id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 2
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 59 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 2
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 59 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 2
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 3
- 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 59 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1399.N F, veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 20 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN
- Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) heeft bij arrest van 9 mei 2023, in de zaak H. t. België, verzoekschrift nr. 37928/20 geoordeeld dat de Belgische Staat artikel 3 EVRM heeft geschonden omdat aan de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde eiser geen realistische mogelijkheid werd geboden om zich te beteren. Volgens het EHRM maakt, gelet op de concrete omstandigheden van deze zaak, de impasse waarin de eiser zich sinds meerdere jaren bevindt als gevolg van een praktische onmogelijkheid om te worden geplaatst in een psychiatrische eenheid, terwijl volgens de interne autoriteiten zijn detentie in een gevangenis niet langer aangewezen is, dat de eiser geen realistisch perspectief heeft op een invrijheidstelling, wat strijdig is met artikel 3 EVRM.
- Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 13 november 2023 werd de Belgische Staat bevolen om de eiser op te nemen in een instelling buiten de gevangenis binnen een termijn van zes maanden na de betekening van het arrest en werd aan de niet-uitvoering van dit bevel de verbeuring van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag vertraging gekoppeld. Volgens het arrest bewees de eiser een schending van artikel 3 EVRM en artikel 9, § 3, Basiswet Rechtspositie Gedetineerden aangezien hij niet in de gelegenheid werd gesteld om te werken aan zijn individueel detentieplan en hem geen realistisch perspectief werd geboden op een invrijheidstelling en kon daaraan worden tegemoet gekomen door de uitvoering van de besluiten van een college van deskundigen van 16 januari
- Die besluiten voorzagen in de opname in een forensisch psychiatrische eenheid als noodzakelijke tussenstap tussen de gevangenis en een terugkeer naar de maatschappij, maar een dergelijke tussenstap zou ook kunnen bestaan in de opname in een transitiehuis. In het arrest werd benadrukt dat de onmogelijkheid van opname in een forensisch psychiatrische eenheid berustte op financiële redenen.
- Het cassatieberoep dat door de Belgische Staat tegen dit arrest werd ingesteld, werd bij arrest van het Hof van 4 september 2025 verworpen.
- Op 23 december 2024 had de eiser een verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht ingediend. Bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (hierna de strafuitvoeringsrechtbank), van 23 juni 2025, werd de behandeling van dit verzoek uitgesteld naar de rechtszitting van 14 augustus 2025 en werden bij toepassing van artikel 59 Wet Strafuitvoering aan de eiser uitgaansvergunningen toegekend met het oog op het uitwerken van een residentiële opname in een gespecialiseerd centrum.
- Bij vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 22 augustus 2025 werd de behandeling van het verzoek om elektronisch toezicht uitgesteld naar de rechtszitting van 14 oktober 2025 en werden aan de eiser andermaal uitgaansvergunningen toegekend.
- Op de rechtszitting van 15 oktober 2025 werd eisers verzoek om elektronisch toezicht behandeld. Met het vonnis van 20 oktober 2025 heeft de strafuitvoeringsrechtbank eisers verzoek afgewezen en werd bepaald dat hij onmiddellijk een nieuw verzoek kan indienen. Dit is de thans bestreden beslissing. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
- Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 3 en 5.4 EVRM en artikel 47, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering: het vonnis had opdat zou zijn tegemoet gekomen aan het recht op effectieve reclassering, dat bovendien werd gekoppeld aan een dwangsom, elektronisch toezicht moeten toekennen; het EHRM oordeelt met het arrest van 9 mei 2023 dat de detentie van de eiser artikel 3 EVRM schendt; het hof van beroep te Antwerpen oordeelt met het arrest van 13 november 2023 dat de Belgische Staat binnen de zes maanden de eiser dient op te nemen in een instelling en dit onder verbeurte van een dwangsom; het cassatieberoep tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van het Hof van 4 september 2025; de eiser hoort dan ook niet meer in een gevangenis te zitten; artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering is ondergeschikt aan de toepassing van de artikelen 3 en 5.4 EVRM. Het tweede middel voert schending aan van artikel 3 EVRM en artikel 59 Wet Strafuitvoering: het vonnis wijst ten onrechte eisers verzoek af om opnieuw toepassing te maken van artikel 59 Wet Strafuitvoering en de eiser elektronisch toezicht toe te kennen voor een periode van twee maanden; het vonnis oordeelt ten onrechte dat het verlengen van de termijn om te beslissen over de toekenning van elektronisch toezicht niet meer mogelijk is.
- Artikel 5.4 EVRM is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het eerste middel naar recht.
- Uit het voormelde arrest van het EHRM van 9 mei 2023 volgt niet dat de door de strafuitvoeringsrechtbank te volgen procedure strijdig is met artikel 3 EVRM. De door het EHRM vastgestelde schending van artikel 3 EVRM door België is volgens het EHRM een gevolg van een praktische onmogelijkheid om de eiser te plaatsen in een psychiatrische eenheid. Het bij arrest van het Antwerpse hof van beroep van 13 november 2023 gegeven bevel aan de Belgische Staat om de eiser op te nemen in een instelling buiten de gevangenis binnen een termijn van zes maanden na de betekening van het arrest, is evenzeer gebaseerd op die onmogelijkheid.
- Noch uit artikel 3 EVRM, noch uit de voormelde arresten van het EHRM en van het Antwerpse hof van beroep, volgt dan ook dat de strafuitvoeringsrechtbank verplicht zou zijn om de eiser zonder meer de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toe te kennen. De strafuitvoeringsrechtbank kan deze strafuitvoeringsmodaliteit slechts toekennen indien blijkt dat geen van de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering vermelde tegenaanwijzingen voorhanden zijn en zij dient bovendien de toepassingsvoorwaarden van artikel 59 Wet Strafuitvoering te respecteren. De in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen en de strikte regeling voor de toekenning van strafuitvoeringsmodaliteiten beogen de samenleving te beschermen, verplichting die mede voortvloeit uit artikel 2 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM.
- Het vonnis beantwoordt en verwerpt de aanvoering van de eiser dat er voor de strafuitvoeringsrechtbank twee opties zijn, namelijk ofwel elektronisch toezicht toekennen, ofwel hem de dwangsom toekennen van 1.000,00 euro per dag, als volgt: de strafuitvoeringsrechtbank heeft slechts de keuze tussen de toekenning of de afwijzing van elektronisch toezicht; zij moet daarbij rekening houden met de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen en een burgerlijke procedure doet daaraan geen afbreuk of staat daar niet boven. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen.
- Het vonnis oordeelt ook als volgt: - de strafuitvoeringsrechtbank heeft al meermaals gesteld dat een residentiële tussenstap tussen gevangenis en samenleving noodzakelijk is en zij bevestigt dit; - om dit uit te werken werden aan de eiser bij toepassing van artikel 59 Wet Strafuitvoering uitgaansvergunningen toegekend; - samen met Tandem werden verschillende pistes bekeken: de eiser werd aangemeld bij PC Sint-Truiden in de Zorggroep Myna, maar werd er niet aangenomen. Op 30 juli 2025 kwamen twee medewerkers van OPZC Rekem naar de gevangenis om een intake te doen. Op 8 augustus 2025 had Tandem een gesprek met de psychiaters aldaar om na te gaan of de eiser in aanmerking kon komen voor een opname in hun ziekenhuis. Er werd besloten dat dr. D. contact ging opnemen met zijn collega van Sint-Kamillus te Bierbeek om het dossier te bespreken. Uit een schrijven van Tandem van 4 oktober 2025 blijkt dat er verschillende stappen werden gezet om een residentiële piste uit te werken. De piste van OPZC Rekem of Sint-Kamillus Bierbeek ligt dus nog open; - Tandem stelt verder dat een toeleiding naar een psychiatrische setting moeilijk is omdat er bij de eiser geen psychiatrische problematiek aanwezig is; - er moet worden opgemerkt dat in geen enkel vonnis werd gesteld dat de tussenstap een psychiatrische instelling dient te zijn. Het dient een residentiële setting te zijn waar wordt gewerkt aan de persoonlijkheidsproblematiek van de eiser en waar hem wordt geleerd om te gaan met interpersoonlijke relaties die in de buitenwereld niet even gestructureerd verlopen als in het penitentiair milieu; - zoals het deskundigencollege stelde, situeert de psychologische kwetsbaarheid van de eiser zich op het niveau van een negatief en kwetsbaar zelfbeeld, een zeer zwak probleemoplossend vermogen wanneer hij in interpersoonlijke relaties met negatieve emoties wordt geconfronteerd en het onvermogen om psychische autonomie aan anderen toe te staan; - de eiser hanteert een afweermechanisme van een onrijp ontwikkelingsniveau, wat impliceert dat hij de realiteit wijzigt door elementen toe te voegen die er in feite niet zijn of omgekeerd door bestaande elementen van de realiteit te loochenen; - vooral de onaangename of bedreigende aspecten van de realiteit en het zelfbeeld worden genegeerd en buiten bewustzijn gehouden, zodat de eiser moet aanleren om interpersoonlijke moeilijkheden of situaties die een negatieve emotie oproepen te hanteren; - de residentiële tussenstap is noodzakelijk om de eiser extra vaardigheden aan te leren bij zijn terugkeer naar de maatschappij. De eiser verblijft al vijfenveertig jaar onafgebroken in detentie en heeft geleerd om met zijn sterke en zwakke kanten te functioneren binnen het strikte gevangenissysteem. Interpersoonlijke relaties lopen in de buitenwereld niet altijd zoals in het penitentiair milieu het geval is. In een residentiële tussenfase zal hij hiermee moeten leren omgaan, wat essentieel is om het risico op plegen van nieuwe ernstige feiten in te perken; - de strafuitvoeringsrechtbank betreurt dat een plaatsing in een transitiehuis tot tweemaal toe werd geweigerd en suggereert dat de vraag opnieuw kan worden gesteld. In combinatie met een doorgedreven psychologische ondersteuning zou het een ideale tussenstap naar buiten zijn; - daarnaast kan de piste OPZC Rekem of Sint-Kamillus Bierbeek verder worden geëxploiteerd of een andere residentiële setting die zich focust op psychologische ondersteuning en re-integratie; - de strafuitvoeringsrechtbank betreurt dat er nog geen geschikte instelling is gevonden en dat de overheid haar verantwoordelijkheid niet neemt door in voldoende en geschikte instellingen te voorzien, maar stelt vast dat er wel degelijk perspectief is; - het voorgestelde ambulante plan waarbij de eiser bij de aalmoezenier te Diepenbeek zal wonen, vrijwilligerswerk zal doen binnen de Protestantse Kerk en een begeleiding zal volgen bij CGG Integra, komt in de nu uitgewerkte versie niet tegemoet aan de tegenaanwijzingen; - er ligt nog geen aanvaardbaar plan voor; - als tegenaanwijzing wordt het ontbreken van een concreet uitgewerkt reclasseringsplan en het daarmee gaande risico op nieuwe ernstige strafbare feiten aangenomen; - teneinde het verder exploiteren van de mogelijkheden toe te laten, kan de eiser onmiddellijk een nieuw verzoek indienen en om het plan verder uit te werken moet hij uitgaansvergunningen via de geijkte weg aanvragen. Met die redenen verantwoordt het vonnis de afwijzing van het verzoek om elektronisch toezicht op grond van het voorhanden zijn van de door artikel 47, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing naar recht. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div