← België

DE PROCUREUR-GENERAAL TE BRUSSEL contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 54

Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de ... -

Art. 57

Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de ... -

Art. 54

Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de ... -

Art. 57

Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de ... -

Art. 54

Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de ... -

Art. 57

Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Wettelijke bepalingen: Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de ... -

Art. 54

Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek, betreffende de geleidelijke afschaffing van de ... -

Art. 57Tekst van de beslissing Nr.

P.25.0909.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, eiser, tegen D. D., beklaagde, verweerder, met als raadslieden mr. Joost Huysmans, mr. Ruben Van Herpe en mr. Patrick Waeterinckx, advocaten bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 160 bus 2.1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 8 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. De raadsman van de verweerder heeft op 30 oktober 2025 een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, ondertekend te Schengen op 19 juni 1990 (hierna Schengen Uitvoeringsovereenkomst)
  2. Artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst bepaalt: “Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een Overeenkomstsluitende Partij is berecht, kan door een andere Overeenkomstsluitende Partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende Overeenkomstsluitende Partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.” Art. 57.1 Schengen Uitvoeringsovereenkomst bepaalt: “Indien door een Overeenkomstsluitende Partij iemand een strafbaar feit ten laste wordt gelegd en de bevoegde autoriteiten van deze Overeenkomstsluitende Partij redenen hebben om aan te nemen dat de tenlastelegging dezelfde feiten betreft als die ter zake waarvan deze persoon reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht door een andere Overeenkomstsluitende Partij, verzoeken deze autoriteiten, indien zij zulks nodig achten, de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied reeds vonnis werd gewezen om de nodige inlichtingen in dezen.”
  3. Het arrest verklaart de strafvordering tegen de verweerder niet ontvankelijk op grond van artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst. Het steunt die beslissing op de vaststellingen dat: - ten aanzien van de verweerder in Litouwen een gerechtelijk vooronderzoek is gevoerd wegens dezelfde feiten als die welke voor het hof van beroep zijn aangebracht, namelijk het witwassen van de geldsom van 1.206.890,00 euro; - het parket van het district Vilnius bij beslissing van 8 januari 2021 dat gerechtelijk vooronderzoek heeft afgesloten; - niet blijkt dat de beslissing van het parket van het district Vilnius van 8 januari 2021 om dat gerechtelijk vooronderzoek af te sluiten, is herroepen.
  4. Meer in het bijzonder oordeelt het arrest als volgt: - het in artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst neergelegde non bis in idem-beginsel is ook van toepassing op beslissingen van een autoriteit die, zoals een parket, tot taak heeft in de betrokken nationale rechtsorde deel te nemen aan de rechtsbedeling in strafzaken, waarbij de strafrechtelijke vervolging in een lidstaat definitief wordt beëindigd zonder dat een straf wordt opgelegd, ook al komen die beslissingen tot stand zonder medewerking van een rechterlijke instantie en nemen zij niet de vorm van een vonnis aan; - het parket van het district Vilnius heeft op 8 januari 2021, na een onderzoek dat het omstandig beschrijft en na een grondige analyse van de onderzoeksresultaten, het gerechtelijk vooronderzoek nr. 02-6-00047-18 afgesloten, nadat het heeft vastgesteld dat er geen feiten waren gepleegd die de elementen bevatten van de naar Litouws recht strafbare feiten van ongeoorloofde verrijking of witwassen van crimineel verkregen goederen; - het besluit van het parket van het district Vilnius van 8 januari 2021 is een “onherroepelijk vonnis” in de zin van artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst, die een tweede vervolging voor dezelfde feiten in de weg staat; - de omstandigheid dat de afgesloten strafrechtelijke procedure volgens het toepasselijke nationale recht van de Republiek Litouwen, meer bepaald artikel 217 van het Litouwse Wetboek van strafrechtspleging, kan worden heropend in het geval van nieuw aan het licht gekomen feiten, doet daar in beginsel niets van af. Het is naar Litouws recht immers enkel nadat het besluit tot afsluiting van het onderzoek is herroepen, dat de openbare aanklager het gerechtelijk vooronderzoek kan heropenen; - het in Litouwen gevoerde gerechtelijk vooronderzoek nr. 02-6-00047-18 heeft betrekking op diezelfde feiten als de Belgische strafvervolging. Beide onderzoeken/vervolgingen hebben betrekking op het witwassen door de verweerder van de geldsom in contanten van 1.206.890,00 euro en in beide was één van de onderzoekshypotheses dat het geld mogelijk afkomstig was van niet-aangegeven inkomsten van de doktersvennootschap; - het beroepen vonnis verwerpt de toepassing van het beginsel non bis in idem met de vaststelling dat het parket van de Republiek Litouwen op 20 april 2021 het gerechtelijk vooronderzoek nr. 02-6-00047-18 heeft heropend. Die beslissing is blijkbaar gebaseerd op een vertaald stuk uit het Litouwse dossier, waarin de heropening van het vooronderzoek wordt aangehaald, namelijk een beslissing van de regionale rechtbank van Vilnius in een burgerlijke zaak die de verweerder tegen de staat Litouwen voerde en waarin hij schadevergoeding eiste voor de blokkering van zijn tegoeden; in die beslissing vermeldt de Litouwse burgerlijke rechter onder meer dat op 20 april 2021 de openbare aanklager had beslist het gerechtelijk vooronderzoek nr. 02-6-00047-18 te heropenen op basis van het proces-verbaal van de Dienst Onderzoek Financiële Delicten; - de verweerder ontkent dat gegeven niet, maar voert aan dat die beslissing tot heropening van het gerechtelijk vooronderzoek nr. 02-6-00047-18 onrechtmatig is, omdat voorafgaandelijk het besluit tot afsluiting van het vooronderzoek niet werd herroepen; de heropening van de zaak had volgens de verweerder enkel tot doel om te beletten dat de aangetroffen geldsom van 1.206.890,00 euro zou worden vrijgegeven aan de verweerder; - artikel 57.1 Schengen Uitvoeringsovereenkomst bepaalt dat indien door een overeenkomstsluitende partij iemand een strafbaar feit ten laste wordt gelegd en de bevoegde autoriteiten van deze overeenkomstsluitende partij redenen hebben om aan te nemen dat de telastlegging dezelfde feiten betreft als die ter zake waarvan deze persoon reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht door een andere overeenkomstsluitende partij, deze autoriteiten, indien zij zulks nodig achten, de bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende partij op wier grondgebied reeds vonnis werd gewezen, verzoeken om de nodige inlichtingen in dezen; - de Belgische onderzoekers hebben in mei-juni 2022 in Litouwen inzage genomen in het dossier van het gerechtelijk vooronderzoek nr. 02-6-00047-18 en hebben aan het Belgische strafdossier een selectie gevoegd van stukken uit dat Litouwse onderzoek; - de beslissing die op 20 april 2021 zou zijn genomen om het gerechtelijk vooronderzoek nr. 02-6-00047-18 te heropenen, maakt geen deel uit van die selectie van stukken die aan het strafdossier zijn gevoegd. Het hof van beroep kan hiervan de redenen en de draagwijdte niet nagaan; - ook blijft het volstrekt onduidelijk wat thans, vier jaar later, de stand van zaken is, namelijk of dat vooronderzoek nr. 02-6-00047-18 nog steeds wordt gevoerd dan wel afgesloten is; - uit de voorliggende stukken blijkt niet dat de Litouwse autoriteiten na het afsluiten van het vooronderzoek kennis hebben gekregen van nieuwe gegevens over het basismisdrijf dat het witgewassen geld heeft opgebracht en dat dit de aanleiding zou geweest zijn om het vooronderzoek te heropenen. Zoals gezegd, was het reeds van meet af aan een onderzoekshypothese dat het geld afkomstig was van niet-aangegeven inkomsten van de doktersvennootschap. In dat verband merkt het hof van beroep op dat het Belgische strafonderzoek niet heeft geleid tot vervolging van de vennootschap die het medisch kabinet exploiteert of van de verweerder wegens in België gepleegde fiscale misdrijven en dat er ook geen aanwijzingen zijn dat de Belgische fiscus een aanslag heeft gevestigd op niet-aangegeven inkomsten. Ook wordt noch in de telastlegging, noch in andere stukken verduidelijkt welk deel van de geldsom van 1.206.890,00 euro ontdoken belastingen zou betreffen en als illegaal vermogensvoordeel moet worden beschouwd; - hoe dan ook kan uit het strafdossier niet worden afgeleid dat de beslissing van het parket van het district Vilnius van 8 januari 2021 om het gerechtelijk vooronderzoek nr. 02-6-00047-18 af te sluiten, werd herroepen, zoals vereist is door artikel 217 van het Litouwse Wetboek van strafrechtspleging om een onderzoek te heropenen. Een formele beslissing in die zin ligt niet voor. De beslissing van het parket van het district Vilnius van 8 januari 2021 om het gerechtelijk vooronderzoek nr. 02-6-00047-18 af te sluiten, moet derhalve als een definitieve beslissing worden beschouwd.
  5. Gelet op de aard, de ernst en de gevolgen van de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, dient de rechter voor wie een grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wordt aangevoerd de nodige maatregelen te nemen om redelijkerwijze zekerheid te verkrijgen over die aanvoering.
  6. Artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst verplicht de rechter om, indien er daartoe grond bestaat, de strafvordering niet ontvankelijk te verklaren. Daartoe dient het echter redelijkerwijze vast te staan dat aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan, bij gebrek waaraan de rechter zich daarvan moet vergewissen. Met dat doel kan het openbaar ministerie, onder meer bij toepassing van artikel 57 Schengen Uitvoeringsovereenkomst, de nodige inlichtingen inwinnen bij de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaat waar de aan artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst ten grondslag liggende beslissing is gewezen of kan de rechter het openbaar ministerie verzoeken dat te doen.
  7. Hieruit volgt dat, wanneer voor de rechter op grond van artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst wordt aangevoerd dat een beklaagde in België niet kan worden vervolgd omdat in een andere lidstaat voor substantieel dezelfde feiten een met een vrijspraak gelijk te stellen beslissing is gewezen, maar die beslissing naar het recht van die lidstaat vatbaar is voor herroeping en een eventuele heropening van het strafonderzoek, terwijl er bovendien aanwijzingen zijn dat die beslissing in de andere lidstaat effectief is herroepen, de rechter de werkelijkheid en zo nodig de wettigheid van die herroeping en, in voorkomend geval, het daaraan in de betrokken lidstaat gegeven gevolg dient na te gaan, opdat er redelijkerwijze zekerheid kan worden verkregen over de aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering.
  8. Met de hiervoor vermelde redenen oordeelt het arrest dat voldaan is aan de vereisten van artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst op grond van de beslissing van het parket van het district Vilnius van 8 januari 2021 om het strafonderzoek nr. 02-6-00047-18 af te sluiten, in essentie omdat de stukken die daarover zekerheid kunnen verschaffen en waarvan het arrest het bestaan vaststelt, niet bij het strafdossier zijn gevoegd. Het arrest dat in die omstandigheden geen maatregelen neemt om die stukken te kunnen inzien en dat evenmin het Litouwse recht onderzoekt voor wat betreft de voorwaarden voor het heropenen van een afgesloten strafonderzoek en de op die voorwaarden gestelde sancties, verantwoordt de beslissing niet naar recht. Middel van de eiser
  9. Het middel behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre het de hogere beroepen ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat een tiende van de kosten ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 208,98 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.