← België

KGH BELGIUM NV contra BELGISCHE STAAT FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Verscheidene daders. Hoofdelijkheid Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 14 Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 13 - 16 Er bestaat in het licht van onder meer artikel 49 Handvest Grondrechten EU geen redelijke twijfel erover dat de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van niet in beslag genomen en verbeurdverklaarde goederen bij niet-voorbrenging ervan geen straf met inbegrip van een verbeurdverklaring per equivalent is, maar een in de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, artikel 44 Strafwetboek en artikel 50 Strafwetboek, zoals van toepassing, bepaalde maatregel van burgerlijke aard; bijgevolg worden prejudiciële vragen, die ervan uitgaan dat de vermelde veroordeling een straf is, niet gesteld aan het Hof van Justitie

(1).
(1)Cass. 16 april 2024, AR P.23.1652.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 49 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 17 - 19 Uit het arrest C-655/18 van het Hof van Justitie van 4 maart 2020 blijkt dat artikel 42.1 DWU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, enkel van toepassing is op bestuursrechtelijke sancties, eventueel van repressieve aard, die lidstaten kunnen bepalen in geval van de niet-naleving van de douanewetgeving, maar dat die bepaling niet van toepassing is op de gevolgen die de rechter van een lidstaat op grond van geldende nationale wetsbepalingen dient te hechten aan het plegen van een douanemisdrijf, zoals de verplichting tot het opleggen aan de wegens dat misdrijf tot straf veroordeelde dader van een burgerrechtelijke maatregel die bestaat in de verplichting tot het betalen van de tegenwaarde van fictief aangehaalde en verbeurdverklaarde goederen teneinde de rechten van de Schatkist te vrijwaren indien die goederen niet worden bijgebracht; die uitlegging van artikel 42 DWU is dermate evident dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan

(1).
(1)Cass. 16 april 2024, AR P.23.1652.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42.1 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42.1 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 42.1 Fiches 20 - 24 De rechter is in beginsel verplicht de verbeurdverklaring van de in artikel 261 AWDA bedoelde goederen uit te spreken maart uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof zoals vervat in arrest nr. 11/2025 van 30 januari 2025 met betrekking tot de verbeurdverklaring bepaald in artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie, die overeenstemmend van toepassing is op de in artikel 261 AWDA bedoelde verbeurdverklaring, volgt dat de rechter moet afzien van het opleggen van de verbeurdverklaring van de goederen wanneer die bijkomende bestraffing tot gevolg zou hebben dat daardoor aan een beklaagde een onredelijk zware straf zou worden opgelegd; bijgevolg is de rechter, alvorens over die verbeurdverklaring uitspraak te doen en ongeacht of de goederen in beslag werden genomen, ertoe gehouden na te gaan of daarmee aan een beklaagde geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd en de rechter oordeelt daarover onaantastbaar en kan daarbij rekening houden met de vermogenstoestand van de beklaagde zoals die blijkt uit de elementen die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd, diens persoonlijkheid en rol bij de feiten, de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezenverklaarde misdrijf en het door de beklaagde nagestreefde voordeel, zonder dat de rechter noodzakelijk al die elementen bij zijn beoordeling moet betrekken
(1).
(1)Cass. 7 oktober 2025, AR P.25.0842.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.19, met concl. OM; Cass. 7 oktober 2025 AR P.25.0081.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.23. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 17, eerste lid Fiches 25 - 29 Wanneer de rechter, om het uitspreken van een onredelijk zware straf te vermijden, ervan afziet aan een beklaagde de verbeurdverklaring van de in artikel 261 AWDA bedoelde goederen op te leggen, kan op die beklaagde evenmin de verplichting rusten om die goederen voor te brengen; bij gebrek aan verbeurdverklaring kan er voor de Belgische Staat dan ook geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de goederen, zodat er geen grond is om die beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde ervan aangezien die veroordeling enkel een burgerrechtelijk gevolg is in geval van de onmogelijke uitvoering van die verbeurdverklaring
(1).
(1)Cass. 7 oktober 2025, AR P.25.0842.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.19, met concl. OM; Cass. 7 oktober 2025 AR P.25.0081.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.23. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: TERUGGAVE Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

44 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 30 - 33 Het onderzoek of er rekening houdend met de voormelde elementen grond kan zijn om een beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde van de niet in beslag genomen en verbeurdverklaarde goederen en de mogelijkheid om gevolglijk af te zien van die veroordeling, verleent aan de rechter voor die veroordeling geen verdere matigingsbevoegdheid aangezien die betaling immers geen straf noch een bestuurlijke sanctie uitmaakt, maar enkel een vergoeding die de schade van de Belgische Staat dient te compenseren in geval de goederen die ingevolge de verbeurdverklaring eigendom zijn geworden niet worden voorgebracht; daardoor wordt het proportionaliteitsbeginsel niet miskend. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring BURGERLIJKE RECHTSVORDERING AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Materiële schade. Elementen en grootte Fiches 34 - 36 Noch uit artikel 261 AWDA, noch uit enige andere bepaling, volgt dat de bedoelde goederen enkel moeten worden verbeurdverklaard indien zij vooraf in beslag werden genomen. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: BESLAG - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 261 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1685.N I KGH BELGIUM nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 133, ON 0478.049.751, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, II FERPAINEL sa, met zetel te 4705-564 Priscos (Portugal), Rua Joäo Paulo II, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1180 Brussel, Churchilllaan 250, waar de eiseres woonplaats kiest, beide cassatieberoepen tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de regionale directeur van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, ON 0308.357.159, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 november 2023. De eiseres I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres II voert in een memorie dit aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eiseres II heeft op 30 oktober 2025 ter griffie een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. De eiseres 1 en de eiseres 2 zijn voor de hen ten laste gelegde feiten vrijgesproken in de mate dat deze betrekking hebben, op de aangifte 13BEI0000042259364 van 18 oktober 2013. Tevens verklaart het arrest de fiscale vordering van de verweerder ontvankelijk maar ongegrond. In zoverre de cassatieberoepen zijn gericht tegen die beslissingen, zijn ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eiseres I Eerste middel van de eiseres I Eerste onderdeel 2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek en artikel 261 AWDA: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiseres I niet aannemelijk maakt dat enige onoverwinnelijke dwaling bestond, nu zij er van uitgaan dat een douane-expediteur als algemene regel steeds verplicht is de inhoud van de door hem ontvangen documenten te laten bevestigen door navraag te doen bij de opdrachtgever, zelfs indien uit de overgelegde documenten duidelijk blijkt dat de goederen uit een bepaald land afkomstig zijn, terwijl dergelijke verplichting niet bestaat; bovendien duiden de appelrechters op geen enkele omstandigheid of feitelijk gegeven dat uit de meegedeelde documenten blijkt en op basis waarvan een normaal voorzichtig, redelijk en vooruitziend douane-expediteur zou besluiten dat kan worden getwijfeld aan de juistheid ervan en er navraag bij de opdrachtgever moet worden gedaan. 3. Dwaling kan een schuldontheffingsgrond vormen indien die dwaling onoverwinnelijk is, dit is wanneer de beklaagde heeft gehandeld zoals elk redelijk en voorzichtig persoon in een identieke situatie zou hebben gehandeld. 4. De rechter oordeelt onaantastbaar of de dwaling onoverwinnelijk is en of een beklaagde slaagt in de op hem rustende verplichting om de door hem ingeroepen schuldontheffingsgrond aannemelijk te maken. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk te verantwoorden zijn. 5. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 6. Het arrest oordeelt met betrekking tot de schuld van de eiseres I onder meer als volgt: - de onjuiste vermelding van de oorsprong van de goederen waarop de ten laste gelegde feiten betrekking hebben wordt strafbaar gesteld door artikel 261 AWDA (nr. 12); - als invoerder rustte op de eiseres II de verplichting om een correcte invoeraangifte in te dienen, waarvoor een beroep werd gedaan op de eiseres I als indirecte vertegenwoordiger (nr. 13); - de eiseres I heeft de invoeraangiften ingediend, waarbij op haar de verplichting rustte om onder meer de correcte oorsprong van de goederen te vermelden (nr. 13); - voor de eiseressen vloeit uit de overtreding van de verplichting om de correcte oorsprong te vermelden, zoals vastgesteld in het proces-verbaal van 4 oktober 2018 (18D000731), de inbreuk op artikel 261 AWDA voort, tenzij zij overmacht of onoverwinnelijke dwaling aannemelijk maken (nr. 13); - de eiseressen brengen geen enkele concrete omstandigheid van dwang of eventueel een nalatigheid of fout van een douaneautoriteit aan (nr. 15); - de eiseres I werd als expediteur ingeschakeld voor het vervullen van douaneformaliteiten en douaneverplichtingen, omwille van de specifieke expertise die zij op dit vlak heeft (nr. 16); - als professionele actor heeft de eiseres I er evenwel voor gekozen om over de oorsprong van de goederen geen enkele vorm van navraag te doen bij Oceanlog LDA of, al dan niet via tussenkomst van Oceanlog LDA, bij de eiseres II (nr. 16); - de eiseres I zou louter zijn voortgegaan op de oorsprongscertificaten (nr. 16); - nochtans wist de eiseres II dat de goederen waren vervaardigd in China en bovendien gekocht werden via een trader in Hong Kong, zodat bij navraag terzake bij deze onderneming de vraag zou zijn gerezen of de goederen een voldoende be- of verwerking hadden ondergaan in Vietnam (nr. 16); - de tijd dat de goederen in Vietnam waren, was dermate beperkt dat deze een voldoende be- of verwerking in de praktijk zo goed als onmogelijk maakten (nr. 16); - het blijkt geenszins dat deze informatie niet had kunnen worden verkregen via Oceanlog LDA en de eiseres II indien tenminste specifiek zou zijn gevraagd naar de bevestiging van de oorsprong (nr. 16); - de eiseres I heeft evenwel geen enkele navraag gedaan, zelfs niet om bevestigd te krijgen welke oorsprong volgens de opdrachtgever Oceanlog LDA diende te worden aangegeven (nr. 16); - de eiseres I maakt dan ook niet aannemelijk dat in haar hoofde een onoverwinnelijke dwaling bestond (nr. 16). 7. Met deze redenen verwijzen de appelrechters naar de specifieke omstandigheden van de zaak en oordelen zij niet als algemene regel dat een expediteur steeds verplicht is de inhoud van de door hem ontvangen documenten te laten bevestigen door navraag te doen bij de opdrachtgever. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 8. Voor het overige kan het arrest met de vermelde redenen wettig oordelen dat de eiseres I zich niet kan beroepen op de schuldontheffingsgrond van de onoverwinnelijke dwaling. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek en artikel 261 AWDA: de appelrechters stellen enkel vast dat de eiseres I bij navraag bij de opdrachtgever had kunnen vernemen dat de goederen in werkelijkheid afkomstig waren uit China; aldus laten zij minstens de mogelijkheid open dat de eiseres I niet met kennis van het misdrijf waaraan zij beweerdelijk meewerkte, maar enkel uit onachtzaamheid, heeft gehandeld en stellen zij het wettelijk vereiste moreel element van het mededaderschap van de eiseres I niet naar recht vast. 10. In de regel houdt inzake douane en accijnzen het feit van de overtreding zelf in dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht, behoudens overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Dit wettelijk omkeerbare schuldvermoeden neemt niet weg dat de dader weet moet hebben gehad van het feit van de overtreding. Bij het misdrijf dat bestaat in het verzuim aan een wettelijke verplichting te voldoen, volgt die kennis uit de kennis van de wettelijke verplichting zelf. Bij een ander misdrijf moet die kennis bij de dader worden aangetoond. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel oordeelt het arrest dat de eiseres I heeft verzuimd om de haar door de eiseres II toevertrouwde opdracht de douaneformaliteiten en -verplichtingen, waaronder het indienen van invoeraangiften met de juiste oorsprong van de goederen, correct uit te voeren. De appelrechters dienen derhalve niet de kennis van de eiseres I van het feit van de overtredingen aan te tonen, nu deze kennis volgt uit de kennis zelf van de wettelijke verplichting om correcte invoeraangiften in te dienen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 135, 261 en 261-2 AWDA: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eiseres I zich niet kan beroepen op de toepassing van artikel 135 AWDA omdat Oceanlog LDA zelf geen instructies heeft gegeven, terwijl uit de documenten die door deze laatste werden meegedeeld duidelijk blijkt dat als oorsprong Vietnam werd aangegeven en de voormelde wetsbepaling niet vereist dat de instructies schriftelijk worden gegeven of anderszins worden verduidelijkt. 13. Het arrest oordeelt niet dat artikel 135 AWDA vereist dat de instructies van de klant aan de douane-vertegenwoordiger “schriftelijk worden gegeven of anderszins worden verduidelijkt”. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 14. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiseres I Vierde onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 14 Grondwet en artikel 261 AWDA, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen is onwettig want is niet voorzien, noch in artikel 261 AWDA, noch door enige andere wettelijke bepaling; enkel de verbeurdverklaring van de goederen zelf is wettelijk bepaald en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en artikel 50 Strafwetboek zijn onvoldoende precies om deze veroordeling een wettelijke basis te geven. Er wordt gevraagd om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna Hof van Justitie): - “Maakt de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van verbeurdverklaarde, niet aangehaalde goederen, wanneer deze goederen niet kunnen worden wederovergelegd op zichzelf een straf uit in de zin van artikel 49 Handvest Grondrechten EU?” - “Schendt de verplichte veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van verbeurdverklaarde goederen die niet kunnen worden wederovergelegd het legaliteitsbeginsel zoals vervat in artikel 49 Handvest Grondrechten EU wanneer vaststaat dat voor deze veroordeling geen duidelijke wetsbepaling in de Belgische rechtsorde voorhanden is?” 15. De verbeurdverklaring die de rechter dient uit te spreken krachtens artikel 261, tweede lid, AWDA heeft een zakelijk karakter omdat het uitspreken ervan niet vereist dat de veroordeelde eigenaar is van de verbeurdverklaarde goederen en evenmin dat de overtreder bekend is. Door die verbeurdverklaring wordt de Belgische Staat van rechtswege eigenaar van de verbeurdverklaarde goederen. 16. Bij de verbeurdverklaring van niet in beslag genomen goederen rust op de veroordeelde de verplichting om deze voor te brengen. 17. De veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen houdt als dusdanig geen verbeurdverklaring per equivalent in van de niet in beslag genomen goederen en zij is evenmin preventief of repressief van aard, maar strekt ertoe de schade van de Belgische Staat te vergoeden die specifiek volgt uit het niet-bijbrengen van de verbeurdverklaarde goederen. Aldus houdt die veroordeling geen straf in, noch naar Belgisch recht, noch in de autonome interpretatie van het begrip straf in enige supranationale bepaling met rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde, noch ingevolge de werking van enig algemeen rechtsbeginsel. 18. Die veroordeling vormt daarentegen een toepassing van de uit de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek voortvloeiende regel dat elke schuldenaar van een zaak als schadevergoeding de tegenwaarde ervan moet betalen indien hij ze heeft onttrokken aan zijn schuldeiser of wanneer hij door zijn toedoen tekort komt aan de verplichting om de zaak te leveren. 19. Artikel 44 Strafwetboek bepaalt dat de veroordeling tot de bij wet bepaalde straffen altijd wordt uitgesproken onverminderd de teruggave en de schadevergoeding die aan de partijen mochten verschuldigd zijn. Die bepaling vormt een toepassing van de voormelde regel. 20. De tegenwaarde van niet in beslag genomen en verbeurdverklaarde goederen in geval van niet-voorbrenging vormt een schadevergoeding in de zin van artikel 50 Strafwetboek, zoals van toepassing, zodat de rechter alle beklaagden ten laste van wie hij de verbeurdverklaring uitspreekt, hoofdelijk moet veroordelen tot de betaling van die tegenwaarde bij de niet-voorbrenging. 21. Hieruit volgt dat de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van niet in beslag genomen en verbeurdverklaarde goederen wel degelijk wettelijk is bepaald en, als schadevergoeding waaraan de dader van het douanemisdrijf zich kan verwachten, niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. 22. Er bestaat in het licht van onder meer artikel 49 Handvest Grondrechten EU geen redelijke twijfel erover dat de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van niet in beslag genomen en verbeurdverklaarde goederen bij niet-voorbrenging ervan geen straf met inbegrip van een verbeurdverklaring per equivalent is, maar een in de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, artikel 44 Strafwetboek en artikel 50 Strafwetboek, zoals van toepassing, bepaalde maatregel van burgerlijke aard. Bijgevolg worden de prejudiciële vragen, die ervan uitgaan dat de vermelde veroordeling een straf is, niet gesteld. Derde onderdeel 23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 17 en 49 Handvest Grondrechten EU, artikel 4.3 VEU, artikel 42 DWU, artikel 14 Grondwet en artikel 261 AWDA, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel: zelfs indien de appelrechters terecht zouden hebben geoordeeld dat de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde een burgerlijke sanctie is, dienen zij minstens die veroordeling te matigen en het evenredigheidsbeginsel toe te passen. Er wordt gevraagd om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie: “Heeft de maatregel genomen ter uitvoering van het Europees douanerecht en die erin bestaat dat na een verbeurdverklaring van de goederen de betrokkenen veroordeeld worden tot het betalen van de tegenwaarde van de goederen wanneer de fysieke aanwezigheid daarvan niet kan worden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten het karakter van een sanctie in de zin van artikel 42.1 DWU en de algemene beginselen van het Unierecht, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel?” 24. Artikel 42 DWU bepaalt: “1. Iedere lidstaat stelt sancties vast voor het niet naleven van de douanewetgeving. Dergelijke sancties moeten effectief, proportioneel en afschrikkend zijn.” 2. Wanneer bestuurlijke sancties worden opgelegd, kunnen deze onder meer een of beide van de volgende vormen aannemen:

  1. a)een geldboete opgelegd door de douaneautoriteiten, in voorkomend geval met inbegrip van een schikking die in de plaats komt van een strafrechtelijke sanctie;
  2. b)de intrekking, schorsing of wijziging van een vergunning van de betrokken persoon. 3. (…).” 25. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest C 655/18 van 4 maart 2020 met betrekking tot dat artikel geoordeeld als volgt: - de verwijzende rechter stelt vast dat aan S. twee bestuurlijke sancties werden opgelegd. Volgens hem is het opleggen van een verplichting tot betaling van de tegenwaarde van de gestolen goederen een soort sanctie die onder geen van de in artikel 42.2 DWU vastgestelde sancties valt en is het ook geen vorm van beslag zoals vastgelegd in het nationale recht. De verwijzende rechter vraagt zich derhalve af of deze verplichting tot betaling van de tegenwaarde van de goederen in overeenstemming is met die bepaling en met het doeltreffendheids- en het evenredigheidsbeginsel, rekening gehouden met het feit dat die verplichting wordt gecumuleerd met een geldboete; - met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 42.1 DWU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan de houder van een vergunning douane-entrepot in geval van onttrekking aan het douanetoezicht van onder de regeling douane-entrepot geplaatste goederen naast een geldboete een bedrag moet betalen dat overeenkomt met de waarde van die goederen; - uit de verwijzingsbeslissing volgt dat artikel 234a, eerste lid, van de Bulgaarse douanewet in geval van onttrekking aan het douanetoezicht voorziet in een geldboete die tussen 100 procent en 200 procent van de waarde van de onttrokken goederen bedraagt en dat artikel 234a, derde lid, van die wet gelezen in onderlinge samenhang met artikel é, zesde lid, ervan, bepaalt dat degene die voor die onttrekking verantwoordelijk is een bedrag moet betalen dat overeenkomt met de waarde van die goederen; - de verwijzende rechter kwalificeert de verplichting van de verantwoordelijke voor de inbreuk om naast een geldboete een bedrag te betalen dat overeenkomt met de waarde van de aan het douanetoezicht onttrokken goederen, terecht als een sanctie; - overeenkomstig artikel 42.1 DWU moeten de door de lidstaten vastgestelde sancties voor het niet-naleven van de douanewetgeving effectief, proportioneel en afschrikkend zijn; - in dit verband zij eraan herinnerd dat bij het ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een door die wetgeving ingestelde regeling, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die zij passend achten; - zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en derhalve met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel; - in het bijzonder mogen de bestuursrechtelijke of repressieve maatregelen die krachtens een nationale wettelijke regeling zijn toegestaan, niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelen die met deze wettelijke regeling worden nagestreefd en mogen zij bovendien niet onevenredig zijn aan die doelen; - in casu lijkt een sanctie die bestaat in de verplichting om een bedrag te betalen dat overeenkomt met de waarde van de aan het douanetoezicht onttrokken goederen niet evenredig en dit los van het feit dat deze sanctie boven op de in artikel 234a, eerste lid, van de Bulgaarse douanewet bedoelde sanctie komt. Een dermate hoge sanctie gaat immers verder dan hetgeen noodzakelijk is om te waarborgen, met name, dat de onder de regeling douane-entrepot geplaatste goederen niet aan het douanetoezicht worden onttrokken; - in deze context zij in herinnering gebracht dat de in artikel 42 DWU bedoelde sancties geen eventuele frauduleuze of illegale activiteiten beogen te bestraffen, maar elke niet-naleving van de douanewetgeving; - een sanctie als bedoeld in artikel 234a, derde lid, van de Bulgaarse douanewet, gelezen in samenhang met artikel é, zesde lid, ervan, lijkt onevenredig met de douaneschuld die is ontstaan door de onttrekking aan het douanetoezicht van onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen; - gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 42.1 DWU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan de houder van een vergunning douane-entrepot in geval van onttrekking aan het douanetoezicht van onder de regeling douane-entrepot geplaatste goederen naast een geldboete ook het bedrag moet betalen dat overeenkomt met de waarde van die goederen. 26. Uit dat arrest blijkt dat artikel 42.1 DWU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, enkel van toepassing is op bestuursrechtelijke sancties, eventueel van repressieve aard, die lidstaten kunnen bepalen in geval van de niet-naleving van de douanewetgeving, maar dat die bepaling niet van toepassing is op de gevolgen die de rechter van een lidstaat op grond van geldende nationale wetsbepalingen dient te hechten aan het plegen van een douanemisdrijf, zoals de verplichting tot het opleggen aan de wegens dat misdrijf tot straf veroordeelde dader van een burgerrechtelijke maatregel die bestaat in de verplichting tot het betalen van de tegenwaarde van fictief aangehaalde en verbeurdverklaarde goederen teneinde de rechten van de Schatkist te vrijwaren indien die goederen niet worden bijgebracht. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 27. Die uitlegging van artikel 42 DWU is dermate evident dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan. Bijgevolg wordt de prejudiciële vraag niet gesteld. 28. Aangezien de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen geen straf noch een bestuurlijke sanctie uitmaakt, maar enkel een vergoeding die de schade van de Belgische Staat dient te compenseren in geval de goederen die ingevolge de verbeurdverklaring eigendom zijn geworden niet worden voorgebracht, dient de rechter niet over de bevoegdheid te beschikken om die veroordeling te matigen teneinde te voldoen aan enig evenredigheidsbeginsel. In zoverre faalt het onderdeel eveneens naar recht. Eerste onderdeel 29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 17 Handvest Grondrechten EU, artikel 4.3 VEU, artikel 42 DWU en artikel 261 AWDA, alsmede miskenning van het proportionaliteitsbeginsel: de appelrechters spreken ten onrechte de verbeurdverklaring uit van de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft en veroordelen de eiseres I tot de betaling van het bedrag van 759.053,39 euro, zijnde de tegenwaarde ervan ingeval deze niet kunnen worden wederovergelegd, niettegenstaande de beperkte ernst van de bewezen verklaarde inbreuk, het beperkt karakter van de opgelegde geldboete als hoofdstraf, de vaststelling dat geen rechten werden ontdoken en de vaststelling dat de eiseres I op civielrechtelijk vlak geen voordeel heeft genoten dat zij anders niet zou hebben genoten; het verplicht karakter van de verbeurdverklaring van de goederen overeenkomstig artikel 261 AWDA kan in de concrete omstandigheden van de zaak, zoals vastgesteld door de appelrechters, disproportioneel en onredelijk worden genoemd in de zin dat het recht op eigendom van de eiseres I wordt bedreigd doordat de rechter geen matigingsbevoegdheid heeft op grond van de ernst van de concreet gepleegde inbreuk en haar concrete financiële positie. Er wordt gevraagd om de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie: - “Schendt artikel 261 van de algemene wet inzake douane en accijnzen het eigendomsrecht zoals vervat in artikel 17 Handvest Grondrechten EU doordat zij aan de strafrechter de verplichting oplegt om de verbeurdverklaring uit te spreken en bijgevolg ook de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de goederen uit te spreken wanneer de goederen niet meer kunnen worden weder overgelegd, zonder dat de strafrechter rekening kan houden met de financiële toestand van de veroordeelde en zonder dat de strafrechter kan nagaan of de gevolgen van de verplichte verbeurdverklaring in verhouding staan met die financiële situatie of het aandeel van de betrokkene in de gepleegde strafbare feiten?” - “Schendt artikel 261 van de Algemene wet inzake Douane en Accijnzen de algemene Europese beginselen van proportionaliteit, effectiviteit en afschrikwekkend karakter van een straf doordat zij aan de strafrechter de verplichting oplegt om de verbeurdverklaring uit te spreken en bijgevolg ook de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de goederen uit te spreken wanneer de goederen niet meer kunnen worden wederovergelegd, zonder dat de strafrechter rekening kan houden met het feit dat het bedrag van de tegenwaarde van de goederen wordt begroot op 759.053,39 euro terwijl de gedaagde douane-expediteur slechts 225,00 euro voor zijn prestaties factureerde, het eerstgenoemde bedrag bovendien meer dan procent van zijn eigen vermogen uitmaakt, de goederen geen verboden goederen zijn en er geen aan de overheid toekomende rechten werden ontdoken?” 30. De rechter is in beginsel verplicht de verbeurdverklaring van de in artikel 261 AWDA bedoelde goederen uit te spreken. Met betrekking tot de verbeurdverklaring bepaald in artikel 30, vierde lid, van de wet van 21 december 2009 betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie oordeelde het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 11/2025 van 30 januari 2025 meer in het bijzonder dat: - een verbeurdverklaring het recht op ongestoord genot van eigendom schendt indien zij op de persoon aan wie ze is opgelegd een buitengewone last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie, in het licht van de gepleegde inbreuk; - de bedoelde verbeurdverklaring betrekking heeft op het voorwerp van het accijnsmisdrijf en een bijkomende vermogensstraf vormt met een verplicht karakter; - die verbeurdverklaring op zich niet onbestaanbaar is met het recht op het ongestoord genot van de eigendom; - in bepaalde gevallen echter de door de rechter op te leggen verbeurdverklaring dermate afbreuk kan doen aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, waardoor die verbeurdverklaring wel een schending van het eigendomsrecht met zich meebrengt; - het eigendomsrecht aldus geschonden is wanneer er een manifest onevenwicht bestaat tussen, enerzijds, de omvang en de gevolgen van de verbeurdverklaring voor de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd, en, anderzijds, de gepleegde inbreuk en de doelstellingen die met de verbeurdverklaring worden beoogd, tevens rekening houdend met het bijzondere en ontradende karakter en het collectieve herstelkarakter van het douane- en accijnsstrafrecht; - in zoverre het de rechter ertoe verplicht de verbeurdverklaring uit te spreken van de accijnsproducten die het voorwerp van het misdrijf uitmaken wanneer die straf dermate afbreuk doet aan de financiële toestand van de persoon aan wie ze is opgelegd dat die persoon aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen, de getoetste wetsbepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 17, eerste lid, Handvest Grondrechten EU. 31. Uit die rechtspraak, die overeenstemmend van toepassing is op de in artikel 261 AWDA bedoelde verbeurdverklaring, volgt dat de rechter moet afzien van het opleggen van de verbeurdverklaring van de goederen wanneer die bijkomende bestraffing tot gevolg zou hebben dat daardoor aan een beklaagde een onredelijk zware straf zou worden opgelegd. Bijgevolg is de rechter, alvorens over die verbeurdverklaring uitspraak te doen en ongeacht of de goederen in beslag werden genomen, ertoe gehouden na te gaan of daarmee aan een beklaagde geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar en kan daarbij rekening houden met de vermogenstoestand van de beklaagde zoals die blijkt uit de elementen die aan zijn beoordeling zijn voorgelegd, diens persoonlijkheid en rol bij de feiten, de aard en de zwaarwichtigheid van het bewezenverklaarde misdrijf en het door de beklaagde nagestreefde voordeel, zonder dat de rechter noodzakelijk al die elementen bij zijn beoordeling moet betrekken. 32. Wanneer de rechter, om het uitspreken van een onredelijk zware straf te vermijden, ervan afziet aan een beklaagde de verbeurdverklaring van de betrokken goederen op te leggen, kan op die beklaagde evenmin de verplichting rusten om die goederen voor te brengen. Bij gebrek aan verbeurdverklaring kan er voor de Belgische Staat dan ook geen recht op schadevergoeding bestaan wegens het louter niet-voorbrengen van de goederen, zodat er geen grond is om die beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde ervan. Die veroordeling is enkel een burgerrechtelijk gevolg in geval van de onmogelijke uitvoering van die verbeurdverklaring. 33. Het onderzoek of er rekening houdend met de voormelde elementen grond kan zijn om een beklaagde te veroordelen tot de betaling van de tegenwaarde van de niet in beslag genomen en verbeurdverklaarde goederen en de mogelijkheid om gevolglijk af te zien van die veroordeling, verleent aan de rechter voor die veroordeling geen verdere matigingsbevoegdheid. Die betaling maakt immers geen straf noch een bestuurlijke sanctie uit, maar enkel een vergoeding die de schade van de Belgische Staat dient te compenseren in geval de goederen die ingevolge de verbeurdverklaring eigendom zijn geworden niet worden voorgebracht. Daardoor wordt het proportionaliteitsbeginsel niet miskend. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 34. De prejudiciële vragen die berusten op die onjuiste rechtsopvatting, dienen niet te worden gesteld. 35. Het arrest (p. 20, randnr. 29) oordeelt dat de eiseres I niet aannemelijk maakt dat een verbeurdverklaring zou voorliggen die dermate afbreuk zou kunnen doen aan haar financiële toestand dat ze een onevenredige maatregel zou kunnen vormen ten aanzien van het ermee nagestreefde wettige doel en een miskenning zou kunnen inhouden van het recht op de eerbiediging van haar eigendomsrecht, alsook dat de verwijzing naar het eigen vermogen van de eiseres I daaraan geen afbreuk doet. Daaruit blijkt dat de appelrechters, alvorens over de verbeurdverklaring van de betrokken goederen uitspraak te doen, hebben nagegaan of met die verbeurdverklaring aan de eiseres I geen onredelijk zware straf zou worden opgelegd, rekening houdend met haar vermogenstoestand zoals die blijkt uit de elementen die aan hun beoordeling zijn voorgelegd en hebben geoordeeld dat dit niet het geval was. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 36. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling door de appelrechters van de financiële toestand van de eiseres I en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 37. Het onderdeel voert schending aan van artikel 261 AWDA: de appelrechters leggen ten onrechte de verbeurdverklaring en derhalve de daaruit voortvloeiende veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van de goederen op, nu uit hun vaststellingen en de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan duidelijk blijkt dat de verbeurdverklaarde goederen niet vooraf in beslag werden genomen. 38. Artikel 261, tweede lid, AWDA bepaalt: “De goederen ten aanzien waarvan die inbreuken zijn gepleegd, worden in beslag genomen en verbeurd verklaard.” 39. Uit die, noch uit enige andere bepaling, volgt dat de bedoelde goederen enkel moeten worden verbeurdverklaard indien zij vooraf in beslag werden genomen. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Middel van de eiseres II Eerste onderdeel 40. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 2, 7, 42, 43bis, zoals hier toepasselijk en 100 Strafwetboek en artikel 261, tweede lid, AWDA, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationaal recht, inclusief het recht van de Europese Unie, op bepalingen van het nationaal recht: de appelrechters bevelen ten onrechte de verbeurdverklaring ten laste van onder meer de eiseres II van de niet in beslag genomen goederen die het voorwerp waren van de aangiften 13BEI0000044937913 van 6 november 2013 en 13BEI0000046898277 van 20 november 2013 en veroordelen onder meer de eiseres II ten onrechte solidair bij niet-wederoverlegging ervan tot het betalen aan de verweerder van de som van 759.053,39 euro, zijnde de tegenwaarde ervan in geval deze niet kunnen worden wederovergelegd, aangezien de feiten zich hebben voorgedaan op een ogenblik dat de strafwet niet in een verbeurdverklaring bij equivalent voorzag en er in deze zaak nooit enig beslag is geweest dat de toepassing van artikel 261, tweede lid, AWDA zou kunnen verantwoorden. 41. Om dezelfde redenen als vermeld in het antwoord op het tweede en vierde onderdeel van het tweede middel van de eiseres I houdt de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen, die door de veroordeelde niet kunnen worden voorgebracht, en dus per definitie ook niet in beslag kunnen worden genomen, als dusdanig geen verbeurdverklaring per equivalent in. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 42. Het onderdeel voert schending aan van artikel 42 DWU en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationaal recht, inclusief het recht van de Europese Unie, op bepalingen van het nationaal recht: zelfs indien de appelrechters terecht zouden hebben geoordeeld dat de veroordeling tot de betaling van de tegenwaarde een burgerlijke sanctie is, dienen zij minstens deze veroordeling te matigen en het evenredigheidsbeginsel toe te passen. Er wordt gevraagd om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie: “Heeft de maatregel genomen ter uitvoering van het Europees douanerecht en die erin bestaat dat na een verbeurdverklaring van de goederen de betrokkenen veroordeeld worden tot het betalen van de tegenwaarde van de goederen wanneer de fysieke aanwezigheid daarvan niet kan worden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten het karakter van een sanctie in de zin van artikel 42.1 DWU en de algemene beginselen van het Unierecht, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel?” 43. Om dezelfde redenen als vermeld in het antwoord op het derde onderdeel van het tweede middel van de eiseres I is het onderdeel te verwerpen en wordt de prejudiciële vraag niet gesteld. Derde onderdeel 44. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, artikel 7 Strafwetboek en artikel 261, tweede lid, AWDA, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationaal recht, inclusief het recht van de Europese Unie, op bepalingen van het nationaal recht: de appelrechters veroordelen de eiseres II ten onrechte tot de betaling van de tegenwaarde van 759.053,39 euro van nooit, niet eens fictief, in beslag genomen goederen voor een wanbedrijf dat slechts met een boete van 1.000,00 euro wordt bestraft; er bestaat geen verband van evenredigheid tussen, enerzijds een louter technisch wanbedrijf bestaande in de onjuiste vermelding van de oorsprong van een product, zonder enige implicatie op het verschuldigd zijn van douanerechten en strafbaar gesteld met een geldboete van 1.000,00 euro en anderzijds, de fictieve verbeurdverklaring, op basis van een vijf jaar na de feiten opgesteld proces-verbaal, voor een bedrag van 759.053,39 euro, met dien verstande dat de verweerder niet eens de litigieuze goederen fictief in beslag heeft genomen, zoals hij nochtans gewoonlijk doet, zodat de tegenwaarde van 759.053,99 euro voor de kwestieuze goederen een zuivere verrijking van de verweerder vormt. Er wordt gevraagd om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens: “Schendt artikel 261, tweede lid, AWDA artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, voor zover het de verbeurdverklaring toestaat, op basis van een proces-verbaal dat vijf jaar na de feiten is opgemaakt van goederen die nooit in beslag zijn genomen, ten bedrage van 759.053,39 euro, terwijl het enige strafbare feit dat de eiseres II ten laste werd gelegd, werd bestraft met een geldboete van 1.000,00 euro wegens het niet vermelden van de precieze herkomst van de betwiste producten?” 45. Het EVRM voorziet niet in een rechtstreekse prejudiciële vraagstelling aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens door de nationale rechtscolleges. De prejudiciële vraag kan niet worden gesteld. 46. Voor het overige is het onderdeel om dezelfde redenen als vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel van de eiseres I te verwerpen. Ambtshalve onderzoek 47. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 175,51 euro, waarvan eiseres I 87,75 euro is verschuldigd en eiseres II 87,76 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 4 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251104.2N.99 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260203.2N.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.19 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.