id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 418
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 420
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 3 De fout, in de zin van de artikelen 418 en 420 van het Strafwetboek, moet niet noodzakelijk voortvloeien uit de schending van een bijzondere wettelijke of reglementaire verplichting en kan bestaan uit een miskenning van de algemene voorzichtigheidsnorm
(1); de rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde een fout in de zin van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek heeft begaan door zich niet te gedragen als een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst; het Hof gaat na of de rechter uit de vastgestelde feiten geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
(1)Cass. 14 november 2012, AR P.11.1611.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121114.10, AC 2012 nr. 612 en Cass. 2 december 1968, AC 1969, 347. Thesaurus CAS: SLAGEN EN VERWONDINGEN. DODEN - ONOPZETTELIJK TOEBRENGEN VAN VERWONDINGEN EN ONOPZETTELIJK DODEN Wettelijke bepalingen:
Art. 418
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 420
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:
Art. 418
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 420- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0840.N I N. D. C., burgerlijke partij, eiser, II BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2 en met kantoren te 1000 Brussel, Leuvenseweg 1, burgerlijke partij, eiser, beiden vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, beiden tegen C. C., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en II zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 april
- De eisers I en II voeren elk in memories die aan dit arrest zijn gehecht, een gelijkluidend middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Een burgerlijke partij kan geen cassatieberoep instellen tegen de beslissing op strafgebied tenzij in zoverre zij tot de kosten van de strafvordering veroordeeld is, wat te dezen niet het geval is. In zoverre de cassatieberoepen van de eisers gericht zijn tegen de gedeeltelijke vrijspraak van de verweerder, zijn ze niet ontvankelijk.
- Het arrest verklaart de burgerlijke vordering van de eisers in de zaak met referte II ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eisers Eerste onderdeel Grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel
- De verweerder voert aan dat het onderdeel niet ontvankelijk is in zoverre het verplicht tot een onderzoek van feiten.
- Het onderdeel verplicht niet tot een onderzoek van feiten, maar is gebaseerd op de feiten zoals vastgesteld door het arrest. De grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel wordt niet aangenomen. Gegrondheid van het onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek, de artikelen 34 en 37 Wet Politieambt, de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake de bewijslast in strafzaken: het arrest leidt ten onrechte de afwezigheid van een fout, minstens het bestaan van redelijke twijfel, af uit het feit dat de inspecteurs opteerden om over te gaan tot een identiteitscontrole en de verweerder te achtervolgen, eerder dan met hem een gesprek aan te gaan; uit die vaststellingen blijkt niet dat een normaal, zorgvuldig persoon, in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst, zich op dezelfde wijze zou hebben gedragen en, meer bepaald, geen passend gevolg zou hebben gegeven aan de verzoeken van de inspecteurs en zou hebben geweigerd om de plaats te verlaten, om zich vervolgens aan een identiteitscontrole te onttrekken, noch dat de gevolgen van dergelijk gedrag onvoorzienbaar waren.
- Het gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, bedoeld in de artikelen 418 en 420 Strafwetboek, omvat iedere vorm van fout, hoe licht ook. Deze fout kan bestaan uit een miskenning van de algemene zorgvuldigheidsnorm en moet niet noodzakelijk voortvloeien uit de schending van een bijzondere wettelijke of reglementaire verplichting. De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde een fout in de zin van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek heeft begaan door zich niet te gedragen als een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst. Het Hof gaat na of de rechter uit de vastgestelde feiten geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Het arrest (p. 31, nr. 44) oordeelt: “In de gegeven feitenconstellatie komt een fout in hoofde van [de verweerder] niet bewezen voor. Bovendien volstaat een onvoorzichtigheid op zich niet, vermits vereist is dat er schadelijke gevolgen voorzienbaar en vermijdbaar waren. Wanneer de inspecteurs gewoon een gesprek hadden aangegaan in plaats van plots in te grijpen, over te gaan tot identiteitscontrole en hem te achtervolgen, en dit op een moment, wanneer hij net deed wat er initieel van hem werd gevraagd door de inspecteurs, namelijk de plaats verlaten, was er geen sprake geweest van enige fysiek letsel. Het is slechts wanneer hij aanstalten maakte om zich te verwijderen en hem dit belet werd door de verbalisanten (men wilde hem met gepaste technieken naar de grond brengen), dat zij met zijn allen ten val zijn gekomen met verwondingen tot gevolg. In die omstandigheden is niet voldaan aan de foutvereiste, minstens bestaat er in deze redelijke twijfel die hem ten goede dient te komen.”
- Met die redenen, ook samen gelezen met de redenen op de pagina’s 24 tot en met 30 van het arrest, stellen de appelrechters feitelijk vast dat de verweerder na een vraag tot identiteitscontrole is gevlucht van de politie maar beoordelen zij niet of dit gedrag overeenstemt met het gedrag van een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden geplaatst, zodat het arrest daarmee niet wettig kan oordelen dat de verweerder geen fout in de zin van de artikelen 418 en 420 Strafwetboek heeft begaan. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
- Het onderdeel, dat niet kan leiden tot een ruimere cassatie, behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eisers tegen de verweerder in de zaak met referte II ongegrond verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot een derde van de kosten van hun cassatieberoepen. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 2.116,66 euro, waarvan de eiser I 151,22 euro is verschuldigd en de eiser II 1.071,15 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121114.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div