id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 5
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 8 De kamer voor de bescherming van de maatschappij oordeelt onaantastbaar of een geïnterneerde binnen een redelijke termijn is geplaatst in of overgeplaatst naar een aangepaste instelling waar hij de nodige zorg ontvangt; het Hof gaat na of de kamer bij die beoordeling van de redelijke termijn, uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 13 Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat indien blijkt dat de vrijheidsberoving van de geïnterneerde onrechtmatig is omdat zij niet binnen een redelijke termijn plaatsvindt in een aangepaste instelling waar hij de nodige zorg ontvangt en er dus bijgevolg een schending voorligt van artikel 5.1.e EVRM, dit niet noodzakelijk tot de invrijheidstelling van de geïnterneerde moet leiden; de interneringsmaatregel strekt immers ook tot de beveiliging van de samenleving; in dat geval moet de onrechtmatigheid van de vrijheidsberoving worden afgewogen tegen het gevaar dat een vrijlating van de geïnterneerde voor de samenleving oplevert en kan worden beslist dat niettegenstaande de vastgestelde schending van artikel 5.1.e EVRM de geïnterneerde van zijn vrijheid blijft beroofd; het door artikel 13 EVRM bedoelde recht op daadwerkelijk rechtsherstel kan dan bestaan in de vaststelling dat het door artikel 5.1.e EVRM gewaarborgde recht van de geïnterneerde op een vrijheidsberoving in een aangepaste instelling waar hij de nodig zorg ontvangt, is miskend, wat dan de mogelijkheid opent voor een schadevergoedingsvordering tegen de overheid; uit het voorgaande volgt dat indien uit de vaststellingen van de kamer blijkt dat een geïnterneerde niet binnen een redelijke termijn is geplaatst in of overgeplaatst naar een aangepaste instelling waar hij de nodige zorg ontvangt, zij dient vast te stellen dat het door artikel 5.1.e EVRM gewaarborgd recht van de geïnterneerde is miskend en vervolgens die onrechtmatigheid moet afwegen tegen de gevolgen van een invrijheidstelling van de geïnterneerde voor de veiligheid van de samenleving
(1).
(1)Cass. 24 juni 2025, AR P.25.0837.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.30; Rb. Oost-Vlaanderen, 23 december 2024, RW 2025-26, 354. Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 2, eerste lid - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 5
.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 13- 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1377.N J. C., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, afdeling Gent, van 13 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 5.1.e en 13 EVRM en de artikelen 2 en 11 Interneringswet: het vonnis bevestigt de noodzaak van een aangepaste behandelsetting waarbij het in overeenstemming met het advies van de psychosociale dienst, de directeur en het openbaar ministerie oordeelt dat de eiser een behandeling moet kunnen aanvatten door middel van een residentiële opname, een psychiatrisch verzorgingstehuis of een forensisch psychiatrisch centrum (hierna FPC), maar het beslist wel dat eisers mensenrechten niet worden miskend; die beslissing, die is gesteund op de vaststelling dat de eiser verblijft op een monocel binnen het zorgproject Passo van de afdeling voor de bescherming van de maatschappij (hierna ABM) Merksplas en dat hij wordt opgevolgd onder begeleiding van een zorgteam, is ontbloot van iedere realiteitszin en gaat regelrecht in tegen wat door de eiser op de rechtszitting en in zijn conclusie werd uiteengezet; er is geen zorgomkadering aangezien de eiser nauwelijks of nooit een psychiater ziet en slechts om de twee maanden een gesprek heeft met een psycholoog; evenmin is er sprake van een tewerkstelling onder begeleiding van een zorgteam; het vonnis negeert totaal de schrijnende situatie waarin de eiser zich ondertussen al meer dan drie jaar bevindt, namelijk de totaal onaangepaste setting van de ABM Merksplas, met een aanzienlijk personeelstekort en een compleet verouderde infrastructuur waar alle middelen ontbreken om de eiser als een ernstig zieke man de nodige omkadering en medisch verzorging te bieden, wat geen gunst is maar een plicht voor de overheid; de nieuwe herhaalde beslissing tot behoud van de plaatsing in de ABM Merksplas in afwachting van een plaatsing in het FPC, waar de eiser ten vroegste binnen één jaar zal kunnen worden opgenomen gelet op zijn plaatsing op de wachtlijsten, bevestigt dat de ABM geen gepaste setting is voor de eiser.
- De internering is volgens artikel 2, eerste lid, Interneringswet een veiligheidsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorg kan worden verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Een vrijheidsberoving als gevolg van een interneringsbeslissing is in beginsel niet strijdig met artikel 5.1.e EVRM.
- Artikel 5.1 EVRM bepaalt: “Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure: e. in het geval van rechtmatige detentie van (…) geesteszieken (…).”
- Artikel 5.4 EVRM bepaalt: “Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is.”
- Uit die bepalingen volgt dat een vrijheidsberoving van een geesteszieke die strafbare feiten heeft gepleegd en op die grond is geïnterneerd, rechtmatig is indien hij binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een kliniek, hospitaal of andere aangepaste instelling waar hem aangepaste zorg wordt verstrekt.
- De kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer), als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege, moet toezicht houden op de wijze van uitvoering van de interneringsbeslissingen binnen het geldende verdragsrechtelijke en wettelijke kader. Het staat aan deze kamer erover te waken dat de geïnterneerde binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hij de meest gepaste zorg ontvangt.
- De redelijkheid van die termijn, die niet in absolute termen is uit te drukken, hangt onder meer af van de aard van de geestesziekte, de mogelijke behandelwijzen, de wijze waarop de geïnterneerde desgevallend in het verleden reeds werd behandeld, de wijze waarop de uitvoering van de internering in het verleden is verlopen, de beschikbaarheid van de voorzieningen die zijn gericht op de specifieke noden van de geïnterneerde en de bereidheid van de geïnterneerde om mee te werken met voorgestelde behandelingen.
- De kamer oordeelt onaantastbaar of de inrichting waar een geïnterneerde is geplaatst, een aangepaste instelling is waar hij de nodige zorg ontvangt. Uit het enkele feit dat volgens de Interneringswet een ABM een inrichting is waar een geïnterneerde kan worden geplaatst of waarnaar hij kan worden overgeplaatst en dat dit geen gevangenis is, volgt evenwel niet dat een ABM zonder meer een voor de geïnterneerde aangepaste instelling is waar hij de nodige zorg ontvangt.
- Het Hof gaat na of de kamer bij de beoordeling of een inrichting een voor de geïnterneerde aangepaste instelling is waar hij de nodige zorg ontvangt, uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- De kamer oordeelt evenzeer onaantastbaar of een geïnterneerde binnen een redelijke termijn is geplaatst in of overgeplaatst naar een aangepaste instelling waar hij de nodige zorg ontvangt.
- Het Hof gaat na of de kamer bij die beoordeling van de redelijke termijn, uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat indien blijkt dat de vrijheidsberoving van de geïnterneerde onrechtmatig is omdat zij niet binnen een redelijke termijn plaatsvindt in een aangepaste instelling waar hij de nodige zorg ontvangt en er dus bijgevolg een schending voorligt van artikel 5.1.e EVRM, dit niet noodzakelijk tot de invrijheidstelling van de geïnterneerde moet leiden. De interneringsmaatregel strekt immers ook tot de beveiliging van de samenleving. In dat geval moet de onrechtmatigheid van de vrijheidsberoving worden afgewogen tegen het gevaar dat een vrijlating van de geïnterneerde voor de samenleving oplevert en kan worden beslist dat niettegenstaande de vastgestelde schending van artikel 5.1.e EVRM de geïnterneerde van zijn vrijheid blijft beroofd.
- Het door artikel 13 EVRM bedoelde recht op daadwerkelijk rechtsherstel kan dan bestaan in de vaststelling dat het door artikel 5.1.e EVRM gewaarborgde recht van de geïnterneerde op een vrijheidsberoving in een aangepaste instelling waar hij de nodig zorg ontvangt, is miskend, wat dan de mogelijkheid opent voor een schadevergoedingsvordering tegen de overheid.
- Uit het voorgaande volgt dat indien uit de vaststellingen van de kamer blijkt dat een geïnterneerde niet binnen een redelijke termijn is geplaatst in of overgeplaatst naar een aangepaste instelling waar hij de nodige zorg ontvangt, zij dient vast te stellen dat het door artikel 5.1.e EVRM gewaarborgd recht van de geïnterneerde is miskend en vervolgens die onrechtmatigheid moet afwegen tegen de gevolgen van een invrijheidstelling van de geïnterneerde voor de veiligheid van de samenleving.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser sinds 20 september 2022 is geplaatst in de ABM Merksplas.
- De eiser heeft in zijn op de rechtszitting van 4 oktober 2025 ingediende conclusie op omstandige wijze aangevoerd dat de ABM Merksplas geen instelling is waar hij een aangepaste zorg krijgt.
- Het vonnis verwerpt eisers aanvoering dat zijn door artikel 5.1.e EVRM gewaarborgd recht is miskend met de redenen dat hij verblijft op een monocel binnen het zorgproject Passo van de ABM Merksplas, hij er wordt opgevolgd door het zorgteam en hij is tewerkgesteld onder de begeleiding van het zorgteam. Met die redenen stelt het vonnis evenwel niet vast dat de ABM Merksplas een kliniek, hospitaal of andere aangepaste instelling is waar de eiser aangepaste zorg wordt verstrekt.
- Uit de redenen die het vonnis bevat betreffende de verdere plaatsing in de ABM Merksplas in afwachting van een geschikte residentiële opname in een psychiatrisch verzorgingstehuis of opname in een FPC, volgt bovendien dat de kamer aanneemt dat de ABM geen kliniek, hospitaal of andere aangepaste instelling is waar de eiser aangepaste zorg wordt verstrekt.
- Het oordeel dat het door artikel 5.1.e EVRM gewaarborgde recht van de eiser niet is miskend om binnen een redelijke termijn te worden opgenomen in een kliniek, hospitaal of andere aangepaste instelling waar de eiser aangepaste zorg wordt verstrekt, is niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing dat geen schending van artikel 5.1.e EVRM voorligt, leidt tot de vernietiging van de overige beslissingen van het vonnis die er een gevolg van zijn. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Verwijst de zaak naar de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, afdeling Gent, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.26 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231024.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.24 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250128.2N.7 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.30 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250729.VAK.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div