id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 8
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 8
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 34 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 8
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WOONPLAATS Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 8
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 8
- 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0827.N C. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Reinold De Vuyst, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 30 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM en artikel 15 Grondwet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser en zijn vriendin toestemming hebben gegeven om hun woonst te betreden; uit de enkele omstandigheid dat de verbalisanten aan de vriendin van de eiser hebben gezegd dat zij naar hem op zoek waren, kan men niet afleiden dat daarmee voldoende informatie is gegeven over het op te sporen misdrijf en het doel van de woonstbetreding; naast de toestemming van die vriendin moest ook de eiser als bewoner toestemming geven; uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt evenmin welke informatie de verbalisanten aan de eiser hebben gegeven, alvorens hij is meegegaan om de alcoholprocedure op te starten; alleszins staat de woonstbetreding zonder toestemming van de eiser vast op het ogenblik dat zij hem aantreffen achteraan de woning op een terras.
- Een politieambtenaar mag een woning betreden met het oog op het opleggen aan de vermoedelijke bestuurder van een voertuig van een door de Wegverkeerswet bedoelde ademtest of ademanalyse en het doen van vaststellingen betreffende zijn toestand, voor zover hij die op dat ogenblik het werkelijke genot heeft van de woning, in kennis wordt gesteld van dat doel van de woonstbetreding en die ondubbelzinnig toestemming geeft voor die woonstbetreding.
- Die ondubbelzinnige toestemming tot woonstbetreding door hij die op dat ogenblik het werkelijke genot heeft van de woning moet niet schriftelijk worden gegeven. Die kan worden afgeleid uit alle feitelijke elementen van de zaak.
- Indien ingevolge een dergelijke toestemming de politieambtenaar in de woning de persoon aantreft op wie de uit te voeren onderzoekshandelingen betrekking hebben én die persoon ook het werkelijk genot heeft van de woning, dan moet ook die persoon, nadat hij in kennis werd gesteld van het doel van de woonstbetreding, ondubbelzinnig toestemming geven voor de verdere woonstbetreding.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of zij die het werkelijke genot hebben van de woning werden geïnformeerd over het doel van de woonstbetreding en ondubbelzinnig toestemming hebben verleend tot de woonstbetreding of de verdere woonstbetreding met het oog op het uitvoeren van de voormelde onderzoekshandelingen.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis stelt vast wat volgt: - uit de inhoud van het aanvankelijk proces-verbaal 401321/2022 van 28 oktober 2022, die wat de zintuigelijke vaststellingen van de verbalisanten betreft geldt tot het bewijs van het tegendeel, blijkt dat de verbalisanten op 28 oktober 2022 een voertuig BMW 1-Reeks met nummerplaat (…) opmerkten naar aanleiding van de jaarmarkt te Haaltert; - op basis van de gang en de gedragingen van de bestuurder, die vooraf een drankgelegenheid had verlaten, vermoedden de verbalisanten dat hij alcoholische dranken had genuttigd; - één van de verbalisanten begaf zich naar het voertuig op het ogenblik dat de bestuurder diende te stoppen voor een rood verkeerslicht, maar deze gaf na oogcontact te hebben gemaakt met de verbalisant, gas toen het verkeerslicht overging naar de groene fase; - hij reageerde niet op het geroep en de gebaren van de verbalisant; - het voertuig BMW 1-reeks kon om 02.42 uur worden aangetroffen te (…) ter hoogte van huisnummer 133 en dit op enkele honderden meters van de woning van de eigenaar van het voertuig; - de verbalisanten belden aan op het adres van de eigenaar gelegen te (…) (huisnummer) 82 en konden een mannen- en een vrouwenstem waarnemen; - de deur werd geopend door een vrouw, die negatief antwoordde op de vraag of de eiser aanwezig was in de woning; - op vraag van de verbalisanten contacteerde de vrouw de eiser telefonisch, waarop zij een gsm hoorden bellen in de woonkamer; - geconfronteerd met dit gegeven nam de vrouw de verbalisanten mee naar het terras/tuintje van de woning, waar de eiser werd aangetroffen; - de eiser vergezelde de verbalisanten naar het dienstvoertuig waar werd overgegaan tot het uitvoeren van een ademtest en navolgende ademanalyse.
- Het bestreden vonnis oordeelt verder als volgt: “De rechtbank stelt vast dat de vriendin van [de eiser], waarvan nergens blijkt dat zij de verbalisanten de toegang tot de woning weigerde, vrijwillig toestemming gaf om de woning van [de eiser] te betreden, nu uit het strafdossier blijkt dat de verbalisanten haar inlichtten over het feit dat zij op zoek waren naar [de eiser] en zodra duidelijk was dat [de eiser] zich in de woning bevond, zij de verbalisanten de woning liet betreden. Hieruit blijkt onmiskenbaar dat de vriendin van [de eiser] door de verbalisanten voldoende werd ingelicht over de reden van hun komst, waarna zij de verbalisanten met kennis van zaken toegang verleende tot de woning en hen tot bij [de eiser] begeleidde. De rechtbank stelt bovendien vast dat [de eiser], na te zijn ingelicht over het doel van de woonstbetreding, vrijwillig de verbalisanten vergezelde naar hun dienstvoertuig, alwaar de verdere vaststellingen, daarin begrepen de alcoholprocedure, plaatsvonden.” Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat zowel de eiser als zijn vriendin na te zijn ingelicht over het doel van de woonstbetreding daartoe ondubbelzinnig toestemming hebben gegeven en de woonstbetreding bijgevolg niet onwettig is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis oordeelt dat de vriendin van de eiser de toegang tot de woning niet weigerde aan de politie en dat daaruit zou moeten blijken dat zij voldoende werd ingelicht, maar dat staat niet in het aanvankelijk proces-verbaal, dat immers alleen vermeldt dat de verbalisanten, nadat de vriendin de deur heeft geopend, vragen of de eiser aanwezig is; uit de enkele vermelding in het proces-verbaal dat de eiser de verbalisanten vrijwillig vergezelde naar het dienstvoertuig, kan niet worden afgeleid dat de eiser vooraf, duidelijk, vrijwillig en met kennis van zaken toestemming had gegeven; aldus miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen van dat geschrift, met andere woorden wanneer hij het geschrift doet liegen. Indien de rechter louter de bewijswaarde van het geschrift beoordeelt, is er geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift.
- Met de bekritiseerde redenen geeft het bestreden vonnis van het aanvankelijk proces-verbaal geen uitlegging, maar beoordeelt het louter de bewijswaarde ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 36 en 41 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de bewijskracht van akten en het recht van verdediging waarvan het beginsel van tegenspraak deel uitmaakt: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de heterdaadprocedure mocht worden toegepast; loutere vermoedens en aanwijzingen dat een misdrijf zou kunnen worden gepleegd of zou zijn gepleegd, volstaan niet om een feit vast te stellen bij ontdekking op heterdaad (eerste onderdeel); het aanvankelijk proces-verbaal vermeldt enkel dat enkele betrokkenen een drankgelegenheid verlaten, in voornoemd voertuig stappen en op basis van gang en gedragingen van allen, en dus ook van de bestuurder, een sterk vermoeden bestaat dat alcoholische dranken werden genuttigd; op basis van die summiere omschrijving kan niet worden geconcludeerd dat dit niet strookt met de gedragingen van een normaal bestuurder, zonder te specifiëren waaruit die abnormaliteit dan wel concreet bestaat (tweede onderdeel); het bestreden vonnis oordeelt dat de heterdaadprocedure mocht worden gebruikt, omdat de eiser niet reageerde op het geroep en de gebaren van de verbalisanten en zijn weg vervolgde, hoewel hij met de verbalisant eerst oogcontact had gehad; de eiser werd niet vervolgd voor het negeren van een bevel van een politieagent en er werd nooit enig debat over gevoerd; het bestreden vonnis heeft wel een strafbaar karakter gegeven aan voormelde feiten, waardoor het van oordeel is dat de heterdaadprocedure kon worden opgestart; het oordeel dat de heterdaadprocedure zou kunnen worden gevolgd, houdt ook in dat de rechter van oordeel is dat de agenten die de woning betraden, de bevoegdheid hadden om dit te doen als officieren van gerechtelijke politie; hierover werd geen debat gevoerd en uit het strafdossier blijkt niet dat die agenten ook officieren van gerechtelijke politie zijn (derde onderdeel).
- Het bestreden vonnis stelt “ten overvloede” vast dat de heterdaadprocedure van toepassing was en oordeelt dat: “Gezien hen de vrijwillige toegang tot de woning werd verschaft, dienden zij evenwel geen gebruik te maken van de heterdaadprocedure”. Het middel, dat bijgevolg is gericht tegen overtollige redenen en dus niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180320.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231212.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div