id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251117.3N.7 Rolnummer: C.22.0121.N Zaak: H. contra SEB LIFE INTERNATIONAL ASSURANCE COMPANY Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Unierecht Invoerdatum: 2025-12-09 Raadplegingen: 494 - laatst gezien 2026-06-15 09:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Richtlijn 93/13/EEG verzet er zich tegen dat nationale regels een verjaringstermijn kunnen vastleggen voor de vordering van een consument tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in zijn overeenkomst met een verkoper
(1).
(1)Artikel 75, § 1, van de wet van 6 april 2010, voor de opheffing ervan door de wet van 21 december
- Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, voor de contractuele betrekkingen van de titularissen van vrije beroepen met hun cliënten - 05-04-1993 - Art. 6, eerste lid - 37 Link Justel databank 19930405-37 Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, voor de contractuele betrekkingen van de titularissen van vrije beroepen met hun cliënten - 05-04-1993 - Art. 7, eerste lid - 37 Link Justel databank 19930405-37 Wet 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (Marktpraktijkenwet) - 06-04-2010 - Art. 75, § 1 - 03 ELI link Pub nr 2010011166 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, voor de contractuele betrekkingen van de titularissen van vrije beroepen met hun cliënten - 05-04-1993 - Art. 6, eerste lid - 37 Link Justel databank 19930405-37 Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, voor de contractuele betrekkingen van de titularissen van vrije beroepen met hun cliënten - 05-04-1993 - Art. 7, eerste lid - 37 Link Justel databank 19930405-37 Wet 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (Marktpraktijkenwet) - 06-04-2010 - Art. 75, § 1 - 03 ELI link Pub nr 2010011166 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0121.N S.H., eiser, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiser woonplaats kiest, tegen SEB LIFE INTERNATIONAL ASSURANCE COMPANY DAC, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te Dublin 2 (Ierland), Riverside IV, Bloodstone Building, Sir John Rogerson’s Quay, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 november
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 29 augustus 2025 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Na te hebben vastgesteld dat de eiser niet bewijst dat de verweerster enige regel van openbare orde en algemeen belang schond, oordeelt de appelrechter dat artikel 88 Verzekeringswet geldt voor de vorderingen tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de appelrechter oordeelt dat artikel 88 Verzekeringswet op iedere vordering van toepassing is, daaronder begrepen de vordering tot nietigverklaring van een verzekeringsovereenkomst wegens schending van een bepaling van openbare orde, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede tot en met vierde onderdeel
- Artikel 75, § 1, van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, zoals van toepassing, bepaalt dat elk onrechtmatig beding verboden en nietig is. De overeenkomst blijft bindend voor de partijen indien ze zonder de onrechtmatige bedingen kan voortbestaan. De consument kan geen afstand doen van de rechten die hem bij deze afdeling worden toegekend.
- Deze wetsbepaling zet artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna Richtlijn 93/13/EEG, in het Belgische recht om.
- Artikel 6, eerste lid, Richtlijn 93/13/EEG vereist dat de lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan. Artikel 7, eerste lid, van vermelde richtlijn vereist dat de lidstaten erop toezien dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.
- In het arrest van 10 juni 2021, BNP Paribas Personal Finance SA, C 776/19 tot en met C 782/19, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de consument, met name om te garanderen dat de rechten die hij aan Richtlijn 93/13/EEG ontleent doeltreffend worden beschermd, het oneerlijke karakter van een contractueel beding te allen tijde moet kunnen aanvoeren, niet alleen als verweermiddel, maar ook om een contractueel beding als oneerlijk te laten aanmerken door de rechter, zodat er geen verjaringstermijn kan gelden voor de vordering van de consument tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument. Artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, Richtlijn 93/13/EEG moeten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan er voor een vordering van een consument tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een tussen een verkoper en die consument gesloten overeenkomst een verjaringstermijn geldt.
- In zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat nationale regels een verjaringstermijn voor de vordering van een consument tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in zijn overeenkomst met een verkoper kunnen vastleggen, terwijl Richtlijn 93/13/EEG zich tegen dergelijke verjaringstermijn verzet, falen ze naar recht.
- In zoverre de onderdelen ervan uitgaan dat artikel 5 van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, zoals van toepassing, Richtlijn 93/13/EEG in het Belgische recht omzet, falen ze eveneens naar recht.
- De door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en het Grondwettelijk Hof zijn niet relevant om de onderdelen te beoordelen en worden aldus niet gesteld. Tweede middel
- Krachtens artikel 64 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, voor zijn wijziging bij de wet van 17 juli 2013, is het verboden om, behoudens nader bepaalde uitzonderingen, op het Belgische grondgebied een mededeling te verrichten die gericht is aan meer dan honderd natuurlijke of rechtspersonen die geen gekwalificeerde beleggers zijn, met de bedoeling informatie of raad te verstrekken of de vraag hiernaar uit te lokken in verband met al dan niet reeds uitgegeven beleggingsinstrumenten die het voorwerp uitmaken of zullen uitmaken van een aanbieding tot verkoop of inschrijving, wanneer deze mededeling wordt verricht door een persoon die in staat is om de betrokken beleggingsinstrumenten uit te geven of over te dragen, of door een persoon die voor rekening van laatstgenoemde persoon handelt.
- De appelrechter stelt niet-bekritiseerd vast dat: - Guardian aan de verweerster meldde dat het gevraagde RBC-plan niet meer beschikbaar was en bij dit bericht de prospectus van een ander product voegde, het EEA Life Settlements Fund; - de eiser opdracht gaf om de inschrijving op het RBC-plan om te zetten in een inschrijving op het EEA Fund; - Guardian de prospectus van EEA Life Settlements Fund aan de eiser bezorgde; - uit niets blijkt dat de verweerster op grote schaal, of voor minimum honderd personen bestemde, misleidende reclame in België heeft gevoerd voor fondsen niet goedgekeurd door de FSMA; - de FSMA de bewuste viaticale regelingen in 2011 nog niet verbood, ook niet ten aanzien van niet-professionele beleggers.
- Op grond van deze redenen, waarmee de appelrechter te kennen geeft dat noch de verweerster noch Guardian artikel 64 van de voormelde wet van 16 juni 2006 heeft geschonden, kan de appelrechter oordelen dat het irrelevant is of dit artikel 64 al dan niet van openbare orde is. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 340,62 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 17 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251117.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div