id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251117.3N.8 Rolnummer: C.24.0246.N Zaak: GEBROEDERS HENDRICKX contra AG INSURANCE Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2025-12-09 Raadplegingen: 750 - laatst gezien 2026-06-18 16:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251117.3N.8 Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - AANSPRAKELIJKHEID - Werknemer. Werkgever Tekst van de beslissing Nr. C.24.0246.N 1. GEBROEDERS HENDRICKX nv, met zetel te 3900 Pelt, Haltstraat 92, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0413.538.912, 2. FEDERALE VERZEKERING cv, coöperatieve vennootschap voor verzekering tegen ongevallen, brand, burgerlijke aansprakelijkheid en diverse risico’s, met zetel te 1000 Brussel, Stoofstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.257.506, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen 1. AG INSURANCE nv, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.494.849, eerste verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eerste verweerster woonplaats kiest, 2. ARCHITECTEN@NOVA-ZEMBLA bv, met zetel te 3940 Hechtel-Eksel, Kerkstraat 13, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0476.417.577, tweede verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep Antwerpen van 13 februari 2024. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 3 september 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 1 oktober 2025 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseressen doen afstand van hun cassatieberoep in zoverre dit gericht is tegen de tweede verweerster. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand 1. De afstand kan worden verleend. Eerste middel 2. Krachtens artikel 47, eerste en tweede lid, Arbeidsongevallenwet kunnen de verzekeringsonderneming en Fedris een rechtsvordering instellen tegen de voor het arbeidsongeval aansprakelijke tot beloop van de krachtens artikel 46, § 2, eerste lid, gedane uitkeringen, de ermee overeenstemmende kapitalen, alsmede de bedragen en kapitalen bedoeld bij de artikelen 51bis, 51ter en 59quinquies. Zij kunnen die burgerlijke vordering instellen op dezelfde wijze als het slachtoffer of zijn rechthebbenden en worden gesubrogeerd in de rechten die de getroffene of zijn rechthebbenden bij niet-vergoeding overeenkomstig artikel 46, § 2, eerste lid, krachtens het gemene recht hadden kunnen uitoefenen. Krachtens artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet is, ongeacht de uit deze wet voortvloeiende rechten, de rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegen de werkgever, zijn lasthebbers en aangestelden slechts mogelijk voor de getroffene of zijn rechthebbenden in de in deze bepaling opgesomde gevallen. Wanneer schade veroorzaakt is door samenlopende fouten van verschillende personen, kan de aansprakelijke persoon die het slachtoffer heeft vergoed en hierdoor van rechtswege in de rechten van het slachtoffer tegen de medeaansprakelijken is gesubrogeerd, verhaal nemen op ieder van de medeaansprakelijke personen die met hem in solidum is of had kunnen worden veroordeeld. Hieruit volgt dat degene die aansprakelijk is voor een arbeidsongeval en de arbeidsongevallenverzekeraar heeft vergoed voor diens uitgaven aan de getroffene en zijn rechthebbenden, slechts over een rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegen de medeaansprakelijke werkgever van de getroffene beschikt in de gevallen bepaald in artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet. 3. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - een werknemer van de eerste eiseres op 2 mei 2013 het slachtoffer was van een arbeidsongeval; - het ongeval te wijten is aan de fouten van zowel de verzekerde van de eerste verweerster als de eerste eiseres, werkgever van het slachtoffer, en zij elk voor de helft aansprakelijk zijn voor het ongeval; - de vordering van de arbeidsongevallenverzekeraar die het slachtoffer heeft vergoed, is gericht tegen de verweerster die op haar beurt een vordering in vrijwaring heeft ingesteld tegen de eerste eiseres; - sprake is van een zwaarwichtige overtreding van de welzijnsreglementering en de eerste eiseres voorafgaandelijke schriftelijk in gebreke werd gesteld waardoor de burgerrechtelijke vordering tegen de eerste eiseres mogelijk blijft op grond van artikel 46, § 1, eerste lid, 7°, Arbeidsongevallenwet. 4. De appelrechter die de eerste eiseres veroordeelt tot vrijwaring van de eerste verweerster ten belope van 50 pct. van de door haar aan de tweede verweerster, arbeidsongevallenverzekeraar van het slachtoffer en het slachtoffer zelf verschuldigde bedragen, op grond van de niet-betwiste vaststelling dat de eerste verweerster zich niet kan beroepen op de immuniteit die voortvloeit uit artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel 5. Het middel komt op tegen de veroordeling van de eerste eiseres tot de proceskosten van de tweede verweerster. 6. Gelet op de afstand van het cassatieberoep van de eiseressen voor zover gericht tegen de tweede verweerster, vertoont het middel geen belang en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de tweede verweerster tot de kosten van de aan haar gerichte betekening van het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseressen tot de overige kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseressen op 326,09 euro en voor de tweede verweerster op 321,94 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 17 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251117.3N.8 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251117.3N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.