id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.5 Rolnummer: P.25.0456.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-07 Raadplegingen: 575 - laatst gezien 2026-06-18 23:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die een verzoek van een beklaagde om uitstel van tenuitvoerlegging afwijst, duidelijk de redenen voor die beslissing moet vermelden, zij het dat die motivering beknopt mag zijn; geen enkele bepaling verplicht de rechter om bij de gegevens die hij in aanmerking neemt bij de straftoemeting en dus ook bij de weigering uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen telkens aan te geven of zij in het voordeel dan wel in het nadeel van de beklaagde zijn, of om al die gegevens uitdrukkelijk tegen elkaar af te wegen; de beslissing uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan of te weigeren kan niet worden herleid tot een rekenkundige bewerking van elementen die door een beklaagde als voordelig of als nadelig worden ervaren
(1).
(1)Cass. 21 mei 2024, AR P.24.0422.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7 en Cass. 20 november 2019, AR P.19.0925.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.2F.4, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0456.N F. E. H., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Ward Reniers, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 54, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 maart
- De eiseres voert in memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: door aan de eiseres een effectieve gevangenisstraf van tweeëntwintig maanden en een effectieve geldboete van 4.000,00 euro op te leggen en die beslissing te steunen op stereotiepe en dubbelzinnige redenen die de beslissing niet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze ondersteunen en die de lopende reclassering en de resocialisatie van de eiseres niet in rekening nemen, is de beslissing niet afdoende gemotiveerd; het arrest vermeldt een aantal overwegingen ten nadele van de eiseres welke identiek zijn als die welke de eerste rechter heeft aangenomen bij de bepaling van de strafmaat; de appelrechters nemen ook een aantal overwegingen aan ten voordele van de eiseres; het arrest bevat verder een aantal overwegingen waaruit niet kan worden afgeleid of deze door de appelrechters ten voordele of ten nadele van de eiseres worden aangenomen; daaruit alleen al blijkt dat de motieven voor de opgelegde straffen niet duidelijk en niet ondubbelzinnig zijn; hoewel de eiseres volgens het proces-verbaal van de rechtszitting in ondergeschikte orde een straf met uitstel heeft gevraagd en voor wat betreft de geldboete om een zo groot mogelijk uitstel, leggen de appelrechters zowel de gevangenisstraf als de geldboete effectief op; zij motiveren anders dan de eerste rechter niet waarom het ontradend karakter van een geheel of gedeeltelijk uitstel niet afdoende zou zijn; het oordeel dat alleen een substantiële en effectieve bestraffing van aard is de eiseres het ontoelaatbare van haar handelen te doen inzien en herhaling te voorkomen, houdt een stereotiepe motivering in; die kan immers van toepassing zijn op elk misdrijf en op elke beklaagde; dat oordeel vormt ook geen logische gevolgtrekking uit de overwegingen die het arrest bevat betreffende de straftoemeting; het arrest laat ook na de gegevens die het ten nadele van de eiseres aanneemt af te wegen tegen de nadelige effecten van een effectieve gevangenisstraf op de lopende reclassering en resocialisatie; die reclassering en resocialisering blijkt uit de stukken die de eiseres op de rechtszitting heeft ingediend; de doelstelling van reclassering en resocialisatie wordt volledig buiten beschouwing gelaten.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- De rechter moet niet antwoorden op ingediende stukken, maar enkel op een verweer opgenomen in een regelmatig ingediende conclusie.
- Het appelgerecht moet behoudens bij daartoe strekkende conclusie niet motiveren waarom het anders straft dan de eerste rechter.
- Een beklaagde heeft geen recht op de maatregel van het uitstel van tenuitvoerlegging, ook al voldoet hij aan de wettelijke voorwaarden voor deze maatregel. De rechter oordeelt onaantastbaar of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting het al dan niet verlenen van uitstel van tenuitvoerlegging of de mate van dit uitstel opportuun is.
- Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die een verzoek van een beklaagde om uitstel van tenuitvoerlegging afwijst, nauwkeurig de redenen voor die beslissing moet vermelden, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
- Uit de enkele omstandigheid dat de redenen die de rechter opgeeft voor de afwijzing van een verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging ook kunnen gelden voor andere beklaagden of andere misdrijven, volgt niet dat ze niet van toepassing kunnen zijn in de door de rechter beoordeelde zaak of dat ze noodzakelijk een stereotiep karakter hebben.
- De verantwoording van de weigering uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen kan ook blijken of mede blijken uit de redenen die de rechter vermeldt voor het opleggen van effectieve straffen.
- Geen enkele bepaling verplicht de rechter om bij de gegevens die hij in aanmerking neemt bij de straftoemeting en dus ook bij de weigering uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen telkens aan te geven of zij in het voordeel dan wel in het nadeel van de beklaagde zijn, of om al die gegevens uitdrukkelijk tegen elkaar af te wegen. De beslissing uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan of te weigeren kan niet worden herleid tot een rekenkundige bewerking van elementen die door een beklaagde als voordelig of als nadelig worden ervaren.
- Uit de beslissing waarbij het verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging wordt afgewezen, moet blijken dat de rechter dit verzoek en de stavende redenen in aanmerking heeft genomen.
- Indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging een verweer voert met verwijzing naar concrete en specifieke omstandigheden dan volgt uit artikel 149 Grondwet voor de rechter de verplichting dit verweer te beantwoorden, zonder dat hij evenwel moet antwoorden op elk afzonderlijk gegeven dat tot staving van zijn verzoek is aangevoerd.
- Indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om uitstel concrete elementen aanvoert betreffende de gevolgen van de straf voor zijn reclassering en resocialisering moet uit de rechterlijke beslissing een afweging blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de bewezenverklaarde feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 5 februari 2025 blijkt dat de eiseres in hoofdorde om een werkstaf heeft verzocht, in ondergeschikte orde om een straf met uitstel, in nog meer ondergeschikte orde om een straf onder elektronisch toezicht en wat de geldboete betreft om die met een zo groot mogelijk uitstel op te leggen. Er blijkt niet dat de eiseres bij haar verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging concrete en specifieke omstandigheden heeft aangevoerd tot staving van dit verzoek en evenmin dat zij bij dat verzoek concrete elementen heeft aangevoerd betreffende de gevolgen van de straf voor haar reclassering en resocialisering.
- Het arrest (p. 16, vierde alinea) stelt vast dat de door de eiseres naar aanleiding van de behandeling van de zaak bijgebrachte stukken de appelrechters niet tot een andere beoordeling hebben kunnen brengen. Daaruit volgt dat de appelrechters die stukken bij hun beoordeling hebben betrokken.
- In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De appelrechters houden bij de aan de eiseres opgelegde bestraffing rekening met wat volgt: - de bewezenverklaarde feiten zijn zeer ernstig en laakbaar en getuigen van een manifest gebrekkig normbesef en een criminele ingesteldheid bij de eiseres, waarbij zij niet ervoor terugdeinsde valse stukken te tonen aan haar werkgevers om zonder diploma en aldus onwettig aan de slag te kunnen in de zorgsector en haar werkgevers te misleiden, alsook kwetsbare personen in de zorg uit louter winstbejag te bestelen; - het leed toegebracht aan de burgerlijke partijen en het gegeven dat de eiseres de burgerlijke partij K. inmiddels heeft vergoed; - het relatief gunstig strafrechtelijk verleden van de eiseres, die wel reeds een werkstraf opliep voor een inbreuk inzake het rijbewijs; - de nog jonge leeftijd van de eiseres (25 jaar); - de lange duur en het veelvuldig en aanhoudend karakter van de feiten; - de persoonlijkheid en de persoonlijke en sociale toestand van de eiseres, voor zover deze uit het strafdossier en de behandeling van de zaak op de rechtszitting zijn gebleken.
- Op grond daarvan en inzonderheid het bijzonder laakbare karakter van de feiten dringt zich volgens de appelrechters een duidelijk signaal op naar de eiseres toe betreffende het volstrekt ontoelaatbare van haar handelen en is de door de eerste rechter opgelegde gevangenisstraf van tweeëntwintig maanden en een geldboete van 4.000,00 euro een passende en wetmatige bestraffing. Zij voegen daaraan toe dat geen uitstel van tenuitvoerlegging wordt verleend en dat zowel de hoofdgevangenisstraf als de geldboete effectief worden opgelegd omdat enkel een dergelijke substantiële en effectieve bestraffing van aard is de eiseres het ontoelaatbare van haar handelen te doen inzien en om herhaling te voorkomen.
- Aldus omkleden de appelrechters de weigering om uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen regelmatig met redenen. Die redenen, die specifiek betrekking hebben op de eiseres en de bewezenverklaarde feiten, zijn niet onduidelijk, stereotiep of dubbelzinnig. Zij bieden bovendien in het licht van wat werd aangevoerd door de eiseres een afdoende antwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede en derde onderdeel
- Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest wijst het verzoek van de eiseres om een werkstraf af met stereotiepe overwegingen en op een niet duidelijke en niet ondubbelzinnige wijze zodat de eiseres niet in de mogelijkheid is om te begrijpen waarom haar een werkstraf werd geweigerd; de overweging dat een werkstraf niet van aard is om de eiseres tot de noodzakelijke bewustwording te brengen over het volstrekt ontoelaatbare van haar handelen is stereotiep, want het kan op elk misdrijf en op elke beklaagde van toepassing zijn; aangezien uit het eerste onderdeel volgt dat de beslissing om een effectieve gevangenisstraf en een effectieve geldboete op te leggen niet regelmatig is gemotiveerd, kan de motivering voor de weigering om een werkstraf uit te spreken daaruit niet worden afgeleid. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 37ter, § 4, tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest wijst het verzoek van de eiseres om een straf onder elektronisch toezicht af met stereotiepe overwegingen en op een niet duidelijke en niet ondubbelzinnige wijze zodat de eiseres niet in de mogelijkheid is om te begrijpen waarom haar een dergelijke straf werd geweigerd; de overweging dat een straf onder elektronisch toezicht niet van aard is om de eiseres tot de noodzakelijke bewustwording te brengen over het volstrekt ontoelaatbare van haar handelen is stereotiep, want het kan op elk misdrijf en op elke beklaagde van toepassing zijn; aangezien uit het eerste onderdeel volgt dat de beslissing om een effectieve gevangenisstraf en een effectieve geldboete op te leggen niet regelmatig is gemotiveerd, kan de motivering voor de weigering om een straf onder elektronisch toezicht uit te spreken daaruit niet worden afgeleid.
- Een beklaagde heeft geen recht op een straf onder elektronisch toezicht of een werkstraf, ook al voldoet hij aan de wettelijke voorwaarden voor deze straffen. De rechter oordeelt onaantastbaar of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting het uitspreken van die straffen opportuun is.
- Uit de artikelen 37quinquies, § 4, tweede lid, en 37ter, § 3, tweede lid, Strafwetboek volgt dat indien de rechter weigert een door een beklaagde gevraagde straf onder elektronisch toezicht of een werkstraf uit te spreken hij die beslissing met redenen moet omkleden.
- Uit de enkele omstandigheid dat de redenen die de rechter opgeeft voor de afwijzing van een verzoek om een straf onder elektronisch toezicht of een werkstraf ook kunnen gelden voor andere beklaagden of andere misdrijven, volgt niet dat ze niet van toepassing kunnen zijn in de door de rechter beoordeelde zaak of dat ze noodzakelijk een stereotiep karakter hebben.
- De motivering van de weigering een straf onder elektronisch toezicht of een werkstraf uit te spreken vereist niet noodzakelijk een op zichzelf staande motivering. Die weigering kan ook worden gemotiveerd door het vermelden of medevermelden van redenen ter verantwoording van het opleggen van een andere straf.
- De redenen die de rechter vermeldt ter verantwoording van de weigering een straf onder elektronisch toezicht of een werkstraf uit te spreken moeten de beklaagde in staat stellen te begrijpen waarom de rechter niet voor een dergelijke straf opteert. Uit de omstandigheid dat een beklaagde het onbegrijpelijk vindt dat de rechter hem geen straf onder elektronisch toezicht of een werkstraf oplegt, volgt evenwel niet dat die beklaagde gelet op de door de rechter gegeven verantwoording niet in staat is te begrijpen waarom de rechter het uitspreken van een dergelijke straf weigert.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Zoals uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt, hebben de appelrechters een geheel van redenen vermeld voor het opleggen van een effectieve gevangenisstraf en een effectieve geldboete. Zij voegen daaraan toe dat een werkstraf of een straf onder elektronisch toezicht niet van aard is de eiseres tot de noodzakelijke bewustwording te brengen over het volstrekt ontoelaatbare van haar handelen. Met het geheel van die redenen omkleden de appelrechters de weigering een werkstraf of een straf onder elektronisch toezicht uit te spreken regelmatig met redenen en stellen zij de eiseres in staat te begrijpen waarom haar verzoeken worden afgewezen. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191120.2F.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div