id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.a - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0729.N S. A., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. David Dendoncker, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 16 april
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 155 en 190ter Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat er geen sprake is van valse getuigenis en op grond daarvan het verzoek af te wijzen om bij toepassing van artikel 181 Wetboek van Strafvordering onmiddellijk uitspraak te doen, miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtszitting van 11 december 2024; uit dit proces-verbaal blijkt dat de inspecteurs P. en H. onder ede manifest tegenstrijdige getuigenissen hebben afgelegd; de appelrechters laten het proces-verbaal van de rechtszitting dan ook iets anders zeggen dan wat het werkelijk uitdrukt; zij leiden er gevolgen uit af die niet kunnen worden gerechtvaardigd op basis van de inhoud ervan.
- De artikelen 155 en 190ter Wetboek van Strafvordering zijn vreemd aan de grief over de miskenning van de bewijskracht van een akte. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij de akte doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht indien de rechter uit het geschrift louter een feitelijk of juridisch gevolg afleidt.
- Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel leiden de appelrechters uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 11 december 2024 louter een gevolg af. Zij miskennen dan ook niet de bewijskracht van die akte. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 219 Strafwetboek en artikel 181 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat er geen sprake is van het misdrijf van valse getuigenis en het laat aldus ten onrechte het verzoek van de eiseres om de toepassing van artikel 181 Wetboek van Strafvordering buiten beschouwing; daardoor blijft ook het ter zake door de eiseres in haar appelconclusie aangevoerde middel onbeantwoord; op grond van de volgende algemene motieven, namelijk: “[de eiseres] zich heeft kunnen verdedigen”, “Niets maakt bovendien aannemelijk gelet op het verstreken tijdsverloop dat de verbalisanten (...) een leugenachtige verklaring hebben afgelegd en/of niet naar waarheid hebben geantwoord op de door hen gestelde vragen”, “De nodige informatie over het invullen van het formulier werd verschaft”; “Bovendien valt uit de verklaringen van de beide inspecteurs af te leiden dat de verklaring op het invulformulier deze van [de eiseres] betrof”, kunnen de appelrechters onmogelijk wettig afleiden dat er geen sprake is van het misdrijf van valse getuigenis.
- Artikel 219 Strafwetboek is van toepassing indien de getuigenis wordt afgelegd op het ogenblik dat de beklaagde wordt vervolgd voor een overtreding. Die strafbepaling is niet van toepassing indien de getuigenis wordt afgelegd op een ogenblik dat de beklaagde wordt vervolgd voor een misdrijf dat kan worden gestraft met correctionele straffen, ook al geschiedt de vervolging voor de politierechtbank of voor de correctionele rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 219 Strafwetboek, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een getuige een valse getuigenis heeft afgelegd in de zin van artikel 218 Strafwetboek betreffende de valse getuigenis in correctionele zaken.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op grond van de redenen die het bestreden vonnis (p. 5, randnr. 4.2) bevat en die het onderdeel vermeldt, kunnen de appelrechters wettig oordelen dat er geen sprake is van het misdrijf van valse getuigenis. Met die redenen geven ze ook te kennen dat er geen reden is om artikel 181 Wetboek van Strafvordering toe te passen. Aldus beantwoorden de appelrechters het door het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis laat na concreet te antwoorden op het middel van de eiseres over de duistere omschrijving van de telastleggingen, alsook om de vervolgde en bewezenverklaarde feiten op een voldoende nauwkeurige en eenduidige wijze te bepalen, zodat verweer kan worden gevoerd; de verwijzingen in het bestreden vonnis, namelijk “een klein kind van vier jaar vervoerde dat de veiligheidsgordel niet correct droeg en dat niet in een aangepast kinderbeveiligingssysteem zat en twee kinderen toen zeven en negen jaar oud die helemaal geen gordel droegen”; “hoewel de feiten niet concreet ten aanzien van een bepaalde passagier gesitueerd werden, zoals de verdediging aanhaalde”; “Rekening houdend met alle elementen van het strafdossier, waaronder de materiële vaststellingen zoals de verbalisanten deze opnamen in het aanvankelijk proces-verbaal, waarvan [de eiseres] niet het bewijs van het tegendeel leverde, staat vast dat [de eiseres] op 9 mei 2022 als bestuurder van haar voertuig Volkswagen Sharan - in strijd met art. 35.1.1, tweede lid Wegcode - heeft nagelaten om een kind van minder dan 18 jaar en kleiner dan 135 cm te vervoeren in een voor dat kind geschikt kinderbeveiligingssysteem en - in strijd met art. 35.1.3 Wegcode - heeft nagelaten om het kinderbeveiligingssysteem te gebruiken op een wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedde of kon beïnvloeden”; “de rechtbank verwijst (...) naar de vaststelling dat tevens twee andere kinderen op de achterbank geen drager waren van de veiligheidsgordel”; “De rechtbank is van oordeel dat (...) [de eiseres] (...) er had op moeten toezien dat de kinderen in een geschikt kinderbeveiligingssysteem werden vervoerd”; “De rechtbank wijst er in casu evenwel op dat de verbalisanten (…) een kind zonder veiligheidsgordel op de voorste passagiersstoel opmerkten (...) en twee andere kinderen geen gordel droegen”; “[de eiseres] (erkende) (...) deze inbreuken”; “[De eiseres] vervoerde een minderjarig kind, kleiner dan 135 centimeter, zonder gebruik te maken van het vereiste kinderzitje en zonder dat het zelfs op correcte wijze drager was van de veiligheidsgordel. Twee andere minderjarige kinderen waren ook geen drager van de veiligheidsgordel, zodat het ingebouwde kinderbeveiligingssysteem niet het ermee beoogde beschermend effect kon hebben”, alsook naar de “meerderheid van de inbreuken” zijn beperkt tot vage bewoordingen.
- Uit artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging volgt dat een beklaagde voldoende moet wordt ingelicht over de hem ten laste gelegde feiten. Deze inlichtingen kunnen volgen uit de dagvaarding, alsook uit de stukken van het strafdossier waarvan de beklaagde kennis heeft kunnen nemen en waarover hij zich heeft kunnen verdedigen.
- De rechter oordeelt onaantastbaar welk precies feit het voorwerp van de telastlegging uitmaakt en of de beklaagde beschikt over voldoende inlichtingen om zich daarover te verdedigen.
- Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de in de dagvaarding vermelde telastlegging A bestaat erin dat de eiseres als bestuurster van een auto die aan het verkeer op de openbare weg deelneemt, heeft nagelaten een kind van minder dan 18 jaar en kleiner dan 135 centimeter in een voor hem geschikt kinderbeveiligingssysteem te vervoeren in overeenstemming met artikel 35.1.1, tweede lid, Wegverkeersreglement; - de in de dagvaarding vermelde telastlegging B bestaat erin dat de eiseres als bestuurster of passagier van een voertuig dat aan het verkeer op de openbare weg deelneemt, de veiligheidsgordel te hebben gebruikt op een wijze die de beschermde werking ervan negatief beïnvloedde of kon beïnvloeden in overeenstemming met artikel 35.1.3 Wegverkeersreglement; - uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat de bestuurster een klein kind van vier jaar vervoerde dat de veiligheidsgordel niet correct droeg en niet in een aangepast kinderbeveiligingssysteem zat, alsook dat twee kinderen op de achterbank helemaal geen gordel droegen, waaruit blijkt dat geen van de kinderen zich in een geschikt kinderbeveiligingssysteem bevonden; - er is geen sprake van een obscuri libelli zoals aangehaald ter rechtszitting en in de appelconclusie van de eiseres omdat de formulering van de telastleggingen A en B en de toevoeging van de wetsbepalingen die zouden zijn overtreden, het voor de eiseres al van bij de aanvang van de gerechtelijke procedure duidelijk maakte voor welke feiten zij werd vervolgd; - de duidelijke tekst van de oorspronkelijke dagvaarding, samen met de stukken van het strafdossier, waarvan de eiseres kennis kon nemen vóór de zaak werd behandeld op de rechtszitting van de politierechtbank, liet de eiseres toe om zich passend te verdedigen; - hoewel de feiten niet concreet ten aanzien van een bepaalde passagier werden gesitueerd, is het voor de eiseres voldoende duidelijk voor welke feiten, gesitueerd in tijd en ruimte, zij zich moet verantwoorden, te meer de gegevens uit het strafdossier kunnen dienen om de inhoud van de aanhangigmakende akte te interpreteren; - rekening houdend met alle elementen van het strafdossier, waaronder de materiële vaststellingen zoals door de verbalisanten opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal, waarvan de eiseres niet het bewijs van het tegendeel heeft geleverd, staat vast dat de eiseres in strijd met artikel 35.1.1, tweede lid, Wegverkeersreglement heeft nagelaten om een kind minder van 18 jaar en kleiner dan 135 centimeter te vervoeren in een voor dat kind geschikt kinderbeveiligingssysteem, alsook en in strijd met artikel 35.1.3 Wegverkeersreglement heeft nagelaten om het kinderbeveiligingssysteem te gebruiken op een wijze die de beschermde werking ervan niet negatief beïnvloedde; - de telastlegging B wordt aangevuld, zonder dat dit raakt aan de vervolgde feiten en de geschonden wetsbepaling, door na “veiligheidsgordel”, “en het kinderbeveiligingssysteem” toe te voegen conform de wettekst, waarbij deze aanvulling slaat op dezelfde feiten als deze aanhangig gemaakt bij de dagvaarding en het laat deze feiten onverlet; - de eiseres vervoerde aldus een minderjarig kind, kleiner dan 135 centimeter, zonder gebruik te maken van het vereiste kinderzitje en zonder dat het zelfs op correcte wijze drager was van de veiligheidsgordel, alsook twee andere minderjarige kinderen die ook geen drager waren van de veiligheidsgordel, zodat het ingebouwde kinderbeveiligingssysteem niet het ermee beoogde beschermend effect kon hebben.
- Op grond van deze redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de feiten onder de telastleggingen A en B voldoende precies werden omschreven en dat de eiseres over voldoende informatie beschikte om zich over die feiten te verdedigen. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het bestreden vonnis het door het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 145 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 35.1.1 en 35.1.3 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis vult de omschrijving van de telastlegging B aan met de woorden “en het kinderbeveiligingssysteem” en het verklaart de eiseres schuldig aan de aldus aangevulde telastlegging B, terwijl de appelrechters met deze heromschrijving een feit viseren dat onmogelijk met de dagvaarding kan zijn bedoeld omdat dit feit enkel betrekking had op het gebruik van de veiligheidsgordel.
- In correctionele- of politiezaken maakt de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding om voor het vonnisgerecht te verschijnen, niet de daarin vermelde kwalificatie en omschrijving bij het vonnisgerecht aanhangig, maar wel de feiten zoals ze blijken uit de stukken van het onderzoek of het opsporingsonderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen.
- Die kwalificatie is in wezen voorlopig en het vonnisgerecht, ook in hoger beroep, heeft het recht en de plicht om, mits het recht van verdediging te eerbiedigen, aan de ten laste gelegde feiten de juiste kwalificatie en omschrijving te geven en het mag daartoe de vermeldingen van de telastleggingen aanpassen, verbeteren en aanvullen.
- Het vonnisgerecht moet daarbij wel bij de feiten blijven, zoals die bepaald of bedoeld zijn in de akte die de zaak aanhangig maakt.
- De rechter oordeelt op grond van de gegevens van de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding en van het strafdossier onaantastbaar of de feiten die hij onder de aangepaste omschrijving bewezen verklaart, werkelijk die zijn welke het voorwerp uitmaken van de vervolging of daaraan ten grondslag liggen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat door aan de omschrijving van de telastlegging B door na “veiligheidsgordel” de woorden “en het kinderbeveiligingssysteem” toe te voegen overeenkomstig de wettekst, er niet wordt geraakt aan de vervolgde feiten en de geschonden wetsbepaling en de aanvulling dan ook slaat op dezelfde feiten als aanhangig gemaakt bij de dagvaarding. In zoverre het onderdeel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a en b EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het bestreden vonnis vult de omschrijving van de telastlegging B aan met de woorden “en het kinderbeveiligingssysteem” en verklaart de eiseres schuldig aan de aldus aangevulde telastlegging B, zonder evenwel de eiseres de mogelijkheid te geven zich hierover te verweren; het vervoeren van een minderjarige zonder dat deze de gordel draagt, maakt een andere feitelijke gedraging uit dan het vervoeren van een minderjarige kleiner dan 135 centimeter zonder dat het kinderbeveiligingssysteem wordt gebruikt op de wijze die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt.
- In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het tweede onderdeel is het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen te verwerpen.
- Uit artikel 6.1 en 6.3.a en b EVRM en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging volgt dat de rechter een omschrijving van een telastlegging slechts kan wijzigen indien de beklaagde de gelegenheid heeft om daarover verweer te voeren. Dit veronderstelt in de regel dat de beklaagde wordt verwittigd van een mogelijke heromschrijving. Een dergelijke verwittiging is evenwel niet vereist indien blijkt dat de beklaagde zich over de doorgevoerde wijziging van de omschrijving daadwerkelijk heeft verdedigd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat twee kinderen op de achterbank geen drager waren van de veiligheidsgordel.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat de telastlegging B erin bestaat “als bestuurder of passagier van een voertuig die aan het verkeer op de openbare weg deelneemt, de veiligheidsgordel te hebben gebruikt op een wijze die de beschermde werking ervan negatief beïnvloedde of kon beïnvloeden” in overeenstemming met artikel 35.1.3 Wegverkeersreglement, alsook dat de in de dagvaarding opgenomen omschrijving van de telastlegging B wordt aangevuld door na “veiligheidsgordel”, “en het kinderbeveiligingssysteem” toe te voegen en dit in overeenstemming met de wettekst, waarbij deze aanvulling slaat op dezelfde feiten als deze aanhangig gemaakt met de dagvaarding. De omschrijving van de telastlegging B werd dan ook in die zin aangevuld dat de twee kinderen die op de achterbank in een kinderbeveiligingssysteem zaten geen gordel droegen, waardoor de beschermende werking ervan negatief werd beïnvloed of kon worden beïnvloed.
- Uit de appelconclusies van de eiseres blijkt dat zij zich wat dit aspect van de aangevulde omschrijving van de telastlegging heeft verdedigd. Derhalve vereiste deze aanvulling van de omschrijving van de telastlegging B geen verwittiging. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste, tweede en derde onderdeel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek en artikel 35.1.1, eerste lid, en 35.1.3 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis oordeelt dat de eiseres zich niet kan beroepen op de rechtvaardigingsgrond morele dwang omdat er voor de toepassing van artikel 35.1.1, eerste lid, en 35.1.3 Wegverkeersreglement geen uitdrukkelijke schuldvorm is bepaald en een loutere materiële overtreding uit onachtzaamheid voldoende is, terwijl de in artikel 71 Strafwetboek bepaalde rechtvaardigingsgrond van overmacht geldt voor alle misdrijven en dus ook voor de niet-opzettelijke zoals de inbreuken op artikel 35.1.1, eerste lid, en 35.1.3 Wegverkeersreglement, die naast een materiële gedraging ook een moreel element vereisen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 71 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis laat na het morele bestanddeel bij de eiseres te onderzoeken en het beantwoordt niet het verweer van de eiseres in haar syntheseberoepconclusie over de overmacht door morele dwang. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 71 Strafwetboek, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 35.1.3 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis laat na te antwoorden op het verweer in de syntheseappelconclusie van de eiseres over overmacht door morele dwang inzake het niet-dragen van een gordel zoals vooropgesteld in de telastlegging B.
- Morele dwang is geen rechtvaardigingsgrond maar een schuldontheffingsgrond. In zoverre het eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de eiseres beroept zich ten onrechte op de schuldontheffingsgrond morele dwang bij toepassing van artikel 71 Strafwetboek; - voor de toepassing van artikel 35.1.1 en 35.1.3 Wegverkeersreglement is er geen uitdrukkelijke schuldvorm bepaald en is een louter materiële overtreding uit onachtzaamheid voldoende; - ongeacht de beweerde bewogen omstandigheden waarin de eiseres zich op het moment van de feiten bevond, doordat haar dochter ziek zou zijn geworden en het, zoals de eiseres zelf op de rechtszitting verklaarde, chaotisch was, had zij erop moeten toezien dat de kinderen in een geschikt kinderbeveiligingssysteem werden vervoerd.
- Daaruit volgt niet dat de schuldontheffingsgrond van morele dwang niet kan worden toegepast op de overtredingen van artikel 35.1.1, eerste lid, en 35.1.3 Wegverkeersreglement of dat deze overtredingen geen moreel bestanddeel vereisen. In zoverre berusten het eerste en het tweede onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en missen ze feitelijke grondslag.
- Met de voormelde redenen geven de appelrechters te kennen dat er geen sprake is van morele dwang als bedoeld door artikel 71 Strafwetboek en verantwoorden ze die beslissing naar recht. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.b EVRM en artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters hebben ten onrechte nagelaten de eiseres bij toepassing van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering nieuwe conclusietermijnen toe te kennen om schriftelijk te repliceren op de mondelinge vordering van het openbaar ministerie over de aangevoerde rechtvaardigingsgronden, niettegenstaande de eiseres daarover in haar syntheseappelconclusie een voorbehoud had geformuleerd; er wordt ook niet gemotiveerd waarom op dit verzoek niet wordt ingegaan.
- De rechter moet geen acht slaan op een voorbehoud dat een partij zichzelf toekent om aanvullend over een bepaald aspect te concluderen. Anders oordelen zou elke ordentelijke procesgang beletten. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis dat een overschrijding van de redelijke termijn aanneemt, laat het Hof niet toe vast te stellen dat de opgelegde straf objectief en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn; er wordt louter een algemene stijlformule gehanteerd.
- De rechter die een overschrijding van de redelijke termijn aanneemt, kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd zonder die overschrijding. In dat geval is de rechter niet ertoe gehouden uitdrukkelijk melding te maken van de concrete straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet was overschreden. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter vaststelt dat de door hem opgelegde straf lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - rekening houdend met de aard en de relatief beperkte complexiteit van de zaak en de duur van de periode zonder relevante activiteit vanwege de gerechtelijke overheid, in het bijzonder tussen de datum van het aantekenen van het hoger beroep, enerzijds, en de behandeling van de zaak in hoger beroep, anderzijds, is in dit geval sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken zoals bedoeld door artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; - de rechtbank houdt bij het bepalen van de aard en de omvang van de bestraffing rekening met de overschrijding van de redelijke termijn; - de overschrijding is niet van die aard dat enkel de eenvoudige schuldigverklaring kan worden uitgesproken omdat deze sanctie manifest ontoereikend is; - de gunst van de opschorting maakt evenmin een adequate bestraffing uit omdat een loutere dreiging met een straf een onvoldoende krachtig signaal is om het rijgedrag van de eiseres gunstig te beïnvloeden; - rekening houdend met wat voorafgaat en met de doelstellingen van de straftoemeting, namelijk vergelding en preventie, zijn voor de telastleggingen A en B samen een effectieve geldboete van 50,00 euro, meer de opdeciemen, en als bijkomende straf een effectief verval van het recht tot sturen voor een periode van 15 dagen, voldoende en absoluut noodzakelijk; - er blijkt niet dat deze geldboete de financiële draagkracht van de eiseres te boven gaat; - het is noodzakelijk de eiseres een periode te ontzetten uit het recht tot sturen omdat dit een efficiënt sanctioneringsmiddel is dat in het dagelijks leven doorgaans als bijzonder onaangenaam wordt ervaren; - meer mildheid betonen door toepassing te maken van opschorting, uitstel en probatie, zou de eiseres onvoldoende confronteren met het onaanvaardbaar karakter van haar handelen en haar niet ertoe aanzetten zich in de toekomst te conformeren aan de geldende verkeersregels.
- Uit deze redenen blijkt dat de appelrechters aan de eiseres een straf hebben opgelegd die lager ligt dan de straf die zij bij niet-overschrijding van de redelijke termijn zouden hebben opgelegd. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters vergenoegen zich voor wat betreft de impact van de redelijke termijn op de bestraffing tot een algemene stijlformule, terwijl de rechter de keuze voor straffen en hun maat indien de wet die aan zijn vrije beoordeling overlaat nauwkeurig moet motiveren; het bestreden vonnis laat na het door de appelrechters toegepaste artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering te vermelden.
- De bijzondere motiveringsplicht die volgens artikel 195, vijfde en negende lid, Wetboek van Strafvordering rust op de correctionele rechtbank die uitspraak doet in hoger beroep betreffende het verval van het recht tot het besturen van een voertuig, is vreemd aan de motiveringsverplichting van de rechter die een overschrijding van de redelijke termijn aanneemt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis (p. 8, randnr. 5.4) vermeldt bij de beoordeling van het redelijketermijnverweer van de eiseres wel degelijk artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel eenzelfde strekking heeft als het eerste onderdeel moet het om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen worden verworpen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940208.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div