id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.16 Rolnummer: P.25.1440.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Unierecht - Overige Invoerdatum: 2025-11-28 Raadplegingen: 493 - laatst gezien 2026-06-18 18:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 53, tweede lid, 56, § 1, en 95/18, § 2, Wet Strafuitvoering volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit afhankelijk kan maken van bijzondere voorwaarden in het belang van de slachtoffers; de strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt dat een buitenlandverbod moet worden opgelegd teneinde de controle en de naleving van de aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden door het openbaar ministerie mogelijk te maken, legt een voorwaarde op die in het belang is van de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen; dit dient wel degelijk een legitieme doelstelling. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 56, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/18, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 56, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/18, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 3 - 4 Een buitenlandverbod dat de strafuitvoeringsrechtbank verbindt aan de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit met als motief dat dit de controle en de naleving van de aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden door het openbaar ministerie moet mogelijk maken, is een legitieme doelstelling die van belang is voor de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen
(1).
(1)Over de toelaatbaarheid van een uitreisverbod naar een andere EU-lidstaat zie onder meer HvJ 10 juli 2008, C-33/07 en HvJ 17 november 2011, C-434/10, www.curia.europa.eu. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 21 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 56, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/18, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 21 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 56, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/18, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 5 - 6 Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de strafuitvoeringsrechtbank niet uitdrukkelijk vaststellen dat er voor een buitenlandverbod geen minder beperkende alternatieven bestaan
(1).
(1)Cass. 28 augustus 2012, AR P.12.1454.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120828.1, AC 2012, nr.
- Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 56, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/18, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 56, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/18, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 7 - 8 De artikelen 53, 56, § 1, en 95/18, § 2, eerste en vijfde lid, Wet Strafuitvoering beletten de strafuitvoeringsrechtbank niet om in het belang van het slachtoffer een bijzondere voorwaarde op te leggen die door het slachtoffer niet uitdrukkelijk was gevraagd of die niet was vermeld in de adviezen van de directeur of het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 56, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/18, § 2, eerste en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 53 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 56, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/18, § 2, eerste en vijfde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1440.N P. V., veroordeelde tot vrijheidsstraf, terbeschikkinggestelde van de strafuitvoeringsrechtbank, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2020 Antwerpen, Jan Van Rijswijcklaan 210, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 24 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis motiveert niet nauwkeurig de toepassing van de slachtofferapplicatie en het opleggen van bijzondere voorwaarden en hun verzwaring; indien een bepaald verzoek wordt afgewezen, volstaat een algemene formulering niet; elke motivering moet geïndividualiseerd zijn; de eiser heeft op de rechtszitting gevraagd om het regioverbod niet toe te staan omdat dit hem zou beperken in zijn vrijheden en het ook niet was gerechtvaardigd, te meer omdat tijdens de effectieve vrijheidsberoving voorafgaand aan de uitvoering van de terbeschikkingstelling enkel een regioverbod was gevraagd voor Hoboken; ook heeft de eiser gevraagd om het verbod om zich naar het buitenland te begeven (hierna het buitenlandverbod) te schrappen, gelet op zijn relatie met een dame die woonachtig is in Nederland, het schoollopen van haar kinderen in Nederland, het co-ouderschap met de vader van de kinderen en het gegeven dat de feiten geen link hebben met het buitenland; het vonnis motiveert de handhaving van het buitenlandverbod vanuit een optiek dat een controle en naleving van de voorwaarden niet mogelijk zou zijn door het openbaar ministerie; het gaat niet in op de opmerkingen van de eiser; het heeft evenmin oog voor het goede verloop van de naleving van de voorwaarden tijdens het voorafgaande elektronisch toezicht en het motiveert niet geïndividualiseerd de noodzaak van de maatregelen en de uitbreiding ervan.
- De uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende motiveringsplicht om een aan de strafuitvoeringsrechtbank gericht verzoek te beantwoorden, houdt niet in dat de rechtbank moet antwoorden op de door die verzoeker gewenste wijze. Ze houdt evenmin in dat de rechtbank moet ingaan op elk argument dat een verzoeker heeft aangevoerd tot staving van zijn verzoek. Een algemene overweging kan volstaan ter verantwoording van de weigering van het verzoek, voor zover die overweging van toepassing is op het verzoek. Een verdergaande motiveringsverplichting kan niet worden afgeleid uit artikel 149 Grondwet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het vonnis stelt vast dat E.O. aanvankelijk verzocht om een contactverbod met haar gezin en haar ouders en een regioverbod voor Hoboken en Antwerpen Centrum en dat zij op de rechtszitting van 14 oktober 2025 de toepassing vroeg van de slachtofferapplicatie, alsook om een bijkomend regioverbod, namelijk voor 2018 Antwerpen, 2060 Antwerpen, 2030 Antwerpen en 2020 Antwerpen. Het stelt ook vast dat hoewel de raadsman van de eiser het regioverbod te ruim vond en van oordeel was dat dit in grote mate de bewegingsvrijheid van de eiser zou beperken, hij zich kon vinden in het regioverbod voor Hoboken en Wilrijk. Het vonnis stelt verder vast dat hoewel door de raadsman van de eiser werd voorgehouden dat de slachtofferapplicatie niet zo’n goed idee was omdat dit het slachtoffer geen rust zou brengen, de eiser zelf aangaf dat het aan het slachtoffer was om te beslissen of die applicatie al dan niet diende te worden toegepast. Ten slotte stelt het vonnis ook vast dat de eiser en zijn raadsman vroegen om het buitenlandverbod te schrappen aangezien de gepleegde feiten geen link hebben met het buitenland.
- In zoverre het middel aanvoert dat de eiser en zijn raadsman voor de strafuitvoeringsrechtbank andere elementen hebben aangevoerd dan de voormelde, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
- Het vonnis oordeelt betreffende de slachtofferapplicatie, de regioverboden en het buitenlandverbod als volgt: - er is een wettelijke tegenaanwijzing om een invrijheidstelling onder toezicht toe te kennen: op grond van de aard en de ernst van de feiten bestaat er een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten; - niettegenstaande het correct verloop van het elektronisch toezicht, is er nog geen sprake van stabiliteit en consolidering van alle reclasseringspijlers; - de eiser kan zich nog steeds niet domiciliëren gezien hij niet over een eigen woonst beschikt, er moet nog blijken hoe zijn arbeidstraject zal verlopen en zijn relatie verder evolueert; - het is dan ook niet mogelijk om door middel van het opleggen van bijzondere voorwaarden tegemoet te komen aan het aanwezige risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten tijdens een invrijheidstelling onder toezicht; - het reclasseringsplan dat de eiser voorlegt, laat wel toe middels het opleggen van bijzondere voorwaarden tegemoet te komen aan het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten tijdens een elektronisch toezicht; - aan de eiser wordt een elektronisch toezicht toegekend onder de in het vonnis bepaalde voorwaarden; - de slachtoffergerichte voorwaarde, namelijk het contactverbod, moet met elektronische middelen worden gecontroleerd; - de door het slachtoffer gevraagde regioverboden worden niet ingeperkt gezien die er naast de elektronische controle mee voor zullen zorgen dat de gemoedsrust van het slachtoffer wordt bewaard; - het verzoek om het buitenlandverbod op te heffen wordt niet ingewilligd: deze voorwaarde wordt opgelegd om de controle en de naleving door het openbaar ministerie van de voorwaarden mogelijk te maken.
- Uit die redenen blijkt dat de strafuitvoeringsrechtbank bij haar beoordeling wel degelijk het verloop van het eerder toegekende elektronisch toezicht heeft betrokken. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- Met die redenen beantwoordt en verwerpt het vonnis, in het licht van wat de eiser en zijn raadsman volgens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, ter zake hebben aangevoerd, eisers verzoeken, zonder dat het nader diende in te gaan op elk argument dat tot staving van de verzoeken werd aangevoerd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM: het vonnis motiveert het algemeen buitenlandverbod enkel met het motief dat dit de controle en de naleving door het openbaar ministerie van de voorwaarden mogelijk maakt; dit is geen legitieme doelstelling die kadert binnen de openbare veiligheid of het voorkomen van strafbare feiten of enig ander legitiem doel dat de inmenging in het privéleven kan rechtvaardigen; minstens had het vonnis de belangen van de eiser, die sinds geruime tijd een vaste relatie heeft in het buitenland en waarbij zijn partner Nederland niet kan verlaten, moeten afwegen tegen de belangen van het slachtoffer en het openbaar ministerie inzake de controle van de voorwaarden; de proportionaliteit wordt niet nagegaan.
- Artikel 8.2 EVRM laat een inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van het door artikel 8.1 EVRM gewaarborgde recht op privé-, familie- en gezinsleven toe voor zover dit bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van onder meer de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
- Uit de artikelen 53, tweede lid, 56, § 1, en 95/18, § 2, Wet Strafuitvoering volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit afhankelijk kan maken van bijzondere voorwaarden in het belang van de slachtoffers.
- De strafuitvoeringsrechtbank die oordeelt dat een buitenlandverbod moet worden opgelegd teneinde de controle en de naleving van de aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden door het openbaar ministerie mogelijk te maken, legt een voorwaarde op die in het belang is van de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit dient wel degelijk een legitieme doelstelling. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de in het antwoord op het eerste middel vermelde redenen van het vonnis volgt dat de strafuitvoeringsrechtbank wel degelijk de belangen van de eiser heeft afgewogen tegen de belangen van het slachtoffer en de wettelijke opdracht van het openbaar ministerie op het vlak van de naleving en de controle van de voorwaarden, alsook dat de rechtbank te kennen geeft dat die voorwaarde proportioneel is. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 21 VWEU: aan de burgers van de Europese Unie kan niet zonder meer een algemeen uitreisverbod worden opgelegd; dit kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden; het moet gebaseerd zijn op objectieve en actuele overwegingen van openbare orde, veiligheid, de maatregel moet proportioneel zijn en er mogen geen minder verdergaande alternatieven bestaan; uit de motieven had moeten blijken in welke mate de belangen van de eiser werden afgewogen tegen de belangen van het slachtoffer en van het openbaar ministerie inzake de controle van de naleving van de voorwaarden; dat is niet het geval; het vonnis bevat geen objectieve en actuele overwegingen betreffende de noodzaak voor de openbare veiligheid; er wordt niet nagegaan of er geen minder beperkende alternatieven bestaan.
- Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel dient een buitenlandverbod dat de strafuitvoeringsrechtbank verbindt aan de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit met als motief dat dit de controle en de naleving van de aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden door het openbaar ministerie moet mogelijk maken, een legitieme doelstelling die van belang is voor de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt evenzeer dat de strafuitvoeringsrechtbank de vermelde belangen heeft afgewogen en te kennen heeft gegeven dat de maatregel proportioneel is. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de strafuitvoeringsrechtbank niet uitdrukkelijk vaststellen dat er voor een buitenlandverbod geen minder beperkende alternatieven bestaan. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 53, tweede lid, en 95/18 Wet Strafuitvoering: het vonnis legt een regioverbod op voor 2610 Wilrijk terwijl dit niet werd gevraagd door het slachtoffer en dit ook niet werd voorgesteld in de adviezen van de directeur en het openbaar ministerie; er werden uitgebreidere slachtoffergerichte voorwaarden opgelegd dan geadviseerd door de directeur en het openbaar ministerie of gevraagd door het slachtoffer.
- Artikel 95/18, § 2, eerste en vijfde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de toekenningsprocedure van elektronisch toezicht verloopt overeenkomstig onder meer de artikelen 53, eerste tot vierde en tiende en elfde lid, en 56, § 1, Wet Strafuitvoering. Artikel 53, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang worden opgelegd. Artikel 56, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank bijzondere voorwaarden kan opleggen die in het belang van de slachtoffers zijn.
- De in het middel vermelde bepalingen beletten de strafuitvoeringsrechtbank niet om in het belang van het slachtoffer een bijzondere voorwaarde op te leggen die door het slachtoffer niet uitdrukkelijk was gevraagd of die niet was vermeld in de adviezen van de directeur of het openbaar ministerie. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120828.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div