- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Fiches 6 - 7 Volgens artikel 617, derde lid, Gerechtelijk Wetboek zijn de door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet steeds vatbaar voor hoger beroep; uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat zij geen andere doelstelling heeft dan een uitzondering te zijn op de aanleggrens voor hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg, zoals bepaald in artikel 617, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, gelet op het feit dat de som die in de inleidende akte wordt geëist moeilijk te bepalen is inzake inkomstenbelastingen. Thesaurus CAS: BELASTINGEN (MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) - 10-10-1967 - Art. 617 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) - 10-10-1967 - Art. 617 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Fiches 8 - 9 Artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM garandeert het recht van eenieder die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, om zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht en de uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld; uit de toelichting bij deze bepaling en uit de uitlegging ervan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat aan de eis om zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht is voldaan wanneer de wet de verdachte toestaat om alleen rechtsvragen aan een hogere rechterlijke instantie voor te leggen, zoals de vragen die in een cassatieberoep aan het Hof worden voorgelegd. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Fiches 10 - 14 Uit de samenlezing van de bepalingen van artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 4bis, Voorafgaande titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 29, §§ 2 en 3, 29bis, 479 en 482bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en zonder dat artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM wordt geschonden, volgt dat tegen de beslissing van de correctionele kamer van een hof van beroep, die overeenkomstig de artikelen 479 en 482bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, gevat is met de strafvordering tegen een (plaatsvervangende) magistraat en tegen de mededaders en medeplichtigen van het misdrijf waarvoor de bij een misdrijf betrokken magistraat wordt vervolgd of de daders van de samenhangende misdrijven, over de burgerlijke vordering van de belastingadministratie die op grond van artikel 4bis, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering in de strafzaak tussenkomt, geen hoger beroep openstaat en artikel 617, derde lid, Gerechtelijk Wetboek doet daaraan geen afbreuk
, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 428bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 428bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: BELASTINGEN (MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE) Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 428bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 428bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 428bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Fiches 15 - 19 Uit de bewoordingen zelf van artikel 4bis, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de wetsgeschiedenis en de doelstellingen van die bepaling, volgt dat de opschorting en de beëindiging van de procedures voor de burgerlijke rechtbanken automatisch het gevolg zijn van de toepassing van de wet, zonder dat zij afhankelijk zijn van een vrije keuze van de belastingadministratie om een reeds voor de burgerlijke rechtbanken ingestelde procedure al dan niet verder te zetten voor de strafrechte, zodat een prejudiciële vraag die uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting desaangaande niet dient te worden gesteld. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0928.N I - II H. R., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Svjatoslav Gnedasj, advocaat bij de balie Brussel en mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, III E T, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de algemene administratie van de bijzondere belastinginspectie te Gent, ON 0308.357.159, tussenkomende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en III zijn gericht tegen het arrest van het Hof van 9 januari 2024 (hierna arrest I). De cassatieberoepen II en III zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 13 mei 2025 (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser doet afstand, zonder berusting, van zijn cassatieberoepen I en II “maar slechts in zoverre in het [arrest I] werd beslist tot het verval van de strafvordering wegens de feiten omschreven in de oorspronkelijke tenlasteleggingen B, C, D en E, met het ontslag van rechtsvervolging voor deze feiten tot gevolg en in zoverre in het [arrest II] werd beslist tot vrijspraak van eiser voor het gedeelte van de enige overgebleven tenlastelegging A dat betrekking heeft op de afwezigheid van een gezamenlijke aangifte voor het inkomstenjaar 2010 (aanslagjaar 2011) en de vermelding in de aangifte van de eiseres in cassatie dat zij alleenstaande was alsmede in zoverre in het [arrest II] de overige burgerlijke belangen worden aangehouden”. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiseres doet afstand, zonder berusting, van haar cassatieberoep IV “in zoverre eiseres daarin wordt vrijgesproken voor het gedeelte van de tenlastelegging dat betrekking heeft op de afwezigheid van een gezamenlijke aangifte voor het inkomstenjaar 2010 en de vermelding in de aangifte van eiseres dat zij alleenstaande was en in zoverre de overige burgerlijke belangen worden aangehouden”. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 17 oktober 2025 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstanden en ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Tegen een arrest van het Hof staat geen cassatieberoep open. De cassatieberoepen I en III zijn bijgevolg niet ontvankelijk. 2. In zoverre gericht tegen de voor hen gunstige beslissingen van het arrest II zijn de cassatieberoepen II en IV evenmin ontvankelijk. 3. De beslissing van het arrest II om de overige burgerlijke belangen aan te houden is een eindbeslissing. In zoverre worden de afstanden niet verleend. Eerste middel van de eisers 4. Het middel voert schending aan van artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 444 (zoals van toepassing na wijziging bij wet van 30 juni 2017 en vóór de wijziging bij wet van 27 juni 2021, voor wat betreft de aanslagjaren 2014-2018 inzake personenbelasting en aanslagjaren 2015 en 2017 inzake roerende voorheffing, en zoals van toepassing na wijziging bij wet van 27 juni 2021 en vóór de wijziging bij wet van 28 maart 2022, voor wat betreft de aanslagjaren 2019 en 2020 inzake personenbelasting), 449 (zoals van toepassing na wijziging bij wet van 19 december 2014 en vóór de wijziging bij wet van 16 mei 2024), en 450bis, eerste lid, (zoals van toepassing na invoering ervan bij wet van 5 mei 2019 en vóór de wijziging bij wet van 16 mei 2024), WIB92 en de artikelen 226 en 228 (zoals van toepassing vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 13 september 2022) KB WIB92: het arrest II oordeelt ten onrechte dat de strafvordering niet onontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 29bis Wetboek van Strafvordering; het tweede lid van deze bepaling moet worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof zelf, namelijk dat wanneer vaststaat dat de in de fiscale en strafprocedure beoogde sancties geen complementaire doelstellingen nastreven en dus niet in abstracto en in concreto verschillende aspecten van eenzelfde wangedrag betreffen, de voorwaarde van substantiële samenhang voor toepassing van het non bis in idem-beginsel niet is vervuld en dit ongeacht de vraag of aan de andere criteria van substantiële samenhang is voldaan. Eerste onderdeel 5. Het onderdeel voert aan dat het arrest II met de redenen op de pagina’s 7 en 8 de uit artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting om de complementariteit van de doelstellingen van de sanctiemechanismen in abstracto te beoordelen, niet uitvoert op basis van de wettelijke en reglementaire doelstellingen van artikel 444 WIB92 en de artikelen 226 en 228 KB WIB92, die als rechtsbasis dienden voor het opleggen van belastingverhogingen aan de eiser, maar wel op basis van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak A & B tegen Noorwegen op grond van de Noorse fiscale wetgeving vastgestelde doelstellingen van de in die zaak toegepaste administratieve sancties. 6. Het arrest II (p. 7-8) oordeelt dat: - de administratieve en de strafrechtelijke vervolging wel degelijk complementaire doeleinden hebben en dat de eisers met hun verweer de doelstellingen die door de verschillende vervolgingen worden beoogd, verwarren met de achterliggende (beweerd) foutieve sociale gedraging, met name het (beweerd) niet nakomen van de op hen rustende fiscale verplichtingen; - waar de vervolgde fiscale inbreuk in beide gevallen identiek is (met name het indienen tijdens de geviseerde aanslagjaren van foutieve fiscale aangiftes door enerzijds te stellen dat de eiser geen rijksinwoner is en anderzijds dat de eisers feitelijk gescheiden leefden), dit niet het geval is voor de door de administratieve en strafrechtelijke vervolging beoogde doelstellingen; - de administratieve vervolging in de eerste plaats de inning van de verschuldigde belasting voor ogen heeft en daarnaast de inning van bij wijze van administratieve sanctie opgelegde belastingvermeerderingen met betrekking tot de personenbelasting en roerende voorheffing beoogt; - zoals “ook” vastgesteld door het EHRM in de zaak A & B tegen Noorwegen, de administratieve fiscale sanctie niet enkel dient als een algemene afschrikking voor belastingbetalers die onjuiste of onvolledige aangiftes indienen, maar ook ter compensatie van het aanzienlijke meerwerk en de aanzienlijke meerkost die de belastingadministratie ondergaat bij de uitvoering, in het belang van de gemeenschap en van het functioneren van de staat, van de controles en de onderzoeken teneinde gebrekkige aangiftes op te sporen en dat het immers niet onredelijk is om een deel van deze kosten te verhalen op diegenen die onvolledige of onjuiste aangiftes indienen; - de strafrechtelijke vervolging anderzijds niet enkel tot doel heeft de belastingplichtige ertoe aan te zetten zijn fiscale verplichtingen na te leven, maar ook tot doel heeft de wetsovertreding te bestraffen en aldus, onder meer, uiting te geven aan de maatschappelijke afkeuring. 7. Met die redenen beoordeelt het arrest II de complementariteit van de doelstellingen van de administratieve en strafrechtelijke sanctiemechanismen niet op basis van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak A & B tegen Noorwegen (arrest van 15 november 2016, nrs. 24130/11 en 29758/11) op grond van de in de Noorse fiscale wetgeving vastgestelde doelstellingen van de in die zaak toegepaste administratieve sancties, maar oordeelt het dat de laatstgenoemde doelstellingen evenzeer de doelstellingen zijn van de in artikel 444 WIB92 en de artikelen 226 en 228 KB WIB92 bedoelde belastingverhogingen. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest II en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede en derde onderdeel 8. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest II met de redenen op de pagina’s 7 en 8 ten onrechte oordeelt dat de doelstelling van het administratieve sanctioneringsmechanisme verschilt van de doelstelling van de strafvervolging, terwijl het nalaat om vast te stellen dat de belastingverhogingen in de inkomstenbelastingen en roerende voorheffing zowel een overheersend repressieve als een daarmee samenhangende, ontradende en dus afschrikwekkende functie hebben, die erop gericht is belastingplichtigen af te schrikken fiscale overtredingen, met inbegrip van fiscale fraude, te begaan en de correcte inning van de belastingen te verzekeren; uit geen enkele bepaling, wetsgeschiedenis of rechtspraak van de hoogste Belgische rechtscolleges blijkt dat deze belastingverhogingen, zoals de appelrechters overwegen, een compensatoire doelstelling zouden nastreven en de Staat of de gemeenschap zouden beogen te vergoeden voor “het aanzienlijke meerwerk en de aanzienlijke meerkost die de belastingadministratie ondergaat bij de uitvoering, in het belang van de gemeenschap en van het functioneren van de staat, van de controles en de onderzoeken teneinde gebrekkige aangiftes op te sporen zodat het niet onredelijk [is] om een deel van deze kosten te verhalen op diegenen die onvolledige of onjuiste aangiftes indienen”. Het derde onderdeel voert aan dat het arrest II met de redenen op de pagina’s 7 en 8 de beslissing dat de administratieve fiscale procedure en de strafvervolging complementaire doeleinden nastreven niet naar recht verantwoordt nu uit de wetsgeschiedenis van artikel 449 WIB92, op grond waarvan de eisers worden vervolgd, blijkt dat die bepaling tot doel heeft fiscale fraude te beteugelen en te voorkomen en door haar afschrikwekkende functies de correcte inning van de belasting te verzekeren en geen andere doelstelling beoogt dan de belastingverhogingen van artikel 444 WIB92 en de artikelen 226 en 228 KB WIB92. 9. Het arrest II oordeelt niet enkel zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, maar ook (p. 33, nr. 3.10.2) dat de belastingverhoging die overeenkomstig artikel 444 WIB92 kan worden opgelegd bij een niet-aangifte of in geval van een onvolledige of onjuiste aangifte een overheersend repressief karakter heeft en bijgevolg een sanctie van strafrechtelijke aard is in de zin van artikel 6 EVRM. In zoverre het tweede onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters dit niet vaststellen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest II en mist het feitelijke grondslag. 10. Artikel 29bis Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Indien een strafrechtelijk onderzoek aanwijzingen van fraude inzake directe of indirecte belastingen aan het licht brengt, brengt de procureur des Konings de minister van Financiën of de dienst die hij aanwijst ervan op de hoogte en verleent hij inzage en afschrift tenzij de inzage van het dossier en het nemen van een afschrift van het dossier lopende strafrechtelijke onderzoeken in gevaar kunnen brengen. Wanneer de fiscale administratie belastingen vestigt, met inbegrip van de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten, voor de in het eerste lid bedoelde strafbare feiten staat dit de strafvordering niet in de weg voor zover de fiscale en strafrechtelijke behandeling van de feiten deel uitmaken van een samenhangend geheel in tijd en inhoud.” 11. Uit artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering noch uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waardoor deze bepaling volgens zijn wetsgeschiedenis werd geïnspireerd, volgt dat het feit dat de belastingverhoging op grond van artikel 444 WIB92 een overheersend repressief karakter heeft, impliceert dat zij de strafvordering, op grond van artikel 449 WIB92 of enige andere strafrechtelijke bepaling, noodzakelijk in de weg staat. De belastingverhoging kan immers ook andere dan repressieve en aan de strafvordering complementaire doelstellingen nastreven. 12. In zijn arrest van 17 november 2022 (nr. 149/2022) oordeelt het Grondwettelijk Hof bovendien als volgt in verband met de artikelen 444 en 445 WIB92: - “ B.2.1. Wat de belastingverhoging betreft, blijkt zowel uit de tekst van artikel 444 van het WIB 1992 zelf, als uit de parlementaire voorbereiding van de wetsbepalingen die aan de oorsprong ervan liggen, dat de wetgever een administratieve sanctie heeft willen instellen om de fraude te voorkomen en te bestraffen die zou voortvloeien uit de niet-aangifte of uit het onvolledige of onjuiste karakter van de aangifte. Die situaties kunnen voor de belastingadministratie immers een extra risico inhouden dat de correcte belasting niet wordt geïnd, alsook met zich meebrengen dat financiële en menselijke middelen moeten worden ingezet om de vereiste controles met het oog op een correcte inning uit te voeren.” (…) - “B.4. Artikel 445 van het WIB 1992 is ook ingevoerd om de belastingplichtige aan te moedigen zijn aangifte in te dienen onder de opgelegde wettelijke voorwaarden en binnen de opgelegde wettelijke termijnen. (…) Die geldboete kan dus met name het loutere feit bestraffen dat de aangifte niet binnen de wettelijke termijn is ingediend, zonder daarbij rekening te houden met de omvang van de niet-aangegeven inkomsten.” (…) - “B.14.1. Uit hetgeen in B.2.1 en B.4 is vermeld, vloeit voort dat de in het geding zijnde bepalingen complementaire doelstellingen nastreven: hoewel de beide maatregelen een overheersend repressief karakter hebben, beoogt de belastingverhoging van artikel 444 van het WIB 1992 de rechten van de Schatkist te vrijwaren, in zoverre zij wordt berekend op basis van de op het niet-aangegeven of laattijdig aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen. Daarentegen strekt de geldboete bedoeld in artikel 445 van het WIB 1992 in de eerste plaats ertoe de belastingplichtige meer burgerzin te doen krijgen en hem te doen begrijpen dat hij in de toekomst aan zijn fiscale verplichtingen moet voldoen. De geldboete kan immers het loutere feit bestraffen dat geen aangifte werd ingediend binnen de wettelijke termijn, los van de omvang, en zelfs van het bestaan, van de niet-aangegeven inkomsten. De verhoging hangt dan weer af van het bedrag van de belasting, die maar kan worden vastgesteld zodra de belastbare grondslag is bepaald. Bijgevolg hebben de in het geding zijnde bepalingen betrekking op verschillende aspecten van de handeling die nadelig is voor de betrokken vennootschap voor het verwijzende rechtscollege.” Hieruit volgt dat de belastingverhoging van artikel 444 WIB92, zoals uitgelegd door het Grondwettelijk Hof en anders dan het tweede onderdeel in verband met deze rechtspraak voorhoudt, wel degelijk tevens als doelstelling heeft het extra risico tegen te gaan voor de belastingadministratie dat bij een niet-aangifte of een onvolledige of onjuiste aangifte de correcte belasting niet wordt geïnd, alsook dat financiële en menselijke middelen moeten worden ingezet om de vereiste controles met het oog op een correcte inning uit te voeren. 13. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 14. Voor het overige verantwoordt het arrest II met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel naar recht de beslissing dat de aan de eisers opgelegde belastingverhogingen hun strafvervolging niet in de weg staan. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 15. Het onderdeel voert aan dat het arrest II met de redenen op de pagina’s 7 en 8 kennelijk nalaat de uit artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting om in concreto de complementariteit van de doelstellingen van de op het aan de eiser verweten wangedrag gerichte sanctiemechanismen en in het bijzonder van de aan hem opgelegde belastingverhogingen te beoordelen. 16. Met de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen beoordeelt het arrest II wel degelijk ook in concreto de complementariteit van de doelstellingen van de belastingverhogingen en de strafvervolging. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vijfde onderdeel 17. Het onderdeel voert aan dat de in het arrest II gegeven redenen ook in die zin zouden kunnen worden begrepen dat de appelrechters op grond van het door de verweerder voorgelegde fiscale dossier daadwerkelijk een, al dan niet impliciete, concrete beoordeling hebben gedaan van de doelstellingen van de administratieve en strafrechtelijke vervolgingen van de eisers en daarbij het door de verweerder voorgelegde fiscale dossier, met daarin begrepen de taxatiestukken en in het bijzonder de berichten van wijziging inzake de personenbelasting voor de aanslagjaren 2014-2020 en de kennisgevingen van aanslag van ambtswege inzake roerende voorheffing voor de aanslagjaren 2015 en 2017, mee hebben onderzocht; in de zin geïnterpreteerd dat de appelrechters op grond van het aan hen door de verweerder voorgelegde fiscale dossier, daadwerkelijk een al dan niet impliciete concrete beoordeling zouden hebben gedaan van de doelstellingen van de administratieve en strafrechtelijke vervolgingen van de eisers, is het niet naar recht verantwoord waar het oordeelt dat de administratieve vervolging in de eerste plaats de inning van de verschuldigde belasting voor ogen zou hebben en daarnaast ook van de administratieve sanctie en tevens niet enkel als een algemene afschrikking voor de belastingbetalers zou dienen die onjuiste of onvolledige aangiftes indienen, maar ook ter compensatie van het aanzienlijke meerwerk en de aanzienlijke meerkost die de belastingadministratie ondergaat bij de uitvoering, in het belang van de gemeenschap en van het functioneren van de staat, van de controles en de onderzoeken teneinde gebrekkige aangifte op te sporen, terwijl de strafrechtelijke vervolging niet enkel tot doel heeft de belastingplichtige ertoe aan te zetten zijn fiscale verplichtingen na te leven, maar ook om de wetsovertreding te bestraffen en aldus, onder meer, uiting te geven aan de maatschappelijke afkeuring. 18. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het arrest II in die zin kan worden begrepen dat de appelrechters de door de verweerder neergelegde stukken mee hebben onderzocht en zodoende minstens impliciet de doelstellingen van de administratieve vervolging ten aanzien van de eisers hebben onderzocht, berust het op een hypothese en is het niet ontvankelijk. 19. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest II, is het eveneens niet ontvankelijk. 20. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de met het tweede en het derde onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het evenmin ontvankelijk. Zesde onderdeel 21. Het onderdeel voert aan dat het arrest II de bij wet bepaalde bestraffing en de aan de eisers opgelegde belastingverhogingen samen beoordelen en daarbij op pagina 35 overwegen dat “beide sancties een verschillende finaliteit hebben” en zodoende het oordeel over de straftoemeting op een juridisch onjuiste hypothese steunen, wat ook relevant is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de strafvordering in het licht van artikel 29bis Wetboek van Strafvordering. 22. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de met het tweede en het derde onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en derhalve niet ontvankelijk. Zevende onderdeel 23. Het onderdeel voert aan dat voor een ontvankelijke strafvordering op grond van artikel 29bis Wetboek van Strafvordering ook artikel 450bis, eerste lid, WIB92 correct moet worden toegepast, maar dat dit niet is gebeurd; rekening houdend met de overschreden redelijke termijn veroordeelt het arrest II eensdeels de eiser tot een gevangenisstraf van zes maanden en acht het, gelet op de toegepaste belastingvermeerderingen, het opleggen van een geldboete niet opportuun en overbodig en veroordeelt het de eiseres bij eenvoudige schuldigverklaring; anderdeels herleidt het arrest II “gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en om disproportioneel hoge straffen te vermijden in combinatie met de opgelegde gevangenisstraf”, de aan de eiser opgelegde belastingvermeerderingen van 200 procent tot 100 procent en herleidt het de aan de eiseres opgelegde belastingvermeerderingen voor het gedeelte dat haar tegenstelbaar is tot 10 procent; hierdoor bevat het arrest geen elementen die een wettigheidstoets mogelijk maken waaruit zou blijken hoe de appelrechters bij toepassing van artikel 450bis, eerste lid, WIB92, rekening hebben gehouden met de, al dan niet herleide, belastingverhogingen bij het opleggen van de gevangenisstraf aan de eiser en het uitspreken van een eenvoudige schuldigverklaring van de eiseres. 24. Artikel 450bis, eerste lid, WIB92 bepaalt dat de rechter, ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, bij de straftoemeting rekening houdt met de verschuldigde administratieve geldboeten en belastingverhogingen. 25. De rechter die, gelet op de verschuldigde belastingverhogingen, oordeelt dat aan de veroordeelde slechts een gevangenisstraf wordt opgelegd en geen geldboete, waar artikel 449 WIB92 hem de keuze laat de beide straffen op te leggen, houdt rekening met deze belastingverhogingen bij toepassing van artikel 450bis, eerste lid, WIB92, zonder dat hij verder moet aangeven dat daarmee tevens rekening werd gehouden bij het bepalen van de maat van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 26. Het arrest II (p. 36) veroordeelt de eiseres bij eenvoudige schuldigverklaring. Zij heeft derhalve geen belang bij de aangevoerde schending van artikel 450bis, eerste lid, WIB92. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. 27. Het arrest II (p. 36) veroordeelt de eiser tot een gevangenisstraf en oordeelt dat het opleggen van een geldboete niet opportuun is en gelet op de toegepaste belastingvermeerderingen ook overbodig is. Met die redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Achtste onderdeel 28. Het onderdeel voert aan dat in de gevallen waar krachtens artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering geen strafvordering wegens identieke of in wezen dezelfde feiten van fiscale fraude op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld, de belastingadministratie ook niet over een zelfstandig vorderingsrecht op grond van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering beschikt en dat, indien het arrest wordt vernietigd omdat het onterecht de strafvordering ontvankelijk heeft verklaard, de vernietiging zich uitstrekt tot de beslissing die de door de verweerder ingestelde zelfstandige vordering ontvankelijk en gegrond verklaart. 29. Het onderdeel, dat uitsluitend betrekking heeft op een eventueel uit te spreken cassatie, behoeft geen antwoord. Tweede middel van de eisers 30. Het middel voert in al zijn onderdelen schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, de artikelen 28bis, § 3, tweede lid en 56, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest II oordeelt ten onrechte dat de uitnodiging tot verhoor van C. zonder relevantie is voor de beoordeling van de strafvordering en de vordering van de verweerder en steunt de schuldigverklaring van de eisers aan de feiten onder de telastlegging A ten onrechte op de verklaring van C. 31. Het arrest II (p. 15-18, nr. 3.5.3) oordeelt als volgt: - de verweerder en het openbaar ministerie verwijzen naar een lange reeks van feitelijke omstandigheden die ernstige en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen vormen dat de eiser in werkelijkheid hoofdverblijf houdt in B., minstens de zetel van zijn fortuin hier heeft gevestigd, en dat in de periode 2010-2019 de eisers niet enkel een wettelijk maar ook een feitelijk gezin vormden dat samen met hun beide kinderen woonde te G., […]; - zo wordt onder meer op relevante wijze verwezen naar de vaststellingen dat de eiser: • de Belgische nationaliteit heeft; • als advocaat was ingeschreven aan de balies van West-Vlaanderen (Brugge) en Gent; • sedert 29 november 2010 plaatsvervangend raadsheer was (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.