die door de eerste rechter op rechtszitting werden gehoord, maar eraan voorbijgaat dat ook de gerechtsdeskundige dr. D. door de eerste rechter werd gehoord, waarbij dr. D. op de rechtszitting verduidelijkte dat er bij de eiser I sprake is van een biologisch ziektebeeld (schizofrenie) dat kan worden behandeld zonder dat het ziektebeeld echter ooit zal verdwijnen. Hierdoor beantwoordt het arrest het in het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 41. De appelrechters baseren hun oordeel over de geestestoestand van de eiser I niet op de verklaringen van de gevangenisaalmoezeniers en kunnen dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag. Achtste middel 42. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest baseert zich op psychiatrische deskundigenverslagen die partijdig en dus nietig zijn; de deskundigen stellen zonder enige kennis van zaken in hun verslag dat de eiser I lijdt aan “waanideeën”; uit het dossier blijkt evenwel dat de moord werd begaan door meerdere onbekenden, wat aantoont dat de deskundigen het dossier niet hebben gelezen, wat bij een vereiste aanwezigheid van een advocaat ongetwijfeld zou zijn opgeworpen; het arrest kan zich niet beperken tot het oordeel dat de eiser I ten onrechte één zin uit het deskundigenverslag isoleert, aangezien de deskundigen het standpunt van de eiser I als ongeloofwaardig bestempelen, waarbij dit verweer door het arrest inhoudelijk niet wordt beantwoord; de deskundigen doen aldus uitspraak over de schuld; bovendien zijn de deskundigenverslagen tegenstrijdig, aangezien wordt bevestigd dat er geen argumenten zijn voor depressies noch voor manische symptomatologie in de levensloop van de eiser I, wat niet overeenstemt met iemand die psychotisch zou zijn; de deskundigen weigerden op de rechtszitting ook bepaalde vragen van de eiser I te beantwoorden. 43. Met de redenen die het arrest (p. 35-36, nrs. 6.4-6.6) bevat, verantwoorden de appelrechters het oordeel over de regelmatigheid en de overtuigende waarde van de psychiatrische deskundigenverslagen naar recht en omkleden zij die beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 44. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Middel van de eiser II Eerste onderdeel 45. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest oordeelt onder meer dat de eiser II heeft nagelaten zijn vordering definitief en concreet te bepalen en dat hij geen appelconclusie en stukken heeft ingediend, terwijl hij op 9 februari 2025 via e-Deposit regelmatig en tijdig een appelconclusie heeft ingediend ter griffie van het hof van beroep waarin zijn vordering wel degelijk definitief en concreet werd bepaald; hij heeft op die datum ook stukken ingediend; de raadsman van de eiser II heeft op de rechtszitting van 13 maart 2025 de in de appelconclusie uiteengezette vordering mondeling toegelicht; het arrest is bovendien intern tegenstrijdig; het oordeelt enerzijds dat de eiser II geen appelconclusie heeft ingediend; het oordeelt anderzijds dat de door het arrest ontwikkelde besluitvorming niet wordt ontkracht of weerlegd door de inhoud van de voor het hof van beroep ingediende conclusies. 46. Behoudens in de hier niet toepasselijke gevallen van artikel 152 Wetboek van Strafvordering en artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering moet in strafzaken de conclusie blijken uit een geschrift dat, ongeacht zijn benaming of vorm, tijdens het debat ter rechtszitting door een partij of zijn advocaat aan de rechter wordt voorgelegd, waarvan regelmatig is vastgesteld dat de rechter kennis ervan heeft genomen en waarin middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie zijn aangevoerd. 47. Een geschrift uitgaande van een partij of haar advocaat dat, ook al bevat het dergelijke middelen, niet tijdens het debat aan de rechter is voorgelegd maar aan de griffie is overgemaakt, desgevallend via e-Deposit, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het andermaal ter rechtszitting is neergelegd of dat de inhoud ervan werd hernomen of dat de eiser zijn middelen mondeling heeft aangevoerd, is dan ook in de regel geen schriftelijke conclusie waarmee de rechter rekening moet houden. 48. Indien evenwel de rechter, ook al is artikel 152 Wetboek van Strafvordering niet van toepassing, na de partijen te hebben gehoord een conclusiekalender heeft bepaald en daarin heeft aangegeven dat de conclusies moeten worden neergelegd ter griffie, dient hij de aldus desgevallend via e-Deposit ingediende conclusie in aanmerking te nemen. 49. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 28 november 2024 vermeldt wat volgt: “Het Hof (van beroep), na de partijen te hebben gehoord, legt de volgende termijnen vast waarbinnen de conclusies moeten worden overgemaakt om ter griffie te worden neergelegd en aan de andere partijen te worden overgemaakt: (…) voor de burgerlijke partijen en het openbaar ministerie uiterlijk op 10 februari 2025 (…)”. De zaak werd vastgesteld voor behandeling op de rechtszitting van 13 maart 2025. 50. De eiser II heeft via e-Deposit op 9 februari 2025 een appelconclusie ingediend ter griffie van het hof van beroep. In die conclusie wordt aangegeven dat incidenteel beroep wordt ingesteld en wordt een schadevergoeding van 10.000,00 euro gevorderd van de verweerder II, te vermeerderen met de interesten. 51. Volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 13 maart 2025 werd de eiser II gehoord bij monde van zijn raadsman en heeft die raadsman aangevoerd dat hij in eerste aanleg een conclusie had neergelegd waarmee de eerste rechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden. 52. Uit het voorgaande volgt dat de eiser II in overeenstemming met de door het appelgerecht op 28 november 2024 bepaalde modaliteiten van de conclusiekalender tijdig en regelmatig een appelconclusie heeft ingediend. 53. De appelrechters kunnen dan ook niet oordelen dat de eiser II geen appelconclusie heeft ingediend en dat hij heeft nagelaten zijn vordering definitief en concreet te bepalen (arrest, p. 47). De beslissing over de burgerlijke vordering van de eiser II tegen de verweerder II is dan ook niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven 54. De grieven behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek 55. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Voegt de zaken P.25.0794.N en P.25.0866.N samen. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke vordering van de eiser II tegen de verweerder II. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser I tot de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de kosten van het cassatieberoep II aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 3.788,05 euro, waarvan de eiser I 2.120,70 euro is verschuldigd en eiser II 386,60 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.23 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251209.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.