id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251112.2N.6 Rolnummer: P.25.1468.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-11-14 Raadplegingen: 466 - laatst gezien 2026-06-15 09:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 De kamer van inbeschuldigingstelling die binnen de vijftien dagen uitspraak doet over het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, moet geen vermelding bevatten over de handhaving van de vrijheidsberoving; uit artikel 20, § 4, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat het definitieve besluit het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen de titel van vrijheidsberoving oplevert tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende staat. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20, § 4, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: UITLEVERING Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20, § 4, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20, § 4, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20, § 4, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20, § 4, eerste lid - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1468.N B. V., persoon voor wie een overleveringsverzoek door het Verenigd Koninkrijk is ingediend, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 17, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het arrest doet geen uitspraak over het al dan niet handhaven van eisers hechtenis.
- De kamer van inbeschuldigingstelling die binnen de vijftien dagen uitspraak doet over het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, moet geen vermelding bevatten over de handhaving van de vrijheidsberoving. Uit artikel 20, § 4, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat het definitieve besluit het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen de titel van vrijheidsberoving oplevert tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende staat. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede en derde middel
- Het tweede middel voert schending aan van artikel 6.4° Europees Aanhoudingsbevel en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest neemt betreffende eisers uitvoerig verweer over de ernstige aantasting van zijn kansen op reclassering door de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel geen gemotiveerde beslissing. Het derde middel voert schending aan van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest gaat niet in op eisers aanvoering dat zijn overlevering de uitvoering impliceert van een gevangenisstraf van achttien jaar wegens inbreuken op de Drugwet, terwijl die straf hoger is dan het maximum dat in België kan worden opgelegd; bovendien is van enige organisatie of vereniging of leiderschap geen sprake.
- Het arrest verwerpt eisers verzoek om de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6.4° Wet Strafuitvoering toe te passen onder meer op de volgende gronden: - voor de overname van strafuitvoering van een buitenlandse veroordeling moet toepassing worden gemaakt van de wet van 15 mei 2012 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie, ter uitvoering van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van 27 november 2008 van de Raad inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (hierna Kaderbesluit 2008/909), waarin wordt voorzien dat de beslissingsstaat als enige beslist om het vonnis en het certificaat toe te zenden aan de uitvoeringsstaat (artikel 5, § 2) en ook niet is verplicht in te gaan op een eventueel verzoek in die zin van de uitvoeringsstaat of de betrokkene (artikel 5, § 3); - zonder de toezending van het vonnis en het certificaat door de beslissingsstaat kan de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel niet worden toegepast; - het Hof van Justitie van de Europese Unie besliste ook in die zin met het arrest van 4 september 2025 (C-305/22) van de Grote Kamer: de toepassing van deze weigeringsgrond veronderstelt dat de uitvoeringsstaat zich daadwerkelijk ertoe verbindt om de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen, wat noodzakelijkerwijze betekent dat de autoriteiten van die staat de opgelegde sanctie erkennen overeenkomstig de bepalingen van het Kaderbesluit 2008/909; - dit houdt volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie meer concreet in dat de beslissingsstaat uitdrukkelijk toestemming moet verlenen voor de overname van de strafuitvoering overeenkomstig het Kaderbesluit vooraleer toepassing kan worden gemaakt van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6.4° Wet Europees Aanhoudingsbevel; - in deze zaak blijkt uit geen enkel element van het dossier de toestemming van het Verenigd Koninkrijk. Integendeel, het door het Verenigd Koninkrijk uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel getuigt er juist van dat de voorkeur wordt gegeven aan de tenuitvoerlegging van de straf op het eigen grondgebied boven de overname van de strafuitvoering zoals voorzien door het Kaderbesluit 2008/
- Die redenen, welke door de middelen niet worden bekritiseerd, schragen de bestreden beslissing.
- De middelen, al waren ze gegrond, kunnen dan ook niet tot cassatie leiden en zijn bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Françoise Roggen, Tamara Konsek en Frédéric Lugentz, en in openbare rechtszitting van 12 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251112.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div