id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.27 Rolnummer: P.25.1379.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2025-11-28 Raadplegingen: 459 - laatst gezien 2026-06-16 17:01 Versie(s): Vertaling samenvatting(
(1)Over het beginsel van een gelijktijdige uitvoering van alle titels van strafuitvoering zie Cass. 16 mei 2023, AR P.23.0658.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.15; P. HOET, “Verschillende vrijheidsberovende straffen worden gelijktijdig uitgevoerd”, T. Strafr. 2023, 245; J. FUNCK, “La mise à l'exécution d'une nouvelle peine après l'octroi d'une mesure de libération et le principe de l'unité d'exécution des peines”, RDPC 2025, 889-904; en de concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH in de zaak Cass. 5 november 2025, AR P.25.1293.F, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251105.2F.12. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 23, § 1, al. 1er - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 24 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25, § 1er et 2,
- a)- 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 1° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 22 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 23, § 1, al. 1er - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 24 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 25, § 1er et 2,
- a)- 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 64, 1° - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1379.N M. K., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Nathalie Buisseret, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 20 oktober 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN 1. Aan de eiser werd bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 14 oktober 2021 de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend. De eiser diende op dat ogenblik nog 2.459 dagen vrijheidsstraf te ondergaan. 2. De hem bij het vonnis van 14 oktober 2021 toegekende strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 11 april 2025 herroepen op grond van artikel 64, 1°, Wet Strafuitvoering. De eiser werd bij vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 17 februari 2025 voor feiten gepleegd tijdens de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden proeftijd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar. De strafuitvoeringsrechtbank oordeelde in het herroepend vonnis dat de proeftijd goed was verlopen gedurende 206 dagen vrijheidsstraf en bepaalde het nog te ondergane strafrestant op 2.253 dagen vrijheidsstraf. 3. De eiser heeft op 17 april 2025 een verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht ingediend. 4. Volgens de penitentiaire administratie moet het strafeinde voor de eiser worden bepaald op 9 maart 2034 en voldoet hij aan de tijdsvoorwaarde voor elektronisch toezicht vanaf 3 augustus 2025. Bij die bepaling van de tijdsvoorwaarde wordt geen rekening gehouden met het strafrestant dat werd vastgelegd door het herroepend vonnis van 11 april 2025, maar enkel met de straf die werd opgelegd met het vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 17 februari 2025. 5. De strafuitvoeringsrechtbank oordeelt dat met dit strafrestant wel rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de tijdsvoorwaarde. Het bepaalt die tijdsvoorwaarde als volgt: er wordt uitgegaan van een strafeinde op 9 maart 2034; het uitvoerbaar straftotaal ingevolge het vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 17 februari 2025 bedraagt drie jaar of 1.095 dagen vrijheidsstraf waarbij het strafrestant van 2.253 dagen vrijheidsstraf ingevolge het herroepend vonnis moet worden geteld, wat in totaal 3.348 dagen vrijheidsstraf oplevert; één derde van die straf bedraagt 1.116 dagen vrijheidsstraf; de tijdsvoorwaarde voor de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt daardoor slechts bereikt op 10 maart 2028 en die van het elektronisch toezicht slechts op 10 november 2027. Dit is de bestreden beslissing. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 6. Het middel voert schending aan van artikel 25, § 1 en § 2, Wet Strafuitvoering en miskenning van het principe van de eenheid van strafuitvoering: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser niet in de tijdsvoorwaarde is voor de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht; het nog te ondergane strafrestant na herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling mag voor de berekening van de nieuwe datum van de tijdsvoorwaarde niet mee in aanmerking worden genomen; voor de berekening van de initiële datum van de tijdsvoorwaarde voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd immers reeds rekening gehouden met de in uitvoering zijnde straffen; rekening houden met het strafrestant na de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling zou betekenen dat twee keer (een gedeelte van) dezelfde straffen in aanmerking wordt genomen en dit is bovendien in strijd met het principe van de eenheid van strafuitvoering; indien er geen nieuwe straffen in uitvoering gaan, is de veroordeelde ingeval van een herroeping altijd meteen terug in de tijdsvoorwaarde voor een voorwaardelijke invrijheidstelling; dit verklaart waarom de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig artikel 68, § 5, derde lid, Wet Strafuitvoering een datum moet bepalen voor het indienen van een nieuw verzoek; die bepaling zou, in de hypothese dat geen andere straffen in uitvoering gaan, zinloos zijn; dat de herroeping is gegrond op artikel 64, 1°, Wet Strafuitvoering laat niet toe anders te oordelen. 7. Artikel 22 Wet Strafuitvoering omschrijft het elektronisch toezicht als een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde het geheel of een gedeelte van zijn vrijheidsstraf buiten de gevangenis ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd. 8. Artikel 23, § 1, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het elektronisch toezicht kan worden toegekend aan de veroordeelde die zich, op zes maanden na, in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling. 9. Artikel 24 Wet Strafuitvoering omschrijft de voorwaardelijke invrijheidstelling als een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde zijn straf ondergaat buiten de gevangenis, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd. 10. Artikel 25, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meerdere vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, voor zover deze veroordeelde één derde van deze straffen heeft ondergaan. Artikel 25, § 2, a), Wet Strafuitvoering bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt voor zover de veroordeelde één derde van deze straffen heeft ondergaan. 11. De strafuitvoering wordt beheerst door het principe dat definitieve vrijheidsstraffen gelijktijdig, proportioneel en niet-opeenvolgend worden uitgevoerd, dat die straffen worden getotaliseerd en dat er slechts één strafuitvoering is. 12. Uit de voormelde bepalingen en het voormelde principe volgt dat voor de bepaling van de tijdsvoorwaarde voor het elektronisch toezicht, na een herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van artikel 64, 1°, Wet Strafuitvoering, geen rekening wordt gehouden met het strafrestant dat werd bepaald door het vonnis dat de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft herroepen. Anders oordelen zou impliceren dat eenzelfde straf of dezelfde straffen geheel of gedeeltelijk twee keer in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de tijdsvoorwaarde. 13. Het vonnis dat anders oordeelt en bij de bepaling van de tijdsvoorwaarde voor het elektronisch toezicht het bij de herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit bepaalde strafrestant in aanmerking neemt, verantwoordt de beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.27 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230516.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251105.2F.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div