id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 23
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 23
- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 23- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.1753.N I. A. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 8 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers in appelconclusie gevoerde verweer dat het openbaar ministerie weet had of had moeten weten dat de oorspronkelijke dagvaarding moest worden betekend in de gevangenis waar de eiser verbleef en dat dergelijk opzet of dergelijke grove onachtzaamheid niet te verenigen is met de loyaliteit die van een vervolgende instantie moet kunnen worden verwacht, wat moet leiden tot de nietigheid van de betekening van die dagvaarding, het verstekvonnis en de betekening van dat vonnis.
- Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter de verplichting een in een regelmatig ingediende conclusie ontwikkeld verweer te beantwoorden, zonder dat hij moet antwoorden op elk argument dat louter tot staving van dit verweer wordt aangevoerd, zonder echter een zelfstandig verweer te vormen. De rechter moet evenmin de redenen van zijn redenen vermelden.
- Met de redenen die het bevat onder randnummer 2.1 beantwoordt het bestreden vonnis eisers verweer over de in het middel bedoelde nietigheden zonder dat een nadere redengeving is vereist. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 68 Wegverkeerswet: met het oordeel dat de strafvordering nog tijdens de verjaringstermijn aanhangig is gemaakt bij de rechtbank verantwoordt het bestreden vonnis de beslissing om de strafvordering niet verjaard te verklaren niet naar recht; het bestreden vonnis stelt immers vast dat de betekening van de initiële dagvaarding aan de eiser onregelmatig was; een verjaringstermijn kan enkel worden stopgezet indien de strafvordering op regelmatige wijze voor de politierechtbank aanhangig is gemaakt; de strafvordering is dan ook vervallen door verjaring.
- Onder de telastleggingen A, B en C wordt de eiser vervolgd wegens overtreding op 1 mei 2021 van de respectieve artikelen 34, § 2, 1°, 37bis, § 1, 1° en 48 Wegverkeerswet.
- Overeenkomstig artikel 68 Wegverkeerswet verjaart de strafvordering door verloop van drie jaar te rekenen van de dag waarop die overtredingen werden begaan.
- Artikel 23 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing na de wijziging bij wet van 9 april 2024 inzake Strafprocesrecht I, bepaalt dat de verjaringstermijn van de strafvordering niet meer loopt vanaf de dag van de aanhangigmaking van de strafvordering voor de politierechtbank, de correctionele rechtbank, het hof van assisen of het hof van beroep zetelend in eerste en laatste aanleg.
- Behoudens wanneer een gerechtelijk onderzoek werd gevoerd, kan de strafvordering in de zin van die bepaling bij de vonnisrechter aanhangig worden gemaakt door een rechtstreekse dagvaarding die uitgaat van het openbaar ministerie. Het enkele feit dat de betekening aan een beklaagde van een op verzoek van het openbaar ministerie uitgebrachte dagvaarding op onregelmatige wijze is gebeurd, heeft evenwel niet tot gevolg dat de strafvordering niet rechtsgeldig bij de vonnisrechter werd aanhangig gemaakt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat: - de zaak bij de politierechtbank aanhangig werd gemaakt door de oorspronkelijke dagvaarding van het openbaar ministerie van 30 maart 2022; - de onregelmatige betekening van die dagvaarding niet betekent dat de strafvordering niet aanhangig werd gemaakt; - de verjaringstermijn van drie jaar nog niet was verstreken op het ogenblik van die aanhangigmaking noch bij de inwerkingtreding van de wet van 9 april 2024 op 28 april 2024; - de verjaring van de strafvordering na 28 april 2024 niet langer liep; - de strafvordering niet is vervallen door verjaring. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter (thans 27) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging, in het bijzonder het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet werd overschreden; het gaat om een zaak met geringe complexiteit en het bestreden vonnis werd pas gewezen drie jaar en vijf maanden nadat de redelijke termijn aanvang nam op 1 mei 2021 (eerste onderdeel); bovendien deed zich een periode van onverantwoorde stilstand van meer dan een jaar en zeven maanden voor tussen de onregelmatige betekening van de oorspronkelijke dagvaarding en de aantekening van het verzet door de eiser; minstens beantwoordt het bestreden vonnis niet het daarover in eisers appelconclusie aangevoerde verweer (tweede onderdeel).
- Of de redelijke termijn is overschreden moet in elke zaak afzonderlijk worden beoordeeld volgens de feitelijke gegevens eigen aan de zaak en volgens de criteria van de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor die betrokkene. De rechter moet niet noodzakelijk alle criteria in zijn beoordeling betrekken, indien één of meerdere criteria op zich reeds doorslaggevend is of zijn.
- Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel. Een vertraging in een bepaalde fase of meerdere fasen van de procedure verplicht dan ook niet noodzakelijk tot de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Er bestaat geen algemene drempel waaronder of waarboven de duur van de rechtspleging noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt in het licht van de voormelde criteria onaantastbaar of de redelijke termijn is overschreden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- Op grond van het geheel van redenen die het bestreden vonnis onder randnummer 2.4 betreffende het redelijketermijnverweer van de eiser bevat, kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden. Met die redenen beantwoorden en verwerpen zij ook het in het tweede onderdeel bedoelde verweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200602.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div