id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.17 Rolnummer: P.25.1336.N Zaak: F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2025-11-28 Raadplegingen: 854 - laatst gezien 2026-06-19 00:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: WRAKING Tekst van de beslissing Nr. P.25.1336.N G, verzoeker tot wraking, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 29 september 2025 (nr. 2025/6174). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste en derde onderdeel 1. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 19.1, tweede alinea, VEU, artikel 47 Handvest Grondrechten Europese Unie en de artikelen 828, 1°, 835, 836 en 838 Gerechtelijk Wetboek: het arrest dat het verzoek tot wraking van rechter H. verwerpt, is niet naar recht verantwoord; de nationale wet moet garanties bevatten om elke objectieve twijfel betreffende ongeoorloofde druk op rechters in de uitoefening van hun gerechtelijke functie door personen die geen deel uitmaken van de bodemrechtbank uit te sluiten; vage motieven zoals “een duurzaam beletsel voor de behandeling van de zaak” of “in de huidige samenstelling” zijn uit den boze en zijn niet van aard om elke willekeur uit te sluiten; een nationale wet die toelaat de samenstelling van de rechtbank te wijzigen op grond van redenen die niet verifieerbaar zijn, voldoet niet aan de voorwaarde van voorspelbaarheid en is niet van aard elke arbitrariteit uit te sluiten; een wijziging in de samenstelling van de rechtbank veronderstelt ter controle van de naleving van de objectieve onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsplicht een mededeling van de onderliggende motieven aan de betrokken partij alsook procedurele waarborgen die toelaten daarover betwisting te voeren; het arrest oordeelt dat de voorzitter van de rechtbank de zetelsamenstelling in een bepaalde zaak kan wijzigen rekening houdend met onder meer de werklast, de beschikbaarheid van de rechters, hun deskundigheid in een bepaalde materie of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen, terwijl artikel 316 Gerechtelijk Wetboek voor een aanpassing van de dienstregeling enkel verwijst naar de behoeften van de dienst; de beschikking van 26 juni 2025 waarmee de afdelingsvoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, de samenstelling voor de rechtszitting van 2 september 2025 wijzigde, bevatte enkel vermelding “Gelet op de noodwendigheden van de dienst”; het arrest beslist weliswaar dat de wrakingsrechter onaantastbaar oordeelt of de wijziging van een zetelsamenstelling is ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling, maar het Hof moet wel nagaan of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord; het arrest oordeelt weliswaar dat een rechter wordt vermoed onpartijdig en onafhankelijk te oordelen zodat hij behoudens tegenbewijs wordt vermoed regelmatig te zijn aangewezen, maar het vermoeden van onpartijdigheid slaat enkel op het subjectieve aspect ervan; het recht op een bij wet ingesteld onpartijdig en onafhankelijk gerecht moet steeds praktisch en effectief kunnen worden uitgeoefend; dat is niet het geval indien de rechtszoekende de omkering van een vermoeden of het bewijs van een ander ondeugdelijk motief dan de behoefte van een behoorlijke rechtsbedeling moet leveren en de nationale wet niet in de verplichting voorziet om de dienstregeling aan het publiek bekend te maken noch om de objectieve reden die ten grondslag ligt aan de wijziging van de zetelsamenstelling in een individuele zaak te motiveren en mee te delen; uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat (
- i)rechter H. na de rechtszitting van 11 maart 2025 ziekteverlof nam voorafgaand aan de rechtszitting van 24 april 2025, wat in verband zou hebben gestaan met een gemiste promotie om daarop, nadat de samenstelling van de zaak reeds was gewijzigd met verwijzing naar “de noodwendigheden van de dienst”, terug te worden opgeroepen om te zetelen, (
- ii)de behandeling van de zaak ten gronde op 10 maart 2025 reeds was aangevat met rechter L. voor wiens plotse vervanging na de rechtszitting van 24 april 2025 op geen enkel ogenblik enig motief werd aangereikt, en (iii) dit reeds de vijfde wijziging in de samenstelling betrof, wat de schijn van een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid ten overvloede objectiveert; het arrest oordeelt ten onrechte dat de beschikking van 26 juni 2025 geen beschikking tot wijziging van de rechtsprekende formatie is; uit de loutere vaststelling dat de beschikking van 26 juni 2025 vermeldt “Gelet op de noodwendigheden van de dienst”, kan niet wettig worden afgeleid dat daarmee de goede werking van de dienst zou worden verzekerd; dit laat geen effectieve rechterlijke controle toe van aard om elke legitieme twijfel over de regelmatigheid van de samenstelling van de rechtbank uit te sluiten; het arrest oordeelt ten onrechte dat de beschikking van 26 juni 2025 zou zijn genomen conform het wettelijke en reglementaire kader; het arrest is verplicht artikel 316 Gerechtelijk Wetboek en de beschikking van 26 juni 2025 ter zijde te stellen. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 19.1, tweede alinea, VEU, artikel 47 Handvest Grondrechten Europese Unie en artikel 316 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de korpschef in het kader van een behoorlijke rechtsbedeling de zetelsamenstelling kan wijzigen, rekening houdend met onder meer de werklast, de beschikbaarheid van de rechters, hun deskundigheid in een bepaalde materie of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen, terwijl de relevante nationale bepaling van artikel 316 Gerechtelijk Wetboek slechts verwijst naar aanpassingen als de behoeften van de dienst het rechtvaardigen zonder dat er een verplichting bestaat tot het aanreiken van objectieve redenen; een op grond van artikel 316 Gerechtelijk Wetboek genomen beslissing die slechts vermeldt “Gelet op de noodwendigheden van de dienst” volstaat niet als motief voor de wijziging van een zetelsamenstelling in een individuele zaak en om daaruit af te leiden dat niet blijkt dat deze wijziging is ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling en dat er geen geobjectiveerde schijn is van partijdigheid en onafhankelijkheid bij de geviseerde rechter; de bepalingen van Unierecht met directe werking vereisen dat de nationale rechter het Unierecht interpreteert en de nationale wetten en praktijken en meer bepaald artikel 316 Gerechtelijk Wetboek en de op grond daarvan genomen beschikking van 26 juni 2025 buiten toepassing laat; uit het Unierechtelijk principe volgt dat aangezien de nationale wet niet voorziet in transparante vooraf bekend gemaakte en objectief te motiveren criteria om de zetelsamenstelling te wijzigen, het arrest verplicht was vast te stellen dat bij gebrek aan een mogelijkheid tot daadwerkelijke controle van de ware reden en het objectief karakter van de wijziging van de zetelsamenstelling, de gewekte schijn van het gebrek aan onpartijdigheid of onafhankelijkheid werd geobjectiveerd, zodat de afwijzing van het wrakingsverzoek niet naar recht verantwoord is. 2. In zoverre de onderdelen verplichten tot de kennisname van feitelijke gegevens die niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, zijn ze niet ontvankelijk. 3. Artikel 19.1, tweede alinea, VEU bepaalt dat de lidstaten van de Europese Unie voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming te verzekeren op de onder het Unierecht vallende gebieden. 4. Deze bepaling vindt toepassing ten aanzien van elke nationale instantie die kan worden aangezocht om als rechter te oordelen over vraagstukken die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen en dus behoren tot gebieden die onder dat recht vallen. 5. Het in artikel 19.1, tweede alinea, VEU vervatte beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming is een algemeen beginsel van Unierecht dat is neergelegd in artikel 6.1 EVRM, waarmee artikel 47, tweede alinea, Handvest Grondrechten Europese Unie overeenstemt. 6. Artikel 47, tweede alinea, eerste zin, Handvest Grondrechten Europese Unie waarborgt het recht op een behandeling van de zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij de wet is ingesteld. Ook als die bepaling niet rechtstreeks van toepassing is, moet ze in aanmerking worden genomen bij de uitlegging van artikel 19.1, tweede alinea, VEU. 7. Artikel 6.1 EVRM waarborgt het recht op een behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij wet is ingesteld. 8. De vereiste van onafhankelijkheid behoort tot de kern van het fundamentele recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en een eerlijk proces. Uit die vereiste volgt onder meer dat de rechters ook moeten worden beschermd tegen ongepaste beïnvloeding vanuit de betrokken rechterlijke instantie. 9. Uit de voorwaarde dat het gerecht vooraf bij wet moet zijn ingesteld, volgt in beginsel dat alleen de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen de beslissing mag nemen om de procedure te beëindigen. 10. Uit de voormelde bepalingen en hun uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat de vereisten van onafhankelijkheid en van het vooraf bij wet te zijn ingesteld van een gerecht veronderstellen dat er regels bestaan betreffende de samenstelling van de rechtsprekende formaties, die transparant en de rechtszoekenden bekend zijn en die iedere ongepaste inmenging in het besluitvormingsproces betreffende een bepaalde zaak door personen die geen deel uitmaken van de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen, kunnen uitsluiten. Een schijn van willekeur bij de toewijzing van specifieke zaken aan rechters moet worden vermeden. Bovendien moeten de partijen hun argumenten betreffende de toewijzing van een zaak of een wijziging op dit vlak naar voren kunnen brengen. 11. Artikel 186, § 1, Gerechtelijk Wetboek bepaalt de wijze van de vaststelling van het zaakverdelingsreglement voor een rechtbank. Het bepaalt onder meer het grondgebied van elke afdeling en voor welke categorieën van zaken, procedures of procedurefases die afdeling haar rechtsmacht uitoefent. Het wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatblad. 12. Artikel 88, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt de wijze waarop het bijzonder reglement van een rechtbank wordt vastgesteld. Volgens artikel 88, § 1, tweede lid, bepaalt dit reglement het aantal kamers en hun bevoegdheid, de dagen en de uren van hun zittingen en van de inleiding van de zaken. Artikel 88, § 1, eerste lid, laatste zin, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het bijzonder reglement van de rechtbank publiek wordt gemaakt. Artikel 88, § 1, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het reglement ter griffie van de rechtbank wordt aangeplakt. 13. Artikel 90, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank is belast met de algemene leiding en organisatie van de rechtbank en dat de afdelingsvoorzitter hem bijstaat. 14. Artikel 90, derde lid, eerste zin, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de voorzitter de zaken overeenkomstig het zaakverdelingsreglement en het bijzonder reglement van de rechtbank verdeelt. Volgens artikel 90, derde lid, tweede zin, Gerechtelijk Wetboek kan de voorzitter, wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder andere kamers van de afdeling verdelen. 15. Artikel 90, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat onder een behoefte van de dienst kan worden begrepen de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een rechter, een vereiste deskundigheid, de goede rechtsbedeling of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen. 16. Artikel 91, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in strafzaken de vorderingen worden toegewezen aan kamers met één rechter, behalve in de gevallen van artikel 92. Artikel 92, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt welke strafzaken worden toegewezen aan een kamer met drie rechters. Artikel 92, § 1/1, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de voorzitter van de rechtbank, wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven, zaken geval per geval ambtshalve aan een kamer met drie rechters kan toewijzen. 17. Artikel 316, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een lijst wordt bijgehouden voor de regeling van de dienst, dat die lijst wordt opgemaakt door de voorzitter van de rechtbank, dat die lijst jaarlijks wordt vernieuwd en dat de lijst kan worden aangepast als de behoeften van de dienst het rechtvaardigen. 18. Het begrip de behoeften van de dienst in artikel 316, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek heeft dezelfde betekenis als hetzelfde in artikel 90, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek gehanteerde begrip, namelijk de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een rechter, een vereiste deskundigheid, de goede rechtsbedeling of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen. 19. Uit de voormelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en in het bijzonder de vastlegging in het bijzonder reglement van de rechtbank van de kamers en hun bevoegdheden, alsook de vaststelling van de dienstregeling, volgt dat de toewijzing van zaken aan een bepaalde kamer en de samenstelling ervan zijn vastgelegd volgens criteria die transparant zijn, die de partijen kunnen kennen en die een ongepaste inmenging in het besluitvormingsproces betreffende een bepaalde zaak door personen die geen deel uitmaken van de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen, verhinderen. 20. Uit het voorgaande volgt evenwel niet dat eens een zaak is toegewezen aan een bepaalde rechtsprekende formatie, die zaak enkel nog door die formatie kan worden beoordeeld. Het is de voorzitter van een rechtscollege niet verboden om op grond van het nationale recht maatregelen te nemen die onontbeerlijk zijn voor de organisatie van de werkzaamheden van het rechtscollege, gelet op de vereisten van een goede rechtsbedeling en het beginsel van de redelijke termijn. 21. De voorzitter van de rechtbank kan op grond van artikel 90, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek de toewijzing van een zaak aan een bepaalde kamer wijzigen of op grond van artikel 316, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek de samenstelling van de rechtsprekende formatie aan wie de zaak was toegewezen wijzigen, maar enkel voor zover de behoeften van de dienst dit kunnen rechtvaardigen. Gelet op de hierboven aangegeven invulling die aan dit begrip moet worden gegeven, kunnen enkel objectieve redenen een dergelijke wijziging verantwoorden. 22. Niet is vereist dat de voorzitter noodzakelijk de beslissing dat de behoeften van de dienst een wijziging vereisen in de aanwijzing van de kamer of in de samenstelling van de rechtsprekende formatie aan wie de zaak is toebedeeld, nader motiveert of concretiseert. 23. De voorzitter wordt vermoed een dergelijke wijziging enkel door te voeren wegens objectieve redenen. 24. De partijen kunnen voor de rechter, desgevallend via een wrakingsprocedure, betwisten dat een dergelijke wijziging is ingegeven door andere dan objectieve redenen. 25. De partijen dienen de aanvoering dat een wijziging is ingegeven door andere dan objectieve redenen, enigszins aannemelijk te maken. Zij kunnen daarbij verwijzen naar het procesverloop en de omstandigheden waarin de wijziging werd doorgevoerd. 26. De rechter oordeelt vervolgens onaantastbaar, gelet op de omstandigheden van de zaak en in het licht van de aanvoering van de partijen en de onderbouwing ervan, of blijkt dat de wijziging is ingegeven door andere dan objectieve redenen en of daardoor de schijn is gewekt dat rechters die deel uitmaken van de gewijzigde rechtsprekende formatie niet langer meer onpartijdig en onafhankelijk kunnen oordelen. 27. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 28. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 29. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - er moet rekening worden gehouden met de artikelen 88, § 1, 90, 91, 92, § 1/1 en 316, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek; - het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Limburg van 7 december 2023, dat op 1 januari 2024 in werking is getreden, bepaalt dat de negende kamer van deze rechtbank, afdeling Tongeren, zetelt met drie rechters en kennis neemt van de zaken bedoeld in artikel 92, § 1, eerste lid, en § 2, Gerechtelijk Wetboek; - het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter en de daaruit afgeleide vereiste van het voorhanden zijn van objectieve en transparante criteria voor de toewijzing van een zaak aan een bepaalde kamer van een rechtscollege en voor de zetelsamenstelling van die kamer, houdt niet in dat die toewijzing en die zetelsamenstelling onveranderlijk moeten zijn vastgelegd; - een behoorlijke rechtsbedeling vereist dat de korpschef van het rechtscollege binnen het bestaande wettelijke en reglementaire kader de toewijzing van een zaak aan een bepaalde kamer of de zetelsamenstelling wijzigt, rekening houdend met onder meer de werklast, de beschikbaarheid van de rechters, hun deskundigheid in een bepaalde materie of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen; - er zal slechts gewettigde twijfel zijn over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de aangewezen rechters om van een bepaalde zaak kennis te nemen en dus om te besluiten tot wettige verdenking in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek, indien blijkt dat de toewijzing van een zaak aan een kamer en de zetelsamenstelling of de wijziging van die samenstelling zijn ingegeven door andere motieven dan de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling; - uit de vermelde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en het bijzonder reglement van de rechtbank volgt dat een aanpassing van de dienstregeling steeds mogelijk is indien de behoeften van de dienst dit rechtvaardigen; - die aanpassing kan op één of meerdere rechters betrekking hebben; - de beschikking van de afdelingsvoorzitter van de rechtbank van 26 juni 2025 is een op basis van de noodwendigheden van de dienst gemotiveerde beslissing waarbij de goede werking van de rechtbank wordt verzekerd; - deze beschikking, overeenkomstig het wettelijke en reglementaire kader, viseert geen personen en stelt met betrekking tot deze zaak de zetel opnieuw samen zoals de rechtbank op de dag van de inleiding van de zaak was samengesteld; - deze beschikking beoogt niet de partijen aan hun rechtbank te onttrekken; - de wijze van de samenstelling van de zetel van de negende kamer, zoals uiteengezet in de beschikking van 26 juni 2025, is niet van aard om bij de partijen of bij het publiek een objectieve schijn te verwekken dat deze zetel niet in staat zou zijn de zaak op een onafhankelijke en onpartijdige wijze te behandelen; - H., die de voorzitter van de negende kamer is volgens de dienstregeling, bevestigt in zijn verklaring overeenkomstig artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, dat hij steeds deel heeft uitgemaakt van de negende kamer en als voorzitter zetelde in deze zaak, behalve op de rechtszitting van 24 april 2025, omdat hij dan in de onmogelijkheid was om te zetelen; - H. verklaarde nog dat de zetelsamenstelling voor deze zaak, naar zijn oordeel, nooit willekeurig is geweest en berustte op louter objectieve gronden; - uit niets blijkt dat de wijziging van de zetelsamenstelling van de negende kamer bij beschikking van 26 juni 2025 werd ingegeven door andere motieven dat de behoeften van een behoorlijke rechtsbedeling; - de beschikking van 26 juni 2025 betreft geen overplaatsing of detachering van rechters of een beslissing tot onttrekking van zaken aan rechters of een beschikking tegen de wil van de rechter. 30. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de wijziging van de zetelsamenstelling van de negende kamer bij beschikking van 26 juni 2025 niet is ingegeven door andere dan objectieve redenen en dat daardoor niet de schijn is gewekt dat rechters die deel uitmaken van de gewijzigde rechtsprekende formatie niet langer meer onpartijdig en onafhankelijk kunnen oordelen. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. 31. Voor het overige zijn de onderdelen gericht tegen redenen die de beslissing niet schragen en bijgevolg niet tot cassatie kunnen leiden en derhalve onontvankelijk zijn. Tweede onderdeel 32. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de beschikking van 26 juni 2025 geen beschikking is tot wijziging van de rechtsprekende formatie miskent het arrest de bewijskracht van die beschikking; uit de tekst ervan en de feitelijke voorgaanden blijkt dat de afdelingsvoorzitter de samenstelling van de collegiale zetel van de negende kamer heeft veranderd. 33. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden wanneer hij de akte doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van een akte indien de door de rechter gegeven uitlegging van het geschrift een mogelijke uitlegging is, naast andere. 34. Gelet op de vaststelling door het arrest dat de zetelsamenstelling zoals gewijzigd bij beschikking van 26 juni 2025 dezelfde is als die op de inleidingszitting van de zaak, geeft het arrest met het oordeel dat de beschikking van 26 juni 2025 geen beschikking tot wijziging van de rechtsprekende formatie is een uitlegging van deze beschikking die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel 35. Het Hof wordt verzocht aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schenden de artikelen 92, § 1/1 en 316 Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 6 EVRM en artikel 47 Handvest Grondrechten Europese Unie en de artikelen 146 en 151 Grondwet, in zoverre zij zouden toelaten aan de voorzitter van de rechtbank om de samenstelling van de rechtbank lopende de behandeling van de zaak te wijzigen zonder deze beslissing van een expliciete objectieve reden, anders dan de behoeften van de dienst, te moeten voorzien, terwijl de voorzitter van de rechtbank die een zaak ambtshalve van een enkelvoudige naar een collegiale kamer wenst te verwijzen, deze beslissing uitdrukkelijk moet motiveren ten aanzien van de wettelijke criteria, met name de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere objectieve omstandigheden?” 36. De voorgestelde prejudiciële vraag gaat ten onrechte ervan uit dat de voorzitter die bij toepassing van artikel 92, § 1/1, Gerechtelijk Wetboek een zaak toewijst aan een kamer met drie rechters de motivering van die beslissing niet mag beperken tot de in de wet bepaalde criteria, maar de beslissing moet concretiseren in het licht van de specifieke omstandigheden van de zaak. De voorzitter kan de motivering van zijn beslissing wel degelijk beperken tot de vaststelling dat voldaan is aan één van de in de wet bepaalde criteria. De prejudiciële vraag, die uitgaat van die onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. 37. Het Hof wordt verder verzocht aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vragen te stellen: “Moet artikel 19.1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 2 VEU en artikel 47 Handvest Grondrechten Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat dit zich niet verzet tegen een nationale wetsbepaling en met name artikel 316 Gerechtelijk Wetboek en praktijken die niet verplichten om de dienstregeling inzake de samenstelling van een rechtsprekende formatie vooraf bekend te maken en volstaat bij de wijziging van een dergelijke samenstelling in een individuele zaak een louter motief als de noodwendigheden van de dienst om elke willekeur bij de beslissing tot wijziging van een rechtsprekende formatie te kunnen voorkomen?” “Moet artikel 19.1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 2 VEU en artikel 47 Handvest Grondrechten Europese Unie, zo worden begrepen dat om van een daadwerkelijke rechtsbescherming in het kader van een betwisting inzake het bestaan van een onpartijdig en onafhankelijk gerecht ingesteld bij wet te kunnen spreken, vereist is dat de nationale rechter aan wie deze betwisting als procedurele waarborg wordt voorgelegd in het kader van de artikelen 828 en 838 Gerechtelijk Wetboek, de objectieve redenen die ten grondslag liggen aan de samenstelling van de rechtsprekende formatie of de wijziging ervan in een individuele zaak, effectief inhoudelijk moet kunnen toetsen?” 38. Uit de in het antwoord op het eerste en derde onderdeel vermelde redenen volgt dat er bij het Hof geen twijfel bestaat over de uitlegging die aan artikel 19.1, tweede alinea, VEU moet worden gegeven. De prejudiciële vragen worden niet gesteld. Ambtshalve onderzoek 39. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 44,41 euro, waarvan 9,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.