← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.20 Rolnummer: P.25.0576.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-11-28 Raadplegingen: 597 - laatst gezien 2026-06-18 13:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 Een schuldigverklaring aan het door artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf vereist de vaststelling dat aan de beklaagde kennis werd gegeven van het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet; de bewijslast daarvoor rust op het openbaar ministerie; in de regel zal de kennisgeving overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet blijken uit een door de verbalisant ingevuld en door de veroordeelde ondertekend formulier; het bewijs van een door artikel 40 Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving vereist nochtans niet noodzakelijk de overlegging door het openbaar ministerie van het gebruikelijke formulier noch van een ondertekening van dit formulier door de veroordeelde; het openbaar ministerie kan met alle mogelijke middelen, met inbegrip van gegevens uit het eigen informaticasysteem, navolgende vervolgingen en veroordelingen alsook vermoedens, het bewijs leveren dat aan de kennisgevingsverplichting van artikel 40 Wegverkeerswet is voldaan, alsook dat die kennisgeving is gebeurd met respect voor de bepalingen van de Taalwet Gerechtszaken; dat het bewijs van een regelmatige kennisgeving als bedoeld door artikel 40 Wegverkeerswet door het openbaar ministerie niet enkel kan gebeuren door middel van het gebruikelijke en door de veroordeelde ondertekende formulier, maar met alle middelen, houdt geen miskenning in van de regel dat de bewijslast rust op het openbaar ministerie en evenmin van het recht van verdediging van de veroordeelde waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt; de veroordeelde kan immers verweer voeren over de door het openbaar ministerie aangevoerde bewijsmiddelen; de rechter oordeelt onaantastbaar of het openbaar ministerie erin slaagt te bewijzen dat het vonnis dat een verval heeft uitgesproken aan de veroordeelde is ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Over de kennisgeving van het rijverbod opgelegd als straf, als beginpunt voor het rijverbod (art. 40 Wegverkeerswet), zie o.a. Cass. 14 mei 2024, AR P.23.1032.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11; Cass. 24 oktober 2023, AR P.23.0816.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.9; Cass. 3 januari 2023, AR P.22.1390.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9, NC 2023, 140; Cass. 11 oktober 2022, AR P.22.0652.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2; L. BREWAEYS en M. STERKENS, “Verval van het recht tot sturen (art. 38-49/1 Wegverkeerswet)”, in Bestendig Handboek Verkeer, losbl., Kluwer, 2024, 30/j-30/p. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 37 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 48 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 37 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 37 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 37 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 37 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0576.N Y. D., beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Sophia Robillard en mr. Wiet Goris, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 2 april
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
  2. Het eerste middel voert schending aan van artikel 40 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis miskent deze bepaling; uit geen enkel document blijkt dat aan de eiser overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet op 6 juli 2004 kennis is gegeven van het verval van het recht tot sturen om het te doen ingaan op 11 juli 2004; het dossier bevat enkel een op 16 december 2016 door de procureur des Koning ondertekend document, maar daaruit blijkt niet dat op 6 juli 2004 aan de eiser een kennisgeving is gebeurd; er ligt ter zake geen door de eiser ondertekend document voor; uit een bericht van de griffie van 8 juni 2023 als reactie op een vraag van het openbaar ministerie blijkt dat de archieven zijn vernietigd, wat bevestigt dat geen bewijs van de door artikel 40 Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving voorligt; een schermafdruk uit het Mach-informaticasysteem vormt geen bewijs; de verwijzing naar de onontvankelijkverklaring van verzetten tegen het verstekvonnis van 30 oktober 2002 levert evenmin een dergelijk bewijs op. Het tweede middel voert miskenning aan van het principe van de bewijslast en het recht op tegenspraak: het bestreden vonnis miskent op meerdere punten schromelijk de regels van de bewijslast; aangezien het openbaar ministerie nalaat het bewijs van de kennisgeving overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet voor te brengen, hoewel die verplichting op hem rust, kan de eiser geen tegenspraak voeren; het bestreden vonnis dat anders oordeelt, miskent dan ook de vermelde principes; de verwijzing naar het vonnis van 18 januari 2023 en de vaststelling dat de eiser toen geen opmerkingen heeft geformuleerd, is eveneens in strijd met die principes; die miskenning volgt ook uit het oordeel dat de appelrechters geen redenen zien om te twijfelen aan het feit dat de kennisgeving destijds correct en in de taal van de eiser, namelijk het Frans, is gebeurd; dat geldt ook voor de verwijzing naar de vermelding van het vonnis van 30 oktober 2002 op het geactualiseerd strafregister. Het derde middel voert schending aan van artikel 37 Taalwet Gerechtszaken: het bestreden vonnis kan niet oordelen dat er in dit concrete geval geen redenen zijn om te twijfelen aan het feit dat de kennisgeving in het Frans is gebeurd, aangezien daarvoor geen bewijs wordt bijgebracht.
  3. Een schuldigverklaring aan het door artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijf vereist de vaststelling dat aan de beklaagde kennis werd gegeven van het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet.
  4. De bewijslast daarvoor rust op het openbaar ministerie.
  5. In de regel zal de kennisgeving overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet blijken uit een door de verbalisant ingevuld en door de veroordeelde ondertekend formulier.
  6. Het bewijs van een door artikel 40 Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving vereist nochtans niet noodzakelijk de overlegging door het openbaar ministerie van het gebruikelijke formulier noch van een ondertekening van dit formulier door de veroordeelde.
  7. Het openbaar ministerie kan met alle mogelijke middelen, met inbegrip van gegevens uit het eigen informaticasysteem, navolgende vervolgingen en veroordelingen alsook vermoedens, het bewijs leveren dat aan de kennisgevingsverplichting van artikel 40 Wegverkeerswet is voldaan, alsook dat die kennisgeving is gebeurd met respect voor de bepalingen van de Taalwet Gerechtszaken.
  8. Dat het bewijs van een regelmatige kennisgeving als bedoeld door artikel 40 Wegverkeerswet door het openbaar ministerie niet enkel kan gebeuren door middel van het gebruikelijke en door de veroordeelde ondertekende formulier, maar met alle middelen, houdt geen miskenning in van de regel dat de bewijslast rust op het openbaar ministerie en evenmin van het recht van verdediging van de veroordeelde waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt. De veroordeelde kan immers verweer voeren over de door het openbaar ministerie aangevoerde bewijsmiddelen.
  9. De rechter oordeelt onaantastbaar of het openbaar ministerie erin slaagt te bewijzen dat het vonnis dat een verval heeft uitgesproken aan de veroordeelde is ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet.
  10. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  11. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  12. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - het strafdossier bevat schermafdrukken van het Mach-informaticasysteem waaruit blijkt dat het verstekvonnis op 7 december 2002 werd betekend; - daarin wordt vermeld dat de eiser kennis nam van het verval van het recht tot sturen op 6 juli 2004 om in te gaan op 11 juli 2004; - het dossier bevat een gewone kopie van het vonnis van de Franstalige politierechtbank Brussel van 10 augustus 2004 waarbij het verzet van de eiser tegen het verstekvonnis van 30 oktober 2002 onontvankelijk werd verklaard wegens laattijdigheid; - dit op verzet gewezen vonnis maakt melding van de betekening van het verstekvonnis op 7 december 2002 en van het instellen van het verzet bij gerechtsdeurwaardersexploot van 15 juli 2004; - de eiser tekende een tweede maal verzet aan tegen hetzelfde verstekvonnis van 30 oktober 2002, wat bij vonnis van de Franstalige politierechtbank Brussel van 7 januari 2009 onontvankelijk werd verklaard; - ook dit vonnis maakt melding van de betekening van het verstekvonnis van 7 december 2002; - het verstekvonnis van 30 oktober 2002 staat bovendien nog steeds vermeld op het geactualiseerd strafregister van de eiser; - uit een bij het strafdossier gevoegde kopie van het vonnis van de politierechtbank Halle van 18 januari 2023, waartegen geen rechtsmiddel werd aangewend, blijkt dat de eiser werd veroordeeld voor het sturen spijts een vervallenverklaring hem opgelegd met het vonnis van 30 oktober 2002, waarbij de eiser werd bijgestaan door dezelfde raadsman als in de voorliggende procedure en er toen blijkbaar geen betwisting werd gevoerd over de kennisgeving van het verval; - er zijn geen redenen om in dit concrete geval eraan te twijfelen dat de kennisgeving destijds correct en in de taal van de procedure, namelijk het Frans, werd gedaan: het betrof de uitvoering van een Franstalig vonnis aan de eiser, die duidelijk te kennen geeft dat hij het Frans machtig is. Op grond van deze redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de eiser op 6 juli 2004 kennis heeft gekregen van het hem bij vonnis van 30 oktober 2002 opgelegde levenslang verval en dat de kennisgeving van dit verval dan ook moet worden geacht te zijn gebeurd overeenkomstig artikel 40 Wegverkeerswet. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.