id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.6 Rolnummer: P.25.0845.N Zaak: H. contra ATHLON CAR LEASE BELGIUM Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-11-06 Raadplegingen: 442 - laatst gezien 2026-06-15 09:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van het verzoek van een beklaagde om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen, waarbij de rechter onder meer rekening kan houden met de aard van die onderzoekshandelingen, de bijzonderheid van de zaak, de op het spel staande belangen van alle partijen, de reeds aanwezige beoordelingselementen en de mate waarin een beklaagde aannemelijk maakt dat die daden vereist zijn voor de eerbiediging van zijn recht op een eerlijk proces en recht van verdediging; het enkele feit dat een beklaagde als gevolg van een onregelmatige oproeping voor de raadkamer de onderzoeksrechter niet heeft kunnen vragen om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen, doet voor de vonnisrechter echter niet de verplichting ontstaan om zelf de uitvoering van die onderzoekdaden te bevelen en de gemotiveerde verwerping van het verzoek van een partij om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen, impliceert niet automatisch een miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.25.0845.N Y. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Veronique De Hertogh, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen ATHLON CAR LEASE BELGIUM nv, met zetel te 1830 Machelen (BT), Peutiesesteenweg 115, ON 0425.260.272, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 6 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest verklaart de procedurele grief van de eiser dat de beschikking van de raadkamer onregelmatig is, niet ontvankelijk omdat het vonnisgerecht, uitgezonderd de regels inzake zijn bevoegdheid, niet bevoegd is om zich uit te spreken over de wettigheid van de verwijzingsbeschikking; de eiser werd op een onjuist adres en dus onregelmatig opgeroepen voor de raadkamer; zodoende werd hem het recht ontnomen om de uitvoering van aanvullend onderzoek te vragen, werd hij in zijn verdediging beperkt omdat hij niet tijdig kennis kon nemen van de inhoud van het strafdossier, is hem de mogelijkheid ontnomen de verwijzingsbeslissing te laten toetsen door de kamer van inbeschuldigingstelling en is het beginsel van de wapengelijkheid miskend doordat andere partijen desgevallend wel om de uitvoering van aanvullend onderzoek hebben kunnen verzoeken; bijgevolg is het recht van verdediging van de eiser miskend; het komt aan het vonnisgerecht toe vast te stellen dat de zaak niet aanhangig is gemaakt omdat de verwijzingsbeslissing door een zodanige onregelmatigheid is aangetast dat ze voor onbestaande moet worden gehouden; gelet op de miskenning van het recht van verdediging is de strafvordering ten onrechte ontvankelijk verklaard, dienden de eerste rechter en de appelrechters zich onbevoegd te verklaren en diende de verwijzingsbeschikking voor onbestaande te worden gehouden; dit betreft een ambtshalve middel overeenkomstig artikel 210 Wetboek van Strafvordering.
- Het appelgerecht moet enkel een ambtshalve grief aanvoeren in de zin van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering indien het zelf oordeelt dat daartoe een reden is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt niet vast dat de eiser heeft aangevoerd dat zijn recht van verdediging werd miskend ingevolge de ingeroepen onregelmatigheid in zijn oproeping voor de raadkamer. Een dergelijke aanvoering blijkt evenmin uit enig stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, met inbegrip van eisers in het middel aangehaalde appelconclusie. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Met de in het onderdeel vermelde redenen oordeelt het arrest (p. 6), eensdeels, dat de eiser in zijn appelconclusie heeft gealludeerd op zijn in zijn grievenformulier aangevoerde grief inzake de beweerde onregelmatigheid van de verwijzingsbeschikking, hoofdzakelijk om uit te leggen waarom hij de aan de appelrechters gevraagde aanvullende onderzoekshandelingen niet reeds in de fase van de regeling van de rechtspleging heeft gevraagd en, anderdeels, dat het vonnisgerecht, uitgezonderd de regels inzake zijn bevoegdheid, niet bevoegd is om zich uit te spreken over de wettigheid van de verwijzingsbeslissing. Verder verwerpt het arrest op gemotiveerde wijze het onschuldverweer van de eiser met inbegrip van zijn verzoek om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen en verklaart het hem schuldig aan de telastlegging, zonder dat uit enig stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in de procedure voor de vonnisrechters op enige concrete wijze is gehinderd in de volwaardige uitoefening van zijn recht van verdediging. Bijgevolg is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 135, § 3, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de verwijzingsbeschikking vermeldt dat zij werd gewezen op 28 mei 2020; nazicht van het strafdossier tijdens de fase ten gronde leerde de eiser dat die beschikking in werkelijkheid dateerde van 28 mei 2021; dit heeft onherstelbare gevolgen aangezien de eiser, op het ogenblik van de eerste consultatie van de verwijzingsbeschikking, in de veronderstelling verkeerde dat de termijn bepaald in artikel 135, § 3, Wetboek van Strafvordering reeds was verstreken, zodat geen rechtsmiddel meer kon worden aangewend en de verwijzingsbeslissing definitief was geworden; dit betreft niet zonder meer een materiële vergissing die overeenkomstig artikel 794 Gerechtelijk Wetboek kan worden verbeterd.
- De omstandigheid dat de verwijzingsbeschikking ingevolge een materiële vergissing een te vroege datum vermeldde, zodat de eiser op het moment van de consultatie van die beschikking uitging van de veronderstelling dat zij definitief was, kan hem niet grieven wanneer de vonnisrechter oordeelt op de wijze en in de omstandigheden zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op een eerlijk proces: het arrest verwerpt ten onrechte het verzoek van de eiser tot het uitvoeren van aanvullende onderzoekshandelingen, namelijk een schriftonderzoek, een voeging van camerabeelden en een confrontatieverhoor, omdat die onderzoekshandelingen niet noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding; de eiser heeft zijn verzoek omstandig gemotiveerd en de noodzaak van het aanvullend onderzoek benadrukt in het kader van zijn onschuldverweer; het arrest leidt niet-aanneembare gevolgen af uit de feiten die het vaststelt; dit geldt des te meer daar de eiser niet om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen heeft kunnen vragen tijdens het gerechtelijk onderzoek en er niet wordt geremedieerd aan de onregelmatigheid tijdens de fase van de regeling van de rechtspleging.
- In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van het verzoek van een beklaagde om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen. De rechter kan daarbij onder meer rekening houden met de aard van die onderzoekshandelingen, de bijzonderheid van de zaak, de op het spel staande belangen van alle partijen, de reeds aanwezige beoordelingselementen en de mate waarin een beklaagde aannemelijk maakt dat die daden vereist zijn voor de eerbiediging van zijn recht op een eerlijk proces en recht van verdediging.
- Het enkele feit dat een beklaagde als gevolg van een onregelmatige oproeping voor de raadkamer de onderzoeksrechter niet heeft kunnen vragen om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen, doet voor de vonnisrechter echter niet de verplichting ontstaan om zelf de uitvoering van die onderzoekdaden te bevelen.
- De gemotiveerde verwerping van het verzoek van een partij om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen, impliceert niet automatisch een miskenning van het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met eigen redenen en redenen die het overneemt van het beroepen vonnis, vermeldt het arrest (p. 6-9, in het bijzonder p. 8-9) de redenen waarom de appelrechters van oordeel zijn dat de uitvoering van de in het middel vermelde aanvullende onderzoekshandelingen niet aangewezen of niet meer mogelijk is, dan wel in het licht van de reeds aanwezige bewijsgegevens niet nuttig is voor de waarheidsvinding.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het verzoek van de eiser om de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen te bevelen, moet worden geweigerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser dat zijn recht van verdediging is miskend ingevolge het feit dat hij voor de raadkamer werd opgeroepen op een foutief adres en dat de verwijzingsbeschikking een foutieve datum bevat, noch vermeldt het arrest de voornaamste redenen van de beslissing.
- In zijn appelconclusie heeft de eiser geen rechtsgevolg afgeleid uit zijn aanvoering dat de verwijzingsbeschikking een onjuiste datum bevat en heeft hij uit zijn aanvoering dat hij op een foutief adres is opgeroepen voor de raadkamer enkel een uitleg geput voor het feit dat hij de aan de appelrechters gevraagde aanvullende onderzoekshandelingen niet eerder heeft gevraagd ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging. Uit de stukken waarop het Hof voor het overige vermag acht te slaan, blijkt op dit punt geen verdergaand verweer.
- Hieruit volgt dat het arrest, met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, eerste onderdeel, alsook met de redenen waarmee het oordeelt over de schuld van de eiser aan de telastlegging en waarmee het zijn onschuldverweer met inbegrip van zijn verzoek tot het bevelen van de uitvoering van aanvullende onderzoekshandelingen verwerpt, het in het middel aangevoerde verweer van de eiser verwerpt en beantwoordt, alsook dat het de voornaamste redenen van de beslissing bevat. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 9,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 28 oktober 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div