← België

T. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 37quinquies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN.

STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen:

Art. 37q

uinquies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Wettelijke bepalingen:

Art. 37q

uinquies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:

Art. 37quinquies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.1190.N

  1. L. T., beklaagde, eiser,
  2. C. D., beklaagde eiseres, beiden met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie Limburg, de beide cassatieberoepen tegen Sofie PAPEN, met kantoor te 2200 Herentals, Lierseweg 116, als curator over het faillissement van DGLV bv, ON 0842.926.040, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 juli
  3. De eisers voeren in afzonderlijke memories die aan dit arrest zijn gehecht, elk een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers hun cassatieberoepen hebben laten betekenen aan de verweerster, zoals nochtans is vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke vordering van de verweerster, zijn de cassatieberoepen niet ontvankelijk. Middel van de eiser
  5. Het middel voert schending aan van artikel 37quinquies Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest verantwoordt de weigering om tegen de eiser een werkstraf uit te spreken niet naar recht; een schending van het beroepsverbod kan die beslissing niet verantwoorden; het arrest verwart de schuldigverklaring en de straftoemeting; een dergelijke schuldigverklaring impliceert geenszins de onmogelijkheid om een werkstraf uit te spreken; uit een dergelijke schuldigverklaring kan niet worden afgeleid dat de eiser dermate onbetrouwbaar is dat hij de werkstraf niet zal uitvoeren; met het oordeel dat de appelrechters de eiser de door hem gevraagde gunst niet willen verlenen, geven zij aan dat zij eenvoudigweg geen werkstraf willen uitspreken en is die beslissing niet regelmatig met redenen omkleed.
  6. Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die weigert een door een beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken die beslissing met redenen moet omkleden.
  7. Op de weigeringsbeslissing een werkstraf uit te spreken, is de in artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde bijzondere motiveringsplicht niet van toepassing.
  8. De omstandigheid dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor het uitspreken van een werkstraf, creëert voor die beklaagde geen recht op een werkstraf.
  9. De rechter oordeelt onaantastbaar in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting over de opportuniteit om tegen een beklaagde een werkstraf uit te spreken.
  10. Bij die beoordeling kan de rechter de aard en de ernst van de feiten betrekken waaraan de beklaagde schuldig werd verklaard. Daardoor verwart de rechter niet de beslissing over schuld en de beslissing over de straftoemeting.
  11. Bij die beoordeling kan de rechter evenzeer de waarschijnlijkheid betrekken dat een beklaagde de werkstraf waarom hij verzoekt niet zal uitvoeren.
  12. Hoewel de wetgever de werkstraf als een volwaardige en autonome straf aanziet en dus niet als een gunst, tast de overweging door de rechter dat hij de gunst van de werkstraf niet toekent, de regelmatigheid niet aan van de overige redenen waarmee de rechter de beslissing om geen werkstraf uit te spreken met redenen omkleedt.
  13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het arrest wijst eisers verzoek om een werkstraf af op de volgende gronden: - een dergelijke straf is niet gepast rekening houdend met de aard en de ernst van de lastens de eiser bewezenverklaarde feiten en zijn persoon; - de eiser werd meermaals veroordeeld voor verkeersinbreuken alsook voor de uitgifte van cheques zonder dekking, oplichting en meermaals voor valsheid in geschriften en gebruik; - hij bevindt zich in de mate dat de thans bewezenverklaarde feiten zich situeren na 18 mei 2018 in een toestand van herhaling; - de bewezenverklaarde feiten zijn ernstig en laakbaar: de eiser eigende zich gelden toe van de vennootschap waarin hij beweerdelijk, via een eigen vennootschap, wilde participeren. Om te doen uitschijnen dat hij deze gelden had aangewend voor doeleinden van D. bv, besliste hij dan om valse facturen op te nemen in de interne boekhouding. Dergelijke valsheden schenden het vertrouwen noodzakelijk voor het economisch verkeer en in vennootschapsverband. De eiser liet de eigen vermogensrechtelijke belangen voorgaan op deze van derden, zoals de belangen van D. bv en haar aanvankelijke aandeelhouders. Hij miskende ook de eigenheid van het vennootschapsvermogen en van de vennootschap waarin hij wilde participeren en die hij feitelijk mee ging besturen door er de leiding van over te nemen; - de eiser miskende bovendien een hem opgelegd rechterlijk beroepsverbod: hij kende het hem opgelegde verbod en besliste zich hieraan niet te houden, wat wijst op een gebrek aan respect voor rechterlijke beslissingen en op zijn volkomen onbetrouwbaarheid; - de eiser is onvoldoende betrouwbaar voor het uitvoeren van een werkstraf, waarbij wordt gewezen op de bewezenverklaarde feiten omschreven onder de telastlegging C.
  15. Met die redenen, waaruit niet blijkt dat elke veroordeling wegens een overtreding van het bestuurdersverbod de onmogelijkheid impliceert voor het uitspreken van een werkstraf, verantwoorden de appelrechters de weigering een werkstraf uit te spreken naar recht en omkleden ze die beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiseres
  16. Het middel van de eiseres voert schending aan van artikel 37quinquies Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest verantwoordt de weigering om tegen de eiseres een werkstraf uit te spreken niet naar recht; de eiseres heeft bij monde van haar raadsman een werkstraf gevraagd; een dergelijk verzoek is niet minder oprecht dan een persoonlijk door een beklaagde geformuleerd verzoek; het feit dat een beklaagde niet op de rechtszitting kan verschijnen om medische redenen impliceert geenszins dat zij niet in staat zou zijn een werkstraf uit te voeren.
  17. Artikel 37quinquies, § 3, eerste lid, laatste zin, Strafwetboek bepaalt dat de rechter de werkstraf slechts kan uitspreken als de beklaagde op de rechtszitting aanwezig is of is vertegenwoordigd en nadat hij, in persoon, hetzij via zijn raadsman, zijn instemming heeft gegeven.
  18. Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die weigert een door een beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken die beslissing met redenen moet omkleden.
  19. Op de weigeringsbeslissing een werkstraf uit te spreken, is de in artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde bijzondere motiveringsplicht niet van toepassing.
  20. De rechter oordeelt onaantastbaar in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting over de opportuniteit om tegen een beklaagde een werkstraf uit te spreken.
  21. Bij die beoordeling kan de rechter het gegeven betrekken dat de medische problemen waarmee een beklaagde wordt geconfronteerd, de uitvoering van een werkstraf kunnen onmogelijk maken of bemoeilijken en dan ook op die grond het verzoek om een werkstraf verwerpen.
  22. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  23. Het arrest wijst het verzoek van de eiseres om een werkstraf af op de volgende gronden: - een werkstraf is niet gepast rekening houdend met de aard en de ernst van de lastens de eiseres bewezenverklaarde feiten en haar persoon; - de bewezenverklaarde feiten zijn ernstig en laakbaar: de eiseres eigende zich gelden toe van de vennootschap waarin zij beweerdelijk, via een eigen vennootschap, wilde participeren. Om te doen uitschijnen dat zij deze gelden had aangewend voor doeleinden van D. bv, besliste zij dan om valse facturen op te nemen in de interne boekhouding. Dergelijke valsheden schenden het vertrouwen noodzakelijk voor het economisch verkeer en in vennootschapsverband. De eiseres liet de eigen vermogensrechtelijke belangen voorgaan op deze van derden, zoals de belangen van D. bv en haar aanvankelijke aandeelhouders. Zij miskende ook de eigenheid van het vennootschapsvermogen en van de vennootschap waarin zij wilde participeren en die zij feitelijk mee ging besturen door er de leiding van over te nemen; - de eiseres is in hoger beroep niet persoonlijk verschenen en ter rechtszitting werd toegelicht dat daartoe medische redenen voorlagen. Het hof van beroep acht het dan ook niet geloofwaardig dat zij in staat zal zijn om een werkstraf uit te voeren, als zij om medische redenen niet eens op de rechtszitting voor het hof van beroep kan verschijnen om duidelijk te maken dat zij oprecht bereid is een werkstraf uit te voeren.
  24. Met die redenen oordeelt het arrest dat niet blijkt dat de eiseres in staat zal zijn om een werkstraf uit te voeren. In zoverre het middel opkomt tegen die beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  25. Met die redenen verantwoordt het arrest de beslissing geen werkstraf uit te spreken naar recht en omkleedt het die beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 348,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.