← België

AXA BELGIUM nv c. VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET E

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251117.3N.5 Rolnummer: C.22.0444.N Zaak: AXA BELGIUM nv c. VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET E Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2025-12-09 Raadplegingen: 375 - laatst gezien 2026-06-15 09:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche De omstandigheid dat het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap een tegemoetkoming verleent aan een persoon met een handicap die zich niet kan richten tot een aansprakelijke derde, impliceert niet dat de door het agentschap betaalde tegemoetkoming ten behoeve van een persoon met een handicap die zich wel kan richten tot een aansprakelijke derde ter vergoeding van de schade die uit die handicap voortvloeit, geen vergoedbare schade uitmaakt in de zin van artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek. Thesaurus CAS: MINDERVALIDEN Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap - 07-05-2004 - Art. 14, eerste, derde en vierde lid - 62 ELI link Pub nr 2004035909 Decreet van de Vlaamse Overheid van 21 juni 2013 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin - 21-06-2013 - Art. 39 - 17 ELI link Pub nr 2013204518 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0444.N AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.483.367, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP, met zetel te 1000 Brussel, Simon Bolivar 17, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0887.164.275, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 28 juni

  1. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 22 augustus 2025 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. De appelrechter oordeelt dat: - de eerste rechter terecht heeft gesteld dat de vordering van de verweerder wat betreft de subrogatoire vordering begrensd is door een dubbele grens, met name dat de verweerder nooit meer kan terugvorderen dan datgene wat hij effectief heeft betaald en nooit op meer aanspraak kan maken dan het slachtoffer B. kan laten gelden in gemeen recht voor deze schade; - de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de verweerder enkel de kosten kan terugvorderen die B. zelf had moeten betalen aan de instelling indien hij geen aanspraak had kunnen maken op de tussenkomst van de verweerder. Hiermee verwerpt en beantwoordt de appelrechter het in het middel bedoelde verweer dat voor de bepaling van de vergoedbare schade ervan moet worden uitgegaan dat B. steeds aanspraak had kunnen maken op de tussenkomst van de verweerder middels subsidies, zodat deze laatste geen vergoedbare schade kunnen uitmaken. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  3. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiseres de kost van de opvang en bijstand van B. raamt op 13 euro per uur en de eerste rechter het debat op dit punt heropende teneinde hierover standpunt in te nemen; - hij zich in tegenstelling tot de eerste rechter kan vinden in de stelling van de verweerder, die de reële kost raamt aan de hand van personeelspunten en op basis van de reële aanwezigheden van B., bepaald op grond van het besluit van 26 februari 2016 van de Vlaamse Regering houdende erkenning en subsidiëring van multifunctionele centra voor minderjarige personen met een handicap; - ingevolge dit system niet meer wordt gewerkt met dagprijzen, maar met personeelspunten. Hiermee verwerpt en beantwoordt de appelrechter het in het onderdeel bedoelde verweer dat de vergoedbare schade moet bepaald worden op basis van dagprijzen aan 13 euro per uur. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  4. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de subsidiekost ervoor zorgt dat de instelling op zich kan functioneren, doch voor het slachtoffer B. niet kan worden aangezien als vergoedbare schade; - enkel de geïndividualiseerde kost, die speciaal gemaakt werd voor B., als vergoedbare schade in aanmerking komt; - de verweerder de reële kost raamt aan de hand van de personeelspunten en op basis van de reële aanwezigheden van B; - de prijs per personeelspunt werd verkregen door de totale subsidiekost van het desbetreffende jaar te delen door het totaal van de ingezette personeelspunten door het multifunctioneel centrum; - de gewone kosten voor onderwijs en maaltijden niet in die prijs zijn verrekend; - de verweerder op die manier de kost voor een collectieve voorziening terugbrengt naar de prijs van één gebruiker, te weten B. en het deze kost is die het gevolg is van het ongeval die de verweerder kan terugvorderen; - indien de verweerder deze kosten niet bij wijze van subsidiëring had voorgeschoten, B. dezelfde hulp had nodig gehad en hij die zelf had moeten bekostigen. Aldus geeft de appelrechter te kennen dat de verweerder voor de bepaling van de eerste grens bij zijn berekening rekening houdt met de specifieke nood aan hulp van B. en verwerpt en beantwoordt hij het in het onderdeel bedoeld verweer. Het onderdeel ga mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  5. Krachtens artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek verplicht elke daad van de mens waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. Krachtens artikel 14, eerste lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, hierna Oprichtingsdecreet VAPH, krijgt een persoon met een handicap geen tegemoetkoming van het agentschap als hij krachtens andere wetten, decreten met uitzondering van het decreet houdende organisatie van de zorgverzekering, ordonnanties of reglementaire bepalingen, of krachtens gemeen recht, voor dezelfde schade en op grond van dezelfde handicap al een schadeloosstelling heeft gekregen. De persoon met een handicap moet zijn aanspraak op deze schadeloosstelling doen gelden. Krachtens artikel 14, derde lid, Oprichtingsdecreet VAPH worden de tegemoetkomingen van het agentschap, in afwachting van de daadwerkelijke schadeloosstelling krachtens andere wetten, decreten, ordonnanties of reglementaire bepalingen of krachtens gemeen recht, toegekend onder de door de Vlaamse regering vastgestelde voorwaarden. Krachtens artikel 14, vierde lid, Oprichtingsdecreet VAPH, treedt het agentschap, ten belope van het bedrag van de aan een persoon met een handicap uitgekeerde tegemoetkoming, in diens rechten en rechtsvorderingen tegen de derden die de schadeloosstelling, bedoeld in het derde lid, verschuldigd zijn. Artikel 39 van het decreet houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van 21 juni 2013 bepaalt dat voormeld artikel 14, vierde lid, zo wordt uitgelegd dat de uitgekeerde tegemoetkoming betrekking heeft op alle tegemoetkomingen die het agentschap heeft verleend voor de persoon met een handicap. Uit deze bepalingen volgt dat de omstandigheid dat de verweerder een tegemoetkoming verleent aan een persoon met een handicap die zich niet kan richten tot een aansprakelijke derde, niet impliceert dat de door de verweerder betaalde tegemoetkoming ten behoeve van een persoon met een handicap die zich wel kan richten tot een aansprakelijke derde ter vergoeding van de schade die uit die handicap voortvloeit, geen vergoedbare schade uitmaakt in de zin van artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde onderdeel Eerste subonderdeel
  6. De appelrechter stelt vast dat B. zorgaanvragen heeft ingediend bij de verweerder voor tussenkomsten en dat hij in de periode van 2 september 2013 tot 31 augustus 2017 wordt ondersteund door het centrum Dominiek Savio voor een bedrag van 100.010,93 euro. Hij oordeelt dat: - de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de verweerder enkel de kosten kan terugvorderen die B. zelf had moeten betalen aan de instelling, indien hij geen aanspraak had kunnen maken op de tussenkomst van de verweerder; - de verweerder de kost voor een collectieve voorziening terugbrengt naar de prijs van één gebruiker, te weten B., door de reële kost te ramen aan de hand van personeelspunten en op basis van de reële aanwezigheden van B.; - het deze kost is die het gevolg is van het ongeval, die de verweerder kan terugvorderen; - indien de verweerder deze kosten niet bij wijze van subsidiëring had voorgeschoten, B. dezelfde hulp had nodig gehad en hij die zelf had moeten bekostigen.
  7. Het subonderdeel dat aanvoert dat de appelrechter geen rekening houdt met het feit dat B. een gesubsidieerde plaats in Dominiek Savio verkregen had bij de beoordeling van de omvang van het subrogatierecht van de verweerder, berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede subonderdeel
  8. Het subonderdeel maakt geen zelfstandige grief uit, maar is afgeleid uit het in het tweede onderdeel tevergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. Het subonderdeel is niet ontvankelijk. Zesde onderdeel
  9. Het onderdeel maakt geen zelfstandige grief uit, maar is afgeleid uit het in het derde onderdeel tevergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 320,05 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 17 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251117.3N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.