id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.21 Rolnummer: P.25.0578.N Zaak: Loonwerken Puttemans W. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-11-28 Raadplegingen: 497 - laatst gezien 2026-06-15 09:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Om te kunnen worden beschouwd als land- of bosbouwtrekker in de zin van de artikelen 1, 9° en 2, § 1, 15° KB Rijbewijs dient het motorvoertuig hoofdzakelijk bestemd te zijn voor gebruik in de land- en bosbouw en mag het slechts bijkomstig worden gebruikt voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg; indien het voertuig hoofdzakelijk voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg wordt gebruikt, is het geen landbouw- of bosbouwtrekker in de zin van artikel 1, 9°, KB Rijbewijs. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 21 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 21, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 9° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 2, § 1, 15° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 21, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 1, 9° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 KB 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs - 23-03-1998 - Art. 2, § 1, 15° - 31 ELI link Pub nr 1998014078 Fiches 3 - 4 Artikel 8.3, tweede lid, Wegverkeersreglement bepaalt dat een bestuurder steeds in staat moet zijn alle nodige rijbewegingen uit te voeren en zijn voertuig voortdurend goed in de hand moet hebben; dit houdt in dat de bestuurder van een voertuig de nodige aandacht moet opbrengen voor het besturen zelf van zijn voertuig en over de bewegingsvrijheid vereist voor het besturen ervan dient te beschikken; de rijbewegingen bedoeld in deze bepaling zijn de bewegingen die door de bestuurder bij het sturen moeten worden uitgevoerd; de rechter oordeelt onaantastbaar of een bestuurder zijn voertuig goed in de hand heeft; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Zie o.a. Cass. 18 mei 2021, AR P.21.0257.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.15; Cass. 17 januari 1989, AR 2475, AC 1989-90,
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 8.
- - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 8.
- - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0578.N
- LOONWERKEN PUTTEMANS W. bv, met zetel te 1910 Kampenhout, Perksesteenweg 40, ON 0672.566.722, beklaagde, eiseres,
- N. V. T., beklaagde, eiser, beiden met als raadsman mr. Laurens Guinée, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 27 maart
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 21 Wegverkeerswet, de artikelen 1, 9°, en 2, § 1, 15°, KB Rijbewijs: het bestreden vonnis verklaart de eisers onterecht schuldig aan respectievelijk de feiten omschreven onder de telastleggingen A (toevertrouwen van een voertuig aan een persoon die niet voorzien is van het vereiste rijbewijs) en B (het besturen van een motorvoertuig zonder houder te zijn van het vereiste rijbewijs); die schuldigverklaring is gegrond op het oordeel dat op het ogenblik van de feiten de tractor en de aanhangwagen werden gebruikt voor het vervoeren in onderaanneming van een container over de weg en dat dit geen uitstaans heeft met landbouwactiviteiten, zodat deze voertuigen niet beantwoorden aan de definitie van landbouw- en bostrekker in de zin van artikel 1, 9°, KB Rijbewijs en derhalve niet kan worden volstaan met een rijbewijs van de categorie G maar een rijbewijs van de categorie C + E is vereist; volgens artikel 1, 9°, KB Rijbewijs is een landbouw- en bosbouwtrekker een voertuig dat is bestemd voor het gebruik in de land- of bosbouw en bijkomstig voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg; het bestreden vonnis betrekt bij zijn beoordeling enkel het gebruik van de voertuigen op het ogenblik van de feiten, maar het onderzoekt niet het hoofdzakelijk gebruik van deze voertuigen.
- Volgens artikel 21, eerste lid, Wegverkeerswet mag niemand op de openbare weg een motorvoertuig besturen, tenzij hij houder is van een rijbewijs dat geldig is voor de categorie waartoe het voertuig behoort.
- Volgens artikel 2, § 1, 15°, KB Rijbewijs worden voor de toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende het recht tot sturen de motorvoertuigen ingedeeld in categorieën, waarbij onder de categorie G vallen land- en bosbouwtrekkers en hun aanhangwagens evenals de voertuigen ingeschreven als landbouwmaterieel, landbouwmotor of maaimachine.
- Artikel 1, 9°, KB Rijbewijs omschrijft wat onder landbouw- en bosbouwtrekkers wordt verstaan. Uit die bepaling volgt dat een land- of bosbouwtrekker, die mag worden bestuurd met een rijbewijs van de categorie G, elk motorvoertuig is: - op wielen of rupsbanden; - met minimaal twee assen; - voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden; - in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd; - en dat slechts bijkomstig wordt gebruikt voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg.
- Om te kunnen worden beschouwd als land- of bosbouwtrekker in de voormelde zin dient het motorvoertuig hoofdzakelijk bestemd te zijn voor gebruik in de land- en bosbouw en mag het slechts bijkomstig worden gebruikt voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg. Indien het voertuig hoofdzakelijk voor personen- of goederenvervoer over de weg of voor het trekken van voertuigen van personen- of goederenvervoer over de weg wordt gebruikt, is het geen landbouw- of bosbouwtrekker in de zin van artikel 1, 9°, KB Rijbewijs.
- Het oordeel van het bestreden vonnis dat de tractor en de aanhangwagen niet voldoen aan de omschrijving van artikel 1, 9°, KB Rijbewijs en de eiser als bestuurder wel degelijk houder diende te zijn van een rijbewijs categorie C+E is gegrond op de verklaringen van de beide eisers dat de tractor en de aanhangwagen op het ogenblik van de feiten werden gebruikt voor het vervoeren in onderaanneming van een container voor Aquafin, wat goederenverkeer betreft over de weg, dat geen uitstaans heeft met landbouwactiviteiten. Het bestreden vonnis gaat evenwel niet na of het gebruik van de tractor en de aanhangwagen voor goederenvervoer over de weg of het trekken van een voertuig van goederenvervoer over de weg hoofdzakelijk dan wel bijkomstig is. Aldus is de beslissing dat de feiten onder de telastleggingen A wat betreft de eiseres en de feiten omschreven onder de telastlegging B wat betreft de eiser bewezen zijn, niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 8.3, tweede lid, Wegverkeersreglement, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser niet in staat was alle nodige rijbewegingen uit te voeren en zijn voertuig voortdurend in de hand te houden; het enkele feit dat het landbouwvoertuig beweerdelijk tegen een bloempot is gereden, volstaat niet om te besluiten dat de eiser niet beschikte over de vereiste rijvaardigheid.
- Artikel 8.3, tweede lid, Wegverkeersreglement bepaalt dat een bestuurder steeds in staat moet zijn alle nodige rijbewegingen uit te voeren en zijn voertuig voortdurend goed in de hand moet hebben.
- Dit houdt in dat de bestuurder van een voertuig de nodige aandacht moet opbrengen voor het besturen zelf van zijn voertuig en over de bewegingsvrijheid vereist voor het besturen ervan dient te beschikken. De rijbewegingen bedoeld in deze bepaling zijn de bewegingen die door de bestuurder bij het sturen moeten worden uitgevoerd.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een bestuurder zijn voertuig goed in de hand heeft. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat uit de vaststellingen van de verbalisanten en uit de eigen verklaringen van de eiser wel degelijk blijkt dat de eiser tegen de bloempot is gereden en dat hij niet voldoende aandachtig is geweest bij het uitvoeren van zijn rijbewegingen.
- Op grond van die vaststellingen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten omschreven onder de telastlegging C. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het: - de eiseres schuldig verklaart aan de feiten omschreven onder de telastlegging A en haar daarvoor veroordeelt tot straf en de bijdragen; - de eiser schuldig verklaart aan de feiten omschreven onder de telastlegging B en hem voor de telastleggingen B en C samen veroordeelt tot een straf en de bijdragen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot een tiende en de eiser tot een drie tienden van de kosten van de cassatieberoepen. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 159,78 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.21 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div