← België

R. contra DE BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Fiches 6 - 7 Volgens artikel 617, derde lid, Gerechtelijk Wetboek zijn de door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet steeds vatbaar voor hoger beroep; uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat zij geen andere doelstelling heeft dan een uitzondering te zijn op de aanleggrens voor hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg, zoals bepaald in artikel 617, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, gelet op het feit dat de som die in de inleidende akte wordt geëist moeilijk te bepalen is inzake inkomstenbelastingen. Thesaurus CAS: BELASTINGEN (MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) - 10-10-1967 - Art. 617 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel III: BEVOEGDHEID (Art. 556 tot 663) - 10-10-1967 - Art. 617 - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Fiches 8 - 9 Artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM garandeert het recht van eenieder die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, om zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht en de uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld; uit de toelichting bij deze bepaling en uit de uitlegging ervan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat aan de eis om zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht is voldaan wanneer de wet de verdachte toestaat om alleen rechtsvragen aan een hogere rechterlijke instantie voor te leggen, zoals de vragen die in een cassatieberoep aan het Hof worden voorgelegd. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Fiches 10 - 14 Uit de samenlezing van de bepalingen van artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 4bis, Voorafgaande titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 29, §§ 2 en 3, 29bis, 479 en 482bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en zonder dat artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM wordt geschonden, volgt dat tegen de beslissing van de correctionele kamer van een hof van beroep, die overeenkomstig de artikelen 479 en 482bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, gevat is met de strafvordering tegen een (plaatsvervangende) magistraat en tegen de mededaders en medeplichtigen van het misdrijf waarvoor de bij een misdrijf betrokken magistraat wordt vervolgd of de daders van de samenhangende misdrijven, over de burgerlijke vordering van de belastingadministratie die op grond van artikel 4bis, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering in de strafzaak tussenkomt, geen hoger beroep openstaat en artikel 617, derde lid, Gerechtelijk Wetboek doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)A. WINANTS, "Beschouwingen over het voorrecht van rechtsmacht", in F. DERUYCK (ed.), Strafrecht in/uit balans*, die Keure, 2020, pp. 138-141. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29

, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 428bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29

, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 428bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: BELASTINGEN (MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE) Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29

, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 428bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29

, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 428bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29

, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel IV (Art 448 tot en met 524septies) - 12-12-1808 - Art. 479 - 30 ELI link Pub nr 1808121250 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 428bis, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Fiches 15 - 19 Uit de bewoordingen zelf van artikel 4bis, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de wetsgeschiedenis en de doelstellingen van die bepaling, volgt dat de opschorting en de beëindiging van de procedures voor de burgerlijke rechtbanken automatisch het gevolg zijn van de toepassing van de wet, zonder dat zij afhankelijk zijn van een vrije keuze van de belastingadministratie om een reeds voor de burgerlijke rechtbanken ingestelde procedure al dan niet verder te zetten voor de strafrechte, zodat een prejudiciële vraag die uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting desaangaande niet dient te worden gesteld. Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4bis - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 29bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 444 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 226 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Koninklijk Besluit tot uitvoering van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 - 27-08-1993 - Art. 228 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0928.N I - II H. R., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Svjatoslav Gnedasj, advocaat bij de balie Brussel en mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, III E T, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal van de algemene administratie van de bijzondere belastinginspectie te Gent, ON 0308.357.159, tussenkomende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en III zijn gericht tegen het arrest van het Hof van 9 januari 2024 (hierna arrest I). De cassatieberoepen II en III zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 13 mei 2025 (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser doet afstand, zonder berusting, van zijn cassatieberoepen I en II “maar slechts in zoverre in het [arrest I] werd beslist tot het verval van de strafvordering wegens de feiten omschreven in de oorspronkelijke tenlasteleggingen B, C, D en E, met het ontslag van rechtsvervolging voor deze feiten tot gevolg en in zoverre in het [arrest II] werd beslist tot vrijspraak van eiser voor het gedeelte van de enige overgebleven tenlastelegging A dat betrekking heeft op de afwezigheid van een gezamenlijke aangifte voor het inkomstenjaar 2010 (aanslagjaar 2011) en de vermelding in de aangifte van de eiseres in cassatie dat zij alleenstaande was alsmede in zoverre in het [arrest II] de overige burgerlijke belangen worden aangehouden”. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiseres doet afstand, zonder berusting, van haar cassatieberoep IV “in zoverre eiseres daarin wordt vrijgesproken voor het gedeelte van de tenlastelegging dat betrekking heeft op de afwezigheid van een gezamenlijke aangifte voor het inkomstenjaar 2010 en de vermelding in de aangifte van eiseres dat zij alleenstaande was en in zoverre de overige burgerlijke belangen worden aangehouden”. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De eiser heeft op 17 oktober 2025 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstanden en ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Tegen een arrest van het Hof staat geen cassatieberoep open. De cassatieberoepen I en III zijn bijgevolg niet ontvankelijk. 2. In zoverre gericht tegen de voor hen gunstige beslissingen van het arrest II zijn de cassatieberoepen II en IV evenmin ontvankelijk. 3. De beslissing van het arrest II om de overige burgerlijke belangen aan te houden is een eindbeslissing. In zoverre worden de afstanden niet verleend. Eerste middel van de eisers 4. Het middel voert schending aan van artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 444 (zoals van toepassing na wijziging bij wet van 30 juni 2017 en vóór de wijziging bij wet van 27 juni 2021, voor wat betreft de aanslagjaren 2014-2018 inzake personenbelasting en aanslagjaren 2015 en 2017 inzake roerende voorheffing, en zoals van toepassing na wijziging bij wet van 27 juni 2021 en vóór de wijziging bij wet van 28 maart 2022, voor wat betreft de aanslagjaren 2019 en 2020 inzake personenbelasting), 449 (zoals van toepassing na wijziging bij wet van 19 december 2014 en vóór de wijziging bij wet van 16 mei 2024), en 450bis, eerste lid, (zoals van toepassing na invoering ervan bij wet van 5 mei 2019 en vóór de wijziging bij wet van 16 mei 2024), WIB92 en de artikelen 226 en 228 (zoals van toepassing vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 13 september 2022) KB WIB92: het arrest II oordeelt ten onrechte dat de strafvordering niet onontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 29bis Wetboek van Strafvordering; het tweede lid van deze bepaling moet worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van het Hof zelf, namelijk dat wanneer vaststaat dat de in de fiscale en strafprocedure beoogde sancties geen complementaire doelstellingen nastreven en dus niet in abstracto en in concreto verschillende aspecten van eenzelfde wangedrag betreffen, de voorwaarde van substantiële samenhang voor toepassing van het non bis in idem-beginsel niet is vervuld en dit ongeacht de vraag of aan de andere criteria van substantiële samenhang is voldaan. Eerste onderdeel 5. Het onderdeel voert aan dat het arrest II met de redenen op de pagina’s 7 en 8 de uit artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting om de complementariteit van de doelstellingen van de sanctiemechanismen in abstracto te beoordelen, niet uitvoert op basis van de wettelijke en reglementaire doelstellingen van artikel 444 WIB92 en de artikelen 226 en 228 KB WIB92, die als rechtsbasis dienden voor het opleggen van belastingverhogingen aan de eiser, maar wel op basis van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak A & B tegen Noorwegen op grond van de Noorse fiscale wetgeving vastgestelde doelstellingen van de in die zaak toegepaste administratieve sancties. 6. Het arrest II (p. 7-8) oordeelt dat: - de administratieve en de strafrechtelijke vervolging wel degelijk complementaire doeleinden hebben en dat de eisers met hun verweer de doelstellingen die door de verschillende vervolgingen worden beoogd, verwarren met de achterliggende (beweerd) foutieve sociale gedraging, met name het (beweerd) niet nakomen van de op hen rustende fiscale verplichtingen; - waar de vervolgde fiscale inbreuk in beide gevallen identiek is (met name het indienen tijdens de geviseerde aanslagjaren van foutieve fiscale aangiftes door enerzijds te stellen dat de eiser geen rijksinwoner is en anderzijds dat de eisers feitelijk gescheiden leefden), dit niet het geval is voor de door de administratieve en strafrechtelijke vervolging beoogde doelstellingen; - de administratieve vervolging in de eerste plaats de inning van de verschuldigde belasting voor ogen heeft en daarnaast de inning van bij wijze van administratieve sanctie opgelegde belastingvermeerderingen met betrekking tot de personenbelasting en roerende voorheffing beoogt; - zoals “ook” vastgesteld door het EHRM in de zaak A & B tegen Noorwegen, de administratieve fiscale sanctie niet enkel dient als een algemene afschrikking voor belastingbetalers die onjuiste of onvolledige aangiftes indienen, maar ook ter compensatie van het aanzienlijke meerwerk en de aanzienlijke meerkost die de belastingadministratie ondergaat bij de uitvoering, in het belang van de gemeenschap en van het functioneren van de staat, van de controles en de onderzoeken teneinde gebrekkige aangiftes op te sporen en dat het immers niet onredelijk is om een deel van deze kosten te verhalen op diegenen die onvolledige of onjuiste aangiftes indienen; - de strafrechtelijke vervolging anderzijds niet enkel tot doel heeft de belastingplichtige ertoe aan te zetten zijn fiscale verplichtingen na te leven, maar ook tot doel heeft de wetsovertreding te bestraffen en aldus, onder meer, uiting te geven aan de maatschappelijke afkeuring. 7. Met die redenen beoordeelt het arrest II de complementariteit van de doelstellingen van de administratieve en strafrechtelijke sanctiemechanismen niet op basis van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak A & B tegen Noorwegen (arrest van 15 november 2016, nrs. 24130/11 en 29758/11) op grond van de in de Noorse fiscale wetgeving vastgestelde doelstellingen van de in die zaak toegepaste administratieve sancties, maar oordeelt het dat de laatstgenoemde doelstellingen evenzeer de doelstellingen zijn van de in artikel 444 WIB92 en de artikelen 226 en 228 KB WIB92 bedoelde belastingverhogingen. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest II en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede en derde onderdeel 8. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest II met de redenen op de pagina’s 7 en 8 ten onrechte oordeelt dat de doelstelling van het administratieve sanctioneringsmechanisme verschilt van de doelstelling van de strafvervolging, terwijl het nalaat om vast te stellen dat de belastingverhogingen in de inkomstenbelastingen en roerende voorheffing zowel een overheersend repressieve als een daarmee samenhangende, ontradende en dus afschrikwekkende functie hebben, die erop gericht is belastingplichtigen af te schrikken fiscale overtredingen, met inbegrip van fiscale fraude, te begaan en de correcte inning van de belastingen te verzekeren; uit geen enkele bepaling, wetsgeschiedenis of rechtspraak van de hoogste Belgische rechtscolleges blijkt dat deze belastingverhogingen, zoals de appelrechters overwegen, een compensatoire doelstelling zouden nastreven en de Staat of de gemeenschap zouden beogen te vergoeden voor “het aanzienlijke meerwerk en de aanzienlijke meerkost die de belastingadministratie ondergaat bij de uitvoering, in het belang van de gemeenschap en van het functioneren van de staat, van de controles en de onderzoeken teneinde gebrekkige aangiftes op te sporen zodat het niet onredelijk [is] om een deel van deze kosten te verhalen op diegenen die onvolledige of onjuiste aangiftes indienen”. Het derde onderdeel voert aan dat het arrest II met de redenen op de pagina’s 7 en 8 de beslissing dat de administratieve fiscale procedure en de strafvervolging complementaire doeleinden nastreven niet naar recht verantwoordt nu uit de wetsgeschiedenis van artikel 449 WIB92, op grond waarvan de eisers worden vervolgd, blijkt dat die bepaling tot doel heeft fiscale fraude te beteugelen en te voorkomen en door haar afschrikwekkende functies de correcte inning van de belasting te verzekeren en geen andere doelstelling beoogt dan de belastingverhogingen van artikel 444 WIB92 en de artikelen 226 en 228 KB WIB92. 9. Het arrest II oordeelt niet enkel zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, maar ook (p. 33, nr. 3.10.2) dat de belastingverhoging die overeenkomstig artikel 444 WIB92 kan worden opgelegd bij een niet-aangifte of in geval van een onvolledige of onjuiste aangifte een overheersend repressief karakter heeft en bijgevolg een sanctie van strafrechtelijke aard is in de zin van artikel 6 EVRM. In zoverre het tweede onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters dit niet vaststellen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest II en mist het feitelijke grondslag. 10. Artikel 29bis Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Indien een strafrechtelijk onderzoek aanwijzingen van fraude inzake directe of indirecte belastingen aan het licht brengt, brengt de procureur des Konings de minister van Financiën of de dienst die hij aanwijst ervan op de hoogte en verleent hij inzage en afschrift tenzij de inzage van het dossier en het nemen van een afschrift van het dossier lopende strafrechtelijke onderzoeken in gevaar kunnen brengen. Wanneer de fiscale administratie belastingen vestigt, met inbegrip van de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten, voor de in het eerste lid bedoelde strafbare feiten staat dit de strafvordering niet in de weg voor zover de fiscale en strafrechtelijke behandeling van de feiten deel uitmaken van een samenhangend geheel in tijd en inhoud.” 11. Uit artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering noch uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waardoor deze bepaling volgens zijn wetsgeschiedenis werd geïnspireerd, volgt dat het feit dat de belastingverhoging op grond van artikel 444 WIB92 een overheersend repressief karakter heeft, impliceert dat zij de strafvordering, op grond van artikel 449 WIB92 of enige andere strafrechtelijke bepaling, noodzakelijk in de weg staat. De belastingverhoging kan immers ook andere dan repressieve en aan de strafvordering complementaire doelstellingen nastreven. 12. In zijn arrest van 17 november 2022 (nr. 149/2022) oordeelt het Grondwettelijk Hof bovendien als volgt in verband met de artikelen 444 en 445 WIB92: - “ B.2.1. Wat de belastingverhoging betreft, blijkt zowel uit de tekst van artikel 444 van het WIB 1992 zelf, als uit de parlementaire voorbereiding van de wetsbepalingen die aan de oorsprong ervan liggen, dat de wetgever een administratieve sanctie heeft willen instellen om de fraude te voorkomen en te bestraffen die zou voortvloeien uit de niet-aangifte of uit het onvolledige of onjuiste karakter van de aangifte. Die situaties kunnen voor de belastingadministratie immers een extra risico inhouden dat de correcte belasting niet wordt geïnd, alsook met zich meebrengen dat financiële en menselijke middelen moeten worden ingezet om de vereiste controles met het oog op een correcte inning uit te voeren.” (…) - “B.4. Artikel 445 van het WIB 1992 is ook ingevoerd om de belastingplichtige aan te moedigen zijn aangifte in te dienen onder de opgelegde wettelijke voorwaarden en binnen de opgelegde wettelijke termijnen. (…) Die geldboete kan dus met name het loutere feit bestraffen dat de aangifte niet binnen de wettelijke termijn is ingediend, zonder daarbij rekening te houden met de omvang van de niet-aangegeven inkomsten.” (…) - “B.14.1. Uit hetgeen in B.2.1 en B.4 is vermeld, vloeit voort dat de in het geding zijnde bepalingen complementaire doelstellingen nastreven: hoewel de beide maatregelen een overheersend repressief karakter hebben, beoogt de belastingverhoging van artikel 444 van het WIB 1992 de rechten van de Schatkist te vrijwaren, in zoverre zij wordt berekend op basis van de op het niet-aangegeven of laattijdig aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen. Daarentegen strekt de geldboete bedoeld in artikel 445 van het WIB 1992 in de eerste plaats ertoe de belastingplichtige meer burgerzin te doen krijgen en hem te doen begrijpen dat hij in de toekomst aan zijn fiscale verplichtingen moet voldoen. De geldboete kan immers het loutere feit bestraffen dat geen aangifte werd ingediend binnen de wettelijke termijn, los van de omvang, en zelfs van het bestaan, van de niet-aangegeven inkomsten. De verhoging hangt dan weer af van het bedrag van de belasting, die maar kan worden vastgesteld zodra de belastbare grondslag is bepaald. Bijgevolg hebben de in het geding zijnde bepalingen betrekking op verschillende aspecten van de handeling die nadelig is voor de betrokken vennootschap voor het verwijzende rechtscollege.” Hieruit volgt dat de belastingverhoging van artikel 444 WIB92, zoals uitgelegd door het Grondwettelijk Hof en anders dan het tweede onderdeel in verband met deze rechtspraak voorhoudt, wel degelijk tevens als doelstelling heeft het extra risico tegen te gaan voor de belastingadministratie dat bij een niet-aangifte of een onvolledige of onjuiste aangifte de correcte belasting niet wordt geïnd, alsook dat financiële en menselijke middelen moeten worden ingezet om de vereiste controles met het oog op een correcte inning uit te voeren. 13. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 14. Voor het overige verantwoordt het arrest II met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel naar recht de beslissing dat de aan de eisers opgelegde belastingverhogingen hun strafvervolging niet in de weg staan. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 15. Het onderdeel voert aan dat het arrest II met de redenen op de pagina’s 7 en 8 kennelijk nalaat de uit artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting om in concreto de complementariteit van de doelstellingen van de op het aan de eiser verweten wangedrag gerichte sanctiemechanismen en in het bijzonder van de aan hem opgelegde belastingverhogingen te beoordelen. 16. Met de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen beoordeelt het arrest II wel degelijk ook in concreto de complementariteit van de doelstellingen van de belastingverhogingen en de strafvervolging. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vijfde onderdeel 17. Het onderdeel voert aan dat de in het arrest II gegeven redenen ook in die zin zouden kunnen worden begrepen dat de appelrechters op grond van het door de verweerder voorgelegde fiscale dossier daadwerkelijk een, al dan niet impliciete, concrete beoordeling hebben gedaan van de doelstellingen van de administratieve en strafrechtelijke vervolgingen van de eisers en daarbij het door de verweerder voorgelegde fiscale dossier, met daarin begrepen de taxatiestukken en in het bijzonder de berichten van wijziging inzake de personenbelasting voor de aanslagjaren 2014-2020 en de kennisgevingen van aanslag van ambtswege inzake roerende voorheffing voor de aanslagjaren 2015 en 2017, mee hebben onderzocht; in de zin geïnterpreteerd dat de appelrechters op grond van het aan hen door de verweerder voorgelegde fiscale dossier, daadwerkelijk een al dan niet impliciete concrete beoordeling zouden hebben gedaan van de doelstellingen van de administratieve en strafrechtelijke vervolgingen van de eisers, is het niet naar recht verantwoord waar het oordeelt dat de administratieve vervolging in de eerste plaats de inning van de verschuldigde belasting voor ogen zou hebben en daarnaast ook van de administratieve sanctie en tevens niet enkel als een algemene afschrikking voor de belastingbetalers zou dienen die onjuiste of onvolledige aangiftes indienen, maar ook ter compensatie van het aanzienlijke meerwerk en de aanzienlijke meerkost die de belastingadministratie ondergaat bij de uitvoering, in het belang van de gemeenschap en van het functioneren van de staat, van de controles en de onderzoeken teneinde gebrekkige aangifte op te sporen, terwijl de strafrechtelijke vervolging niet enkel tot doel heeft de belastingplichtige ertoe aan te zetten zijn fiscale verplichtingen na te leven, maar ook om de wetsovertreding te bestraffen en aldus, onder meer, uiting te geven aan de maatschappelijke afkeuring. 18. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het arrest II in die zin kan worden begrepen dat de appelrechters de door de verweerder neergelegde stukken mee hebben onderzocht en zodoende minstens impliciet de doelstellingen van de administratieve vervolging ten aanzien van de eisers hebben onderzocht, berust het op een hypothese en is het niet ontvankelijk. 19. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest II, is het eveneens niet ontvankelijk. 20. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de met het tweede en het derde onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het evenmin ontvankelijk. Zesde onderdeel 21. Het onderdeel voert aan dat het arrest II de bij wet bepaalde bestraffing en de aan de eisers opgelegde belastingverhogingen samen beoordelen en daarbij op pagina 35 overwegen dat “beide sancties een verschillende finaliteit hebben” en zodoende het oordeel over de straftoemeting op een juridisch onjuiste hypothese steunen, wat ook relevant is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de strafvordering in het licht van artikel 29bis Wetboek van Strafvordering. 22. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de met het tweede en het derde onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en derhalve niet ontvankelijk. Zevende onderdeel 23. Het onderdeel voert aan dat voor een ontvankelijke strafvordering op grond van artikel 29bis Wetboek van Strafvordering ook artikel 450bis, eerste lid, WIB92 correct moet worden toegepast, maar dat dit niet is gebeurd; rekening houdend met de overschreden redelijke termijn veroordeelt het arrest II eensdeels de eiser tot een gevangenisstraf van zes maanden en acht het, gelet op de toegepaste belastingvermeerderingen, het opleggen van een geldboete niet opportuun en overbodig en veroordeelt het de eiseres bij eenvoudige schuldigverklaring; anderdeels herleidt het arrest II “gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en om disproportioneel hoge straffen te vermijden in combinatie met de opgelegde gevangenisstraf”, de aan de eiser opgelegde belastingvermeerderingen van 200 procent tot 100 procent en herleidt het de aan de eiseres opgelegde belastingvermeerderingen voor het gedeelte dat haar tegenstelbaar is tot 10 procent; hierdoor bevat het arrest geen elementen die een wettigheidstoets mogelijk maken waaruit zou blijken hoe de appelrechters bij toepassing van artikel 450bis, eerste lid, WIB92, rekening hebben gehouden met de, al dan niet herleide, belastingverhogingen bij het opleggen van de gevangenisstraf aan de eiser en het uitspreken van een eenvoudige schuldigverklaring van de eiseres. 24. Artikel 450bis, eerste lid, WIB92 bepaalt dat de rechter, ten einde te vermijden dat een veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, bij de straftoemeting rekening houdt met de verschuldigde administratieve geldboeten en belastingverhogingen. 25. De rechter die, gelet op de verschuldigde belastingverhogingen, oordeelt dat aan de veroordeelde slechts een gevangenisstraf wordt opgelegd en geen geldboete, waar artikel 449 WIB92 hem de keuze laat de beide straffen op te leggen, houdt rekening met deze belastingverhogingen bij toepassing van artikel 450bis, eerste lid, WIB92, zonder dat hij verder moet aangeven dat daarmee tevens rekening werd gehouden bij het bepalen van de maat van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 26. Het arrest II (p. 36) veroordeelt de eiseres bij eenvoudige schuldigverklaring. Zij heeft derhalve geen belang bij de aangevoerde schending van artikel 450bis, eerste lid, WIB92. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. 27. Het arrest II (p. 36) veroordeelt de eiser tot een gevangenisstraf en oordeelt dat het opleggen van een geldboete niet opportuun is en gelet op de toegepaste belastingvermeerderingen ook overbodig is. Met die redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Achtste onderdeel 28. Het onderdeel voert aan dat in de gevallen waar krachtens artikel 29bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering geen strafvordering wegens identieke of in wezen dezelfde feiten van fiscale fraude op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld, de belastingadministratie ook niet over een zelfstandig vorderingsrecht op grond van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering beschikt en dat, indien het arrest wordt vernietigd omdat het onterecht de strafvordering ontvankelijk heeft verklaard, de vernietiging zich uitstrekt tot de beslissing die de door de verweerder ingestelde zelfstandige vordering ontvankelijk en gegrond verklaart. 29. Het onderdeel, dat uitsluitend betrekking heeft op een eventueel uit te spreken cassatie, behoeft geen antwoord. Tweede middel van de eisers 30. Het middel voert in al zijn onderdelen schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, de artikelen 28bis, § 3, tweede lid en 56, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest II oordeelt ten onrechte dat de uitnodiging tot verhoor van C. zonder relevantie is voor de beoordeling van de strafvordering en de vordering van de verweerder en steunt de schuldigverklaring van de eisers aan de feiten onder de telastlegging A ten onrechte op de verklaring van C. 31. Het arrest II (p. 15-18, nr. 3.5.3) oordeelt als volgt: - de verweerder en het openbaar ministerie verwijzen naar een lange reeks van feitelijke omstandigheden die ernstige en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen vormen dat de eiser in werkelijkheid hoofdverblijf houdt in B., minstens de zetel van zijn fortuin hier heeft gevestigd, en dat in de periode 2010-2019 de eisers niet enkel een wettelijk maar ook een feitelijk gezin vormden dat samen met hun beide kinderen woonde te G., […]; - zo wordt onder meer op relevante wijze verwezen naar de vaststellingen dat de eiser: • de Belgische nationaliteit heeft; • als advocaat was ingeschreven aan de balies van West-Vlaanderen (Brugge) en Gent; • sedert 29 november 2010 plaatsvervangend raadsheer was (

  1. is)in het hof van beroep te Gent; • zaakvoerder (bestuurder) was van een in Gent gevestigde advocatenvennootschap (de bv Advocaat H.R.) die hem tijdens (het grootste deel van) de incriminatieperiode een bezoldiging als bedrijfsleider (inclusief voordelen en forfaitaire terugbetaling van kosten) en/of dividend uitkeerde; • samen met de bv Advocaat H.R. in de betrokken periode deel uitmaakte van de advocatenassociatie R. en V., die aan voormelde bv een veelvoud uitkeerde van hetgeen aan de overige partners werd uitgekeerd; • als advocaat zeer actief was voor de Belgische rechtbanken, zoals blijkt uit de vaststelling dat over zijn tussenkomsten in de periode van 1 januari 2014 tot 13 maart 2019 meer dan duizendvijfhonderd Belgische krantenartikelen werden gepubliceerd; • tijdens de incriminatieperiode over een veertiental Belgische bankrekeningen beschikte; • klaarblijkelijk geen onderhoudsbijdrage betaald heeft voor de gemeenschappelijke kinderen, wat erop wijst dat de ouders niet gescheiden leefden; • naar aanleiding van een vlucht naar Z. op 9 december 2015 verklaarde dat hij naar zijn buitenverblijf in Z. vertrok, waarna zijn echtgenote en hun gemeenschappelijke kinderen twee dagen later eveneens naar Z. zijn afgereisd; - met betrekking tot deze laatste vaststelling ontkent de eiser deze verklaring te hebben afgelegd en stelt hij dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden doordat de naam van de douanebeambte tegenover wie deze verklaring zou zijn afgelegd, niet in het proces-verbaal wordt vermeld; nochtans is er niet de minste reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze laatste informatie; deze informatie, samen met de overige gegevens over de uitgevoerde douanecontrole, werd immers genoteerd voor geheel andere doeleinden en werd niet vergaard in het kader van het voorliggend gerechtelijk onderzoek met betrekking tot eventuele fiscale misdrijven, zodat geenszins te vrezen is dat de door de eiser gebruikte bewoordingen bewust verkeerd zouden zijn geïnterpreteerd; onderzoek naar het reisdoel van een passagier is in het kader van een douanecontrole zonder meer gebruikelijk; het feit dat de naam van de douanebeambte niet vermeld wordt in het proces-verbaal vormt geen schending van de rechten van verdediging van de eiser: hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid aan de onderzoeksmagistraat of ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging bijkomende onderzoekshandelingen te vragen en met name de voeging te vragen van het proces-verbaal van de douane waaruit deze informatie werd gehaald; bovendien heeft hij de gelegenheid gehad de verklaring tegen te spreken en, desgevallend, met stukken of andere middelen het werkelijke doel van zijn reis te duiden; de informatie opgenomen in het proces-verbaal 154130/2015 bevestigt, ten overvloede, de overige vaststellingen die in hun onderlinge samenhang aantonen dat het hoofdverblijf van de eiser en het centrum van zijn belangen in België was gelegen tijdens de volledige duur van de onderzochte periode; - verder verwijzen het openbaar ministerie en de verweerder zeer terecht nog naar: • de verklaring van C. over de wijze waarop het gezin van de eisers in de periode september 2018 tot juni 2019 functioneerde, namelijk als een normaal gezin met samenwonende echtgenoten en inwonende kinderen, waarbij de echtgenoten/ouders elk participeerden in de ouderlijke taken; • de verklaring van de eiseres aan de wijkinspecteur dat de eiser en zijzelf een gemeenschappelijke slaapkamer deelden in de woning aan de […]; • het feit dat officiële briefwisseling gericht aan het adres te […], herhaaldelijk niet werd opgehaald, hetgeen wijst op een niet-permanente bewoning; • de resultaten van het telefonie-onderzoek (mastlokalisatie) waaruit blijkt dat de eiser zich tussen 3 januari 2019 en 19 juni 2019 vierenvijftig dagen in het buitenland bevond, waarvan tweeëntwintig dagen in Z., en de overige honderdtwaalf dagen in B.; • de uitspraak van de eiser op 21 augustus 2021 tijdens een radio¬ interview dat hij in het pand gelegen te G. aan de […] verbleef (op de vraag van de journaliste of hij daar woonde, antwoordde de eiser: “Ja, awel, ik verblijf daar ja.”); • de analyse van de verrichtingen met de mastercard van de bv Advocaat H.R., op naam van de eiser, voor de periode 2014 tot 2019, waaruit blijkt dat slechts een beperkt aantal transacties (minder dan 15 procent) in Zwitserse Frank werden geboekt en dat de meeste transacties in Zwitserse Frank genoteerd werden tijdens schoolvakanties (de bewering of suggestie dat hij zijn bankkaart ook door niet nader genoemde derden zou hebben laten gebruiken is niet geloofwaardig); • het feit dat de eiser in B. over twee bedrijfsvoertuigen kon beschikken; • het lidmaatschap van de eiser van een Belgische golfclub; - op grond van deze relevant bevonden elementen moet besloten worden dat de eiser, naar Belgisch fiscaal recht, wel degelijk te beschouwen is als een Belgisch rijksinwoner, die niet enkel het overgrote deel van ieder fiscaal tijdperk in België verblijft en werkt, maar bovendien ook van hieruit zijn vermogen beheert. 32. Uit het geheel van deze redenen blijkt dat de overweging in verband met de verklaring van C. voor de appelrechters geen dragend motief is om te besluiten tot de schuldigverklaring van de eisers, terwijl de voor het overige niet-bekritiseerde redenen deze beslissing schragen. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is niet ontvankelijk. Derde middel van de eiser 33. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest II oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn slechts “in beperkte mate” is overschreden omdat de redelijke termijn pas is aangevangen op 27 september 2021; de vaststelling dat de eiser werd verhoord op 16 juni 2014 over feiten waarvoor hij buitenvervolging werd gesteld, houdt noodzakelijkerwijs de vaststelling in dat hij op 16 juni 2014 werd verhoord over feiten waarvoor de strafvervolging reeds was ingesteld en dus van zijn kennisname dat hij onder de dreiging van een strafvervolging leefde, waardoor hij verplicht werd bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldiging; aldus kunnen de appelrechters niet beslissen dat met dat verhoor geen rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van de aanvang van de redelijke termijn (eerste onderdeel); uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser na zijn verhoor van 16 juni 2014 verschillende verzoekschriften tot inzage in het strafdossier heeft ingediend; deze verzoekschriften werden niet onontvankelijk verklaard bij gebrek aan hoedanigheid zodat uit de neerlegging van deze verzoekschriften, waarvan het eerste dateert van 17 juni 2014, ontegensprekelijk blijkt dat de eiser een inverdenkinggestelde was en dat hij daarvan ook op de hoogte was; aldus leefde de eiser minstens sedert 17 juni 2014 onder de dreiging van een strafvervolging, waardoor hij verplicht was bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldiging, wat hij ook deed door onder meer de neerlegging van verzoekschriften tot inzage (tweede onderdeel). 34. Het middel komt op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest II of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is derhalve niet ontvankelijk. Vierde middel van de eiser en derde middel van de eiseres 35. Het middel voert schending aan van de artikelen 6, 13 en 14 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 26 IVBPR, de artikelen 10, 11, 13, 149 en 172, eerste lid, Grondwet, artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 569, 32° en 617, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de primauteit van het internationaal recht met rechtstreekse werking op het nationale recht, het algemeen rechtsbeginsel dat het gelijkheids- en anti-discriminatiebeginsel wordt genoemd en het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest II oordeelt ten onrechte dat de zelfstandige vordering van de verweerder ontvankelijk is. Eerste onderdeel 36. Het onderdeel voert aan dat het arrest II niet antwoordt op het door de eiser in zijn appelsyntheseconclusie gevoerde verweer over de ongrondwettigheid van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, die erin bestaat dat (
  2. i)de belastingplichtige tegen zijn wil, lopende de burgerlijke, fiscale procedure aan de natuurlijke rechter wordt onttrokken, (
  3. ii)daarover volkomen eenzijdig door de belastingadministratie wordt beslist en (iii) de belastingplichtige in geval van strafrechtelijke berechting met het voorrecht van rechtsmacht bovendien, in strijd met de gebruikelijke regels van de fiscale procedure waar de belastingplichtige een recht op dubbele aanleg heeft, tevens een aanleg verliest; de door de appelrechters per analogie toegepaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof van 30 september 2021 over de draagwijdte van artikel 283 AWDA beantwoordt niet de door de eiser geformuleerde kritiek; hetzelfde geldt ook voor het door het arrest II relevant geachte arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 januari 2025 in verband met de procedure van de subsidiaire aanslag. 37. De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een vormvoorschrift waaruit volgt dat aan de verplichting is voldaan indien een verweer wordt beantwoord, ongeacht de kwaliteit van dit antwoord. 38. Artikel 149 Grondwet noch enig algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter te antwoorden op een aanvoering die geen precies verweer bevat of waaruit de partij geen rechtsgevolg voor de te nemen beslissing afleidt. 39. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 40. Met de redenen vermeld op de pagina’s 27 tot en met 30 (nr. 3.9.1) beantwoordt en verwerpt het arrest II wel degelijk het in het onderdeel onder (
  4. i)vermelde verweer van de eiser dat de belastingplichtige door de toepassing van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, ongrondwettig en tegen zijn wil, lopende de burgerlijke, fiscale procedure aan de natuurlijke rechter wordt onttrokken. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 41. Uit dezelfde redenen noch uit de appelsyntheseconclusie van de eiser (p. 64-66) blijkt dat de eiser het in het onderdeel onder (
  5. ii)vermelde specifieke verweer dat de belastingadministratie volkomen eenzijdig beslist om de lopende zaken aan de fiscale rechter te onttrekken, in hoger beroep heeft aangevoerd. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. 42. Uit de appelsyntheseconclusie van de eiser (p. 66, nr. 116) blijkt bovendien dat de eiser met betrekking tot het in het onderdeel onder (iii) vermelde specifieke verweer dat de belastingplichtige in geval van strafrechtelijke berechting met het voorrecht van rechtsmacht een aanleg verliest slechts een “uitdrukkelijk voorbehoud” heeft geformuleerd. De appelrechters dienden niet te antwoorden op deze aanvoering, waaruit de eiser geen rechtsgevolg voor de te nemen beslissing heeft afgeleid. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 43. Het onderdeel voert aan dat het arrest II artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof schendt door op basis van de in het eerste onderdeel vermelde overwegingen, waaruit niet blijkt dat het Grondwettelijk Hof reeds werd gevat met een vraag met “een identiek onderwerp” en evenmin waarom artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de Grondwet “klaarblijkelijk” niet zou schenden, te weigeren de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. 44. Met de verwijzing naar de overwegingen van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 30 september 2021 (nr. 121/2021) en de redenen op pagina 30 van het arrest II, verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de in de door de eiser in hoger beroep voorgestelde prejudiciële vraag vermelde bepalingen klaarblijkelijk niet schendt, naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 45. Het onderdeel voert aan dat het arrest II door het ontvankelijk verklaren van de door de verweerder ingestelde zelfstandige vordering, aan de eisers, door het samenspel van de artikelen 479 en volgende Wetboek van Strafvordering, artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, in strijd met artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en de doelstelling van de wet van 23 maart 1999 waarmee artikel 617, derde lid, Gerechtelijk Wetboek werd ingevoerd, het recht op hoger beroep in verband met de aan hem opgelegde belastingverhogingen werd ontzegd. 46. Volgens artikel 617, derde lid, Gerechtelijk Wetboek zijn de door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet steeds vatbaar voor hoger beroep. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat zij geen andere doelstelling heeft dan een uitzondering te zijn op de aanleggrens voor hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg, zoals bepaald in artikel 617, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, gelet op het feit dat de som die in de inleidende akte wordt geëist moeilijk te bepalen is inzake inkomstenbelastingen. 47. Artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM garandeert het recht van eenieder die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, om zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld. Uit de toelichting bij deze bepaling en uit de uitlegging ervan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat aan de eis om zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht is voldaan wanneer de wet de verdachte toestaat om alleen rechtsvragen aan een hogere rechterlijke instantie voor te leggen, zoals de vragen die in een cassatieberoep aan het Hof worden voorgelegd. 48. Volgens artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM zijn bovendien uitzonderingen op dit recht mogelijk met betrekking tot lichte overtredingen, zoals bepaald in de wet, of in gevallen waarin de betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht of werd veroordeeld na een beroep tegen vrijspraak. 49. Een dergelijke uitzondering is artikel 479 Wetboek van Strafvordering, zoals hier van toepassing, en dat ook toepasselijk is op plaatsvervangende magistraten, dat bepaalt dat wanneer een raadsheer in het hof van beroep ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, de procureur-generaal bij het hof van beroep hem laat dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld. 50. Volgens artikel 482bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zoals hier van toepassing, worden bovendien de mededaders en medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de ambtenaar van de hoedanigheid als vermeld in artikel 479 van dat wetboek wordt vervolgd en de daders van de samenhangende misdrijven samen met de ambtenaar vervolgd en berecht. 51. Volgens artikel 4bis, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering neemt, in geval de strafvordering wordt ingesteld wegens de feiten bedoeld in de artikelen 29, §§ 2 en 3, en 29bis Wetboek van Strafvordering, de strafrechter benevens van de strafvordering tevens kennis van de burgerlijke vordering tot bevestiging van de titel of tot het verschaffen van een titel tot betaling van de betreffende belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren. Deze burgerlijke vordering betreft een zelfstandige vordering waarbij de bevoegde belastingadministratie tussenkomt in de strafzaak. 52. Uit de samenlezing van deze bepalingen en zonder dat artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM wordt geschonden, volgt dat tegen de beslissing van de correctionele kamer van een hof van beroep, die overeenkomstig de artikelen 479 en 482bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zoals hier van toepassing, gevat is met de strafvordering tegen een (plaatsvervangende) magistraat en tegen de mededaders en medeplichtigen van het misdrijf waarvoor de bij een misdrijf betrokken magistraat wordt vervolgd of de daders van de samenhangende misdrijven, over de burgerlijke vordering van de belastingadministratie die op grond van artikel 4bis, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering in de strafzaak tussenkomt, geen hoger beroep openstaat. Artikel 617, derde lid, Gerechtelijk Wetboek doet daaraan geen afbreuk. 53. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Vierde onderdeel 54. Het onderdeel voert aan dat artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zonder redelijke verantwoording een verschil in behandeling heeft ingevoerd tussen, eensdeels, de belastingplichtigen, van wie het fiscaal dossier wel bij de burgerlijke rechter blijft aangezien de belastingadministratie geen gebruik maakt van de hem geboden mogelijkheid waardoor de betrokken belastingplichtigen zelfs in fiscale fraudedossiers steeds de mogelijkheid behouden hoger beroep in te stellen en, anderdeels, de belastingplichtigen aan wie die mogelijkheid door de werking van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering juncto artikel 479 Wetboek van Strafvordering wordt ontzegd, zonder redelijke verantwoording; doordat het verschil in behandeling bovendien afhankelijk is van de eenzijdige beslissing van de belastingadministratie om al dan niet in toepassing van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering te ageren, bevat die bepaling geen objectieve maar slechts een subjectieve verantwoording voor het daardoor gecreëerde verschil in behandeling. Minstens wordt gevraagd de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 4bis van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10, 11, 13 en 172 van de Grondwet, al dan niet samen gelezen met de artikelen 14 EVRM juncto 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en artikel 26 IVBPR, in die zin geïnterpreteerd dat het de belastingadministratie toelaat om lopende een door de belastingplichtigen opgestarte burgerlijke procedure voor de krachtens artikel 569, 32° Ger.W. bevoegde fiscale rechtbank op volledig eenzijdige wijze die burgerlijke procedure naar de strafrechter, zetelend in eerste en laatste aanleg bij een hof van beroep, over te hevelen (waardoor de burgerlijke procedure wordt beëindigd) zodat de belastingplichtigen in strijd met artikel 617, derde lid Ger.W. en zonder enige redelijke, objectieve en pertinente verantwoording de mogelijkheid tot hoger beroep tegen de uitspraak over het fiscale geschil (daaronder begrepen belastingverhogingen die als sancties met strafkarakter in de zin van het EVRM worden beschouwd) wordt ontzegd, terwijl belastingplichtigen in een vergelijkbare situatie, maar waarbij de belastingadministratie, ofwel de burgerlijke vordering niet voor de strafrechter brengt, ofwel de burgerlijke vordering voor de strafrechter, zetelend in eerste aanleg bij een correctionele rechtbank brengt, wel conform artikel 617, derde lid Ger.W. hoger beroep kunnen instellen tegen de uitspraak over de fiscale vordering zodat het artikel 4bis VTSv. belastingplichtigen, die zich in vergelijkbare situaties bevinden, verschillend behandelt?” 55. Volgens artikel 4bis, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering worden de procedures voor de burgerlijke rechtbanken, die betrekking hebben op dezelfde vordering, zodra de burgerlijke vordering aanhangig is bij de strafrechter, opgeschort om verdergezet te worden voor de strafrechter. Volgens de tweede zin van het derde lid van die bepaling worden de procedures voor de burgerlijke rechtbanken beëindigd van zodra de strafrechter de zelfstandige burgerlijke vordering van de belastingadministratie ontvankelijk verklaart. 56. Uit de bewoordingen zelf van artikel 4bis, tweede en derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de wetsgeschiedenis en de doelstellingen van die bepaling, volgt dat de opschorting en de beëindiging van de procedures voor de burgerlijke rechtbanken automatisch het gevolg zijn van de toepassing van de wet, zonder dat zij afhankelijk zijn van een vrije keuze van de belastingadministratie om een reeds voor de burgerlijke rechtbanken ingestelde procedure al dan niet verder te zetten voor de strafrechter. 57. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 58. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting of uit de met het derde onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is het niet ontvankelijk. 59. Ook de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is gesteund op die onjuiste rechtsopvatting, zodat die vraag niet moet worden gesteld. Vijfde onderdeel 60. Het onderdeel voert aan dat artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, dat in de interpretatie van de appelrechters niet belet dat de door de belastingadministratie overgelegde stukken ook voor de beoordeling van de schuldvraag mogen worden gebruikt, een verschillende behandeling creëert tussen beklaagden die wegens feiten van fiscale fraude worden vervolgd door het openbaar ministerie en tevens het voorwerp uitmaken van de administratieve sanctionering, in functie van de vraag of en op welk moment de fiscale administratie haar recht onder artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering uitoefent; oefent de administratie dat recht uit, zal de beklaagde zich in de interpretatie van de appelrechters, immers op strafrechtelijk gebied niet alleen tegen de stukken van het strafdossier moeten verweren, maar ook tegen elk door de belastingadministratie bijkomend aangebracht stuk; oefent de administratie dat recht niet uit, zal de beklaagde zich op strafrechtelijk gebied enkel moeten verweren tegen het door het openbaar ministerie gebruikte strafdossier; doordat het verschil in behandeling bovendien afhankelijk is van de eenzijdige beslissing van de belastingadministratie om al dan niet in toepassing van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering te ageren, bevat die bepaling ook geen objectieve, maar slechts een subjectieve verantwoording voor het daardoor gecreëerde verschil in behandeling. Gevraagd wordt om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 4bis van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, in die zin geïnterpreteerd dat de strafvordering lastens de beklaagde die terechtstaat voor feiten bedoeld in de artikelen 29, §§2 en 3 en 29bis Sv., waarbij de belastingadministratie louter eenzijdig en zonder dat hierop rechterlijke controle van toepassing is, beslist om de fiscale vordering voor de strafrechter te brengen in toepassing van die bepaling, mede beoordeeld wordt op basis van de door de belastingadministratie neergelegde en niet in het strafdossier voorkomende proces¬ en stavingsstukken als belastend bewijsmateriaal, terwijl de strafvordering lastens de beklaagde die terechtstaat voor feiten bedoeld in de artikelen 29, §§2 en 3 en 29bis Sv., waarbij de belastingadministratie beslist om de fiscale vordering niet voor de strafrechter te brengen in toepassing van die bepaling, louter beoordeeld wordt op basis van de stukken van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het door artikel 6 EVRM beschermde recht op een eerlijk proces, al dan niet samen gelezen met artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR?” 61. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de met het vierde onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is niet ontvankelijk 62. De voorgestelde prejudiciële vraag wordt derhalve niet gesteld. Zesde onderdeel 63. Het onderdeel voert aan dat artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de belastingadministratie toelaat om, lopende een voor de burgerlijke rechter bij toepassing van artikel 569, 32°, Gerechtelijk Wetboek ingestelde fiscale vordering, op volledig eenzijdige en dus louter subjectieve wijze én tegen de wil van de belastingplichtige de fiscale procedure aan die natuurlijke fiscale rechter te onttrekken en voor de strafrechter te brengen ongeacht de stand van de lopende fiscale procedure en ongeacht of de belastingen ondertussen al dan niet zijn betaald, terwijl op de uitoefening van dat eenzijdig keuzerecht bovendien geen enkele vorm van rechterlijke controle is voorzien en er aldus prima facie een vraag rijst naar de verenigbaarheid van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering met artikel 13 Grondwet en het door de artikelen 6 en 13 EVRM al dan niet samen gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de burgerlijke rechter en/of dubbele aanleg. Gevraagd wordt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 4bis van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering artikel 13 van de Grondwet al dan niet samen met de artikelen 6 en 13 EVRM juncto artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en/of artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, in die zin geïnterpreteerd dat het de belastingadministratie toelaat om lopende een door de belastingplichtigen opgestarte burgerlijke procedure voor de fiscale rechtbank van eerste aanleg op volledig eenzijdige wijze, en ongeacht de stand van die procedure, die burgerlijke procedure voor de strafrechter (zetelend in laatste instantie) te brengen (waardoor de burgerlijke procedure wordt onttrokken aan de rechter bij wie ze regelmatig aanhangig werd gemaakt op basis van een louter eenzijdige en niet aan rechterlijke controle onderhevige beslissing van de belastingadministratie), zodat de belastingplichtigen niet meer op grond van objectieve criteria kunnen uitmaken welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil dat zij zelf opstarten?” 64. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de met het vierde onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is niet ontvankelijk 65. De voorgestelde prejudiciële vraag wordt derhalve niet gesteld. Vijfde middel van de eiser en vierde middel van de eiseres 66. De middelen voeren schending aan van de artikelen 149, 159, 170 en 172, tweede lid, Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat het legaliteitsbeginsel wordt genoemd en het algemeen rechtsbeginsel inzake de taak van de burgerlijke rechter (dat onder meer toepassing vindt in de artikelen 5 en 774 Gerechtelijk Wetboek) krachtens hetwelk de rechter, met eerbiediging van het recht van verdediging, ambtshalve moet bepalen welke rechtsnorm toepasselijk is op de voor hem regelmatig aangevoerde feiten en die norm moet toepassen op de hem voorgelegde vordering: het arrest II verklaart de zelfstandige vordering van de verweerder ten onrechte gegrond na te hebben vastgesteld dat de eisers geen inhoudelijk verweer tegen diens berekening voerden; uit geen enkele vermelding van het arrest II blijkt dat de appelrechters, na in het kader van de beoordeling van de strafvordering te hebben geoordeeld dat de eiser met bedrieglijk opzet de aangifte in de belasting der niet-inwoners natuurlijke personen indiende in plaats van de aangifte in de personenbelasting in de door de telastlegging gevatte inkomstenjaren en dat de eiseres door sedert 2012 afzonderlijke aangiftes in te dienen en zichzelf te omschrijven als alleenstaand of feitelijk gescheiden, geholpen heeft om het door haar echtgenoot reeds voor het huwelijk opgezette fraudemechanisme te bestendigen, nagaat of en in welke mate de bestreden aanslagen voor het overige in overeenstemming zijn met de procedurele en materiële bepalingen van de belastingwetten; het arrest stelt louter vast dat de eisers geen betwisting over de berekening van de aanslagen hebben gevoerd; dit ontheft de appelrechters evenwel niet van hun grondwettelijke plicht om, desnoods ambtshalve, na te gaan of de desbetreffende aanslagen overeenkomstig de wet zijn gevestigd; het arrest II bevat bovendien geen elementen die het het Hof mogelijk zouden maken de wettigheid van de uitspraak over de gegrondheid van de betrokken aanslagen wat de basisbelasting betreft na te gaan (eerste onderdeel); het arrest II stelt ten onrechte vast dat de eisers betwisting hebben gevoerd over de berekening van de aanslagen; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan en die door de verweerder aan de appelrechters werden voorgelegd, zijnde de bezwaarschriften over de aanslagjaren 2019 en 2020, blijkt immers dat er naast de voor alle aanslagen gevoerde betwisting over het beweerde Belgische rijksinwonerschap van de eiser, minstens voor de aanslagjaren 2019 en 2020 ook betwisting werd gevoerd over de berekening van de aanslagen en hun formele wettigheid (tweede onderdeel). 67. Uit artikel 149 Grondwet noch uit enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel volgt dat de rechter dient te antwoorden op de elementen die aan zijn beoordeling worden onderworpen indien ze niet in een conclusie worden aangevoerd. 68. De rechter moet ook niet antwoorden op door een partij ingediende stukken waarvan de inhoud niet werd hernomen in een regelmatig ingediende conclusie. Uit het gegeven dat hij niet uitdrukkelijk melding maakt van de ingediende stukken volgt niet dat de rechter die stukken niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. 69. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 70. Het arrest II (p. 30-31, nr. 3.9.2) beantwoordt en verwerpt het verweer van de eiser dat de zaak, wat de vorderingen van de verweerder betreft, niet in staat zouden zijn en stelt vast dat alle informatie aanwezig is om in deze zaak uitspraak te doen over alle onderdelen van de geldig aanhangig gemaakte vorderingen. Het arrest II (p. 32, nr. 3.9.3) beantwoordt en verwerpt tevens het door de eiseres gevoerde verweer in verband met de gevestigde aanslagen met betrekking tot de aangevoerde afwezigheid van een bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden en in verband met de motivering van de belastingverhogingen. Het arrest II (p. 33, nr. 3.9.4) stelt tenslotte vast dat de eisers geen betwisting hebben gevoerd over de berekeningen van de aanslagen en verklaart de vordering van de verweerder, wat de basisbelasting betreft, gegrond. 71. Met het geheel van deze redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoets uit te oefenen, geven de appelrechters te kennen dat de aanslagen die het voorwerp uitmaken van de vorderingen van de verweerder overeenkomstig de wet zijn gevestigd en beantwoorden zij het in de appelsyntheseconclusies van de eisers beperkt gevoerde verweer over de vorderingen van de verweerder, zonder dat op hen een verdergaande motiveringsverplichting rustte. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiseres 72. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 17 IVBPR, artikel 22 Grondwet en artikel 156 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen inzake het recht van verdediging in strafzaken en de bewijslast in strafzaken: het arrest II verwerpt ten onrechte de door de eiseres ingeroepen rechtvaardigingsgrond, bestaande uit de morele onmogelijkheid om te getuigen tegen de eiser dan wel aangifte te doen bij de belastingadministratie tegen de eiser, haar wettige echtgenoot en vader van haar kinderen, op grond dat indien zij van oordeel was dat de aangifte van haar echtgenoot onjuist was, zij de belastingadministratie hiervan had moeten en kunnen verwittigen; een echtgenote kan niet worden verplicht te getuigen tegen haar echtgenoot die verdacht wordt van een strafrechtelijk beteugelde inbreuk of daarvan aangifte te doen bij de overheid; er anders over oordelen houdt een ontoelaatbare inmenging in het privéleven in. 73. Het arrest II (p. 26, nr. 3.8.3.) oordeelt over de schuldigverklaring van de eiseres als volgt: - ook de eiseres heeft gehandeld met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden; - haar bewering dat zij genoodzaakt was om een afzonderlijke aangifte in te dienen en zich kenbaar te maken als een alleenstaande met kinderen of feitelijk gescheiden echtgenote en dit meteen na hun huwelijk (vanaf inkomstenjaar 2011), vermits haar echtgenoot in Z. was gedomicilieerd, is niet geloofwaardig; - hetzelfde geldt voor de verklaring van de boekhouder die met het opstellen en indienen van de aangifte was belast; - het feit dat de belastingadministratie vooraf bepaalde zaken automatisch invult (bijvoorbeeld op grond van de afzonderlijke domiciliëring van echtgenoten) ontslaat de belastingplichtige niet van de verplichting deze gegevens te verifiëren; - enkel de belastingplichtige is verantwoordelijk voor de gegevens vermeld in de aangifte; - indien de eiseres van oordeel was dat de aangifte van haar echtgenoot onjuist was, had zij de belastingadministratie hiervan moeten en kunnen verwittigen; - even juridisch onderlegd als haar toenmalige echtgenoot kan zij niet onwetend zijn geweest van het feit dat deze laatste er in Z. een fictieve fiscale woonplaats op nahield en dat hij in werkelijkheid te beschouwen was als een Belgisch rijksinwoner; - de uiteenzetting in haar conclusie dat zij niet te kwader trouw heeft gehandeld omdat zij in verwarring was gebracht door de verschillende betekenis van het begrip 'alleenstaande' in het gewone taalgebruik en in het fiscaal recht, is niet ernstig te nemen en een advocaat onwaardig; - door sedert het aanslagjaar 2012 afzonderlijke aangiftes in te dienen en zichzelf te omschrijven als alleenstaande of feitelijk gescheiden, heeft zij geholpen om het door haar echtgenoot reeds voor het huwelijk opgezette fraudemechanisme te bestendigen, ook al wordt de eiseres thans niet vervolgd als mededader van het eerste onderdeel van de telastlegging, het niet indienen van een aangifte in de Belgische personenbelasting door de eiser; - van dit fraudemechanisme heeft zij minstens onrechtstreeks voordeel genoten door de toename van de financiële draagkracht van het gezin; - bovendien heeft zij ieder jaar voor zichzelf een wederrechtelijk belastingvoordeel gecreëerd; - het feit dat dit niet hoger zou zijn geweest dan 680,00 euro per jaar, doet hieraan niets af; - ook voor de eiseres geldt dat zij zich niet kan verschuilen achter het feit dat de aangifte werd ingediend door een mandataris; - de belastingplichtige kan de verplichtingen die de wet hem of haar oplegt niet overdragen aan een derde; - de eiseres was de enige die de strafrechtelijke en burgerlijke verantwoordelijkheid draagt voor de vermeldingen opgenomen in haar fiscale aangiftes. 74. Met deze redenen verwijt het arrest II de eiseres niet dat zij niet tegen de eiser heeft getuigd of aangifte tegen hem heeft gedaan, maar wel dat zij zelf verantwoordelijk was voor de juistheid van haar eigen fiscale aangiftes, waarbij zij met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden niet correct heeft gehandeld. Het middel berust derhalve op een onjuiste lezing van het arrest II en mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 75. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 260,21 euro, waarvan de eiser I-II 151 euro is verschuldigd en de eiseres III 109,21 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Peter Hoet, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 oktober 2025 uitgesproken door waarnemend voorzitter Peter Hoet, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.28 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.