← België

R. contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 4bis

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 23 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 24 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4bis

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 3 - 5 De in artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek vermelde antwoordnoot is bedoeld om een eiser in cassatie de gelegenheid te geven te antwoorden op de conclusie van de advocaat-generaal; deze antwoordnoot kan door een eiser in cassatie niet worden aangewend om middelen aan te voeren die niet werden aangevoerd in zijn memorie, of om de in de memorie ontwikkelde middelen uit te breiden of om het Hof te verzoeken een prejudiciële vraag te stellen terwijl dat verzoek reeds had kunnen worden geformuleerd in de memorie. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1107, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1107, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1107, derde lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 6 - 8 Artikel 6.2 EVRM en het daarin gewaarborgde vermoeden van onschuld verzetten zich niet ertegen dat indien een beklaagde in het kader van de strafvervolging aanvoert dat voor de bepaling van zijn belastbare beroepsinkomsten als handelaar in tweedehandsvoertuigen rekening moet worden gehouden met de kosten van aankoop van de voertuigen, de onderdelen en restauratiewerken, hij het bestaan van dergelijke kosten en de omvang ervan aannemelijk moet maken, waarbij het, indien hij slaagt in die aanvoeringslast, de vervolgende partij toekomt het tegendeel te bewijzen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BELASTINGEN (MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 10 Elk economisch voordeel uit een misdrijf is een vermogensvoordeel als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek zodat elk voordeel uit een onwettige activiteit dan ook een vermogensvoordeel vormt in de zin van die bepaling en het voorwerp kan uitmaken van een witwasmisdrijf; zo vormt de gehele omzet en niet enkel de niet-betaalde of niet afgedragen belastingen en niet betaalde sociale bijdragen van een handel in tweedehandsvoertuigen en onderdelen, zonder inschrijving in het handelsregister of de KBO, een vermogensvoordeel uit de misdrijven die het ontwikkelen van een dergelijke activiteit zonder inschrijving strafbaar stellen. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 42, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 11 - 14 De Belgische Staat die op grond van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering voor de strafrechter een vordering stelt tot bevestiging of tot het verschaffen van een titel tot betaling van de betreffende belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren, is geen burgerlijke partij aangezien hij voor de straftrechter een zelfstandige vordering instelt waarbij de bevoegde belastingadministratie tussenkomt in de strafzaak en dit geen vordering tot schadevergoeding betreft maar een fiscale vordering die rechtstreeks haar grondslag vindt in de wet, zodat artikel 43bis, derde lid, tweede zin, Strafwetboek de toewijzing van de verbeurdverklaarde zaken aan de Belgische Staat als zelfstandig vorderende partij niet toelaat; de prejudiciële vraag die een vergelijking beoogt van twee niet vergelijkbare rechtstoestanden, namelijk de rechtstoestand van een burgerlijke partij van wie de schadevergoedingsvordering overeenkomstig artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is gesteund op een bij de strafrechter aanhangig strafbaar feit, en de rechtstoestand van de Belgische Staat die overeenkomstig artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering op grond van de fiscale wet een zelfstandige vordering stelt tot betaling van belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren dient niet te worden gesteld. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 463 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4bis

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 463 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4bis

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 463 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4bis

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 463 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek

Art. 4bis

- 01 ELI link Pub nr 1878041750 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiche 15 Uit artikel 162bis Wetboek van Strafvordering en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek volgt dat indien meerdere beklaagden tegenover een burgerlijke partij in het ongelijk zijn gesteld, de strafrechter ambtshalve elke beklaagde moet veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan die burgerlijke partij en dit ongeacht of die burgerlijke partij slechts de gezamenlijke veroordeling tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding heeft gevraagd van die beklaagden. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 162bis - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) - 10-10-1967 - Art. 1022 - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0428.N I D. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Léon Stynenstraat 75C, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. N. M., burgerlijke partij, verweerder,
  2. BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Gewestelijke Directie AABBI Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, met correspondentieadres te 9050 Gent (Ledeberg), G. Crommenlaan 6 bus 804, ON 0308.357.159, zelfstandig vorderende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. II K. L., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie Leuven. III A. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  3. N. M., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder,
  4. BELGISCHE STAAT, fod Financiën, reeds vermeld, zelfstandig vorderende partij, verweerder. IV N. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3580 Beringen, Paalsesteenweg 81, waar de eiser woonplaats kiest, tegen N. M., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 februari
  5. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser III voert geen middel aan. De eiser IV voert in memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Plaatsvervangend magistraat Alain Winants heeft geconcludeerd. De eiser I heeft op 28 oktober 2025 een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  6. Het arrest verklaart de eisers I tot en met IV geheel of gedeeltelijk niet schuldig aan bepaalde telastleggingen. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen I tot en met IV bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  7. Het arrest verklaart de vordering van de verweerder III.2 tegen de eiser III ongegrond. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  8. Het arrest verklaart de vordering van de verweerder I.2 toelaatbaar en ontvankelijk, het heropent voor wat betreft de btw-vordering ambtshalve het debat om partijen over een bepaald aspect standpunt te laten innemen, het bepaalt daarvoor conclusietermijnen, het verklaart de vordering voor wat betreft de bijkomende aanslag in de personenbelasting gegrond en het houdt de kosten over deze vordering aan. Daaruit volgt dat de rechtsmacht van de rechters over de vordering van de verweerder I.2 tegen de eiser I niet volledig is uitgeput.
  9. De beslissing over de vordering van de verweerder I.2 tegen de eiser is dan ook geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, een beslissing vallend onder het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep I wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het oordeel dat het recht op een eerlijk proces van de eiser I niet is miskend en waarbij de strafvordering voor de feiten omschreven onder de telastleggingen E.II, F en I niet onontvankelijk wordt verklaard en die feiten bewezen worden verklaard, ook in de mate dat ze betrekking hebben op de inkomstenjaren 2008 tot en met 2011, is niet naar recht verantwoord; dit oordeel steunt op het aan de eiser I gemaakte verwijt dat hij nalaat aan te tonen dat hij geen winst heeft gemaakt, minstens niet aannemelijk maakt welke bedragen hij doorheen de tijd heeft betaald voor de aankopen van de tweedehandswagens, de onderdelen en de restauraties; daarbij wordt aangenomen dat de eiser I zich opzettelijk en gedurig ervan heeft onthouden bewijsstukken te verzamelen en te bewaren gedurende minimaal zeven jaar, terwijl de zevenjarige bewaartermijn volgens de eigen vaststellingen van het arrest reeds was verstreken voor de inkomstenjaren 2008 tot en met 2011 en minstens voor de inkomstenjaren 2008 en
  11. De verwijzing door het arrest naar de fiscale bewaringstermijn van zeven jaar om de strafvordering voor de feiten omschreven onder de telastleggingen E.II en F niet onontvankelijk en die feiten bewezen te verklaren, blijkt volgens de bewoordingen van het arrest zelf een ten overvloede gegeven reden.
  12. Verder stelt het arrest vast dat de eiser I de mogelijkheid had om bij de aanvang van de redelijke termijn op 26 juli 2017 desgevallend nog bancaire rekeninguittreksels op te vragen, dienstig voor zijn verdediging en dit voor een periode vanaf 26 juli 2007, gezien de banken hun gegevens tien jaar moeten bijhouden, terwijl de raadsman de eiser I ongetwijfeld zal hebben gewezen op het belang om vanaf dan stukken te verzamelen. Het wijst ook erop dat de eiser I niet concreet maakt welke fundamentele bewijsstukken zouden zijn verloren gegaan en dat het “probleem” van de eiser I enkel een gevolg was van zijn eigen beslissing om de kostennota’s en facturen niet te bewaren voor zichzelf. Verder oordeelt het arrest dat de samenlezing van het strafdossier doet besluiten dat de eiser I gedurende lange tijd bewust duister heeft gehandeld, hij in werkelijkheid geen papieren spoor wilde, het niet kunnen beschikken over relevante kostennota’s en facturen voor bepaalde auto’s hiervan een gevolg kan zijn geweest, alsook dat het een vast patroon van de eiser I was om cash te betalen, geen factuur te vragen en geregeld gelden giraal over te schrijven naar de rekening van de echtgenote van de aannemer die aan één van zijn wagens werkte. Ten slotte stelt het arrest vast dat uit niets blijkt dat de eiser I een concrete poging heeft ondernomen om bij wie dan ook stukken op te vragen, die hij fundamenteel vond voor het voeren van zijn verdediging, hij niet aannemelijk maakt dat hij ooit heeft geprobeerd om welbepaalde stukken bij garagisten op te vragen en hij het houdt bij een louter verlies van een theoretische mogelijkheid. Die door het middel niet-bekritiseerde redenen schragen de bestreden beslissing.
  13. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 23 en 24 WIB92 en miskenning van het beginsel van de btw-neutraliteit: het arrest voegt de door de verweerder I.2 middels de door artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde zelfstandige vordering geëiste btw ten onrechte bij de belastbare grondslag inzake de inkomstenbelasting; die grondslag mag slechts de geïnde maar niet doorgestorte btw omvatten wanneer er geen sprake is van een rechtzetting door de administratie, wat hier het geval is middels de voormelde zelfstandige vordering van de verweerder I.2; door die zelfstandige vordering en de beoordeling ervan door de rechters wordt de aard van deze bedragen als btw hersteld; door de verschuldigde btw toch bij de belastbare grondslag te voegen, miskent het arrest de begrippen beroepsinkomen en winst als bedoeld door de als geschonden aangevoerde bepalingen van het WIB92; aldus wordt ook het beginsel van de btw-neutraliteit miskend.
  15. Een door een belastingplichtige geïnde maar wederrechtelijk niet aan de schatkist betaalde btw vormt in beginsel een bestanddeel van het belastbare beroepsinkomen en winst als bedoeld in de artikelen 23 en 24 WIB
  16. Enkel indien de btw alsnog wordt geëist en ook daadwerkelijk wordt betaald of het karakter verkrijgt van een zekere en vaststaande schuld, vormt die btw geen bestanddeel van het belastbare beroepsinkomen en de winst. Het enkele feit dat de Staat middels de door artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering als bestanddeel van het belastbare beroepsinkomen opgenomen btw vordert van de belastingplichtige, houdt niet in dat die btw ook daadwerkelijk wordt betaald of het karakter krijgt van een zekere en vaststaande schuld. Die vordering impliceert evenmin een rechtzetting of regularisatie van de btw. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  17. De eiser I vraagt voor het eerst in zijn door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot de volgende vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Dient de btw-richtlijn, gelezen in het licht van het beginsel van de fiscale neutraliteit, aldus te worden begrepen dat deze zich ertegen verzet dat wanneer een rechtsonderhorige de belastingdienst niet in kennis heeft gesteld van een btw-plichtige handeling, noch een factuur heeft opgemaakt, noch de inkomsten uit deze handeling heeft opgenomen in een aangifte voor de directe belastingen, en er een reconstructie plaatsvindt van de in verband met de aan de orde zijnde handelingen betaalde en ontvangen bedragen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de ontvangen prijs inclusief btw is, en enerzijds geoordeeld wordt dat het berekende btw-bedrag aan de Staat verschuldigd is (en de vordering van de Staat in die mate gegrond wordt verklaard), maar de berekende (en verschuldigd geachte) btw anderzijds (in dezelfde rechterlijke beslissing) op het vlak van de directe belastingen bij de belastbare grondslag wordt gevoegd?”
  18. De in artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek vermelde antwoordnoot is bedoeld om een eiser in cassatie de gelegenheid te geven te antwoorden op de conclusie van de advocaat-generaal. Deze antwoordnoot kan door een eiser in cassatie niet worden aangewend om middelen aan te voeren die niet werden aangevoerd in zijn memorie, of om de in de memorie ontwikkelde middelen uit te breiden of om het Hof te verzoeken een prejudiciële vraag te stellen terwijl dat verzoek reeds had kunnen worden geformuleerd in de memorie.
  19. De eiser I had het verzoek om het Hof van Justitie prejudicieel te bevragen, zoals voorgesteld in de antwoordnoot, reeds kunnen formuleren in zijn memorie bij het aanvoeren van het tweede middel. Het verzoek om de prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat in strafzaken de vervolgende partij de bewijslast draagt van al de elementen van het misdrijf: met het oordeel dat het aan de eiser I toekomt om aan te tonen dat hij geen winst heeft gemaakt, minstens aannemelijk te maken welke bedragen hij doorheen de tijd heeft betaald voor de aankopen van tweedehandswagens, onderdelen of restauraties legt het arrest de bewijslast voor het gegeven dat er geen sprake was van een winstgevende activiteit of van niet-aangegeven belastbare inkomsten bij de eiser I.
  21. Artikel 6.2 EVRM en het daarin gewaarborgde vermoeden van onschuld verzetten zich niet ertegen dat indien een beklaagde in het kader van de strafvervolging aanvoert dat voor de bepaling van zijn belastbare beroepsinkomsten als handelaar in tweedehandsvoertuigen rekening moet worden gehouden met de kosten van aankoop van de voertuigen, de onderdelen en restauratiewerken, hij het bestaan van dergelijke kosten en de omvang ervan aannemelijk moet maken. Indien hij slaagt in die aanvoeringslast, komt het de vervolgende partij toe het tegendeel te bewijzen. Het onderdeel dat geheel ervan uit gaat dat aan een beklaagde in een dergelijk geval geen aanvoeringslast kan worden opgelegd, faalt naar recht. Derde middel
  22. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, en 505, eerste lid, 3° en 4°, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat inkomsten die voortvloeien uit de exploitatie van een professionele handel in tweedehandsvoertuigen en -onderdelen zonder inschrijving in de KBO, zonder de btw-regelgeving na te leven en zonder de inkomsten aan de belastingen aan te geven, illegale vermogensvoordelen zijn; die illegale vermogensvoordelen kunnen hoogstens bestaan uit de niet-betaalde of niet-afgedragen belastingen en niet-betaalde sociale bijdragen; het oordeel dat de door de rechters berekende nettowinsten als illegale vermogensvoordelen moeten worden aangemerkt en het op grond hiervan genomen besluit tot een bewezenverklaring van de witwasfeiten omschreven onder de telastlegging G is dan ook niet naar recht verantwoord.
  23. Elk economisch voordeel uit een misdrijf is een vermogensvoordeel als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek. Elk voordeel uit een onwettige activiteit vormt dan ook een vermogensvoordeel in de zin van die bepaling en kan het voorwerp uitmaken van een witwasmisdrijf. Zo vormt de gehele omzet van een handel in tweedehandsvoertuigen en onderdelen, zonder inschrijving in het handelsregister of de KBO, een vermogensvoordeel uit de misdrijven die het ontwikkelen van een dergelijke activiteit zonder inschrijving strafbaar stellen.
  24. Het middel dat aanvoert dat niet de gehele omzet van een professionele handel zonder inschrijving in het handelsregister en de KBO een vermogensvoordeel vormt uit een misdrijf maar dat enkel de niet-betaalde of niet-afgedragen belastingen en niet-betaalde sociale bijdragen een dergelijk vermogensvoordeel vormen en dat slechts die in aanmerking kunnen komen als voorwerp van het misdrijf witwassen, faalt naar recht. Vierde middel
  25. Het middel voert schending aan van artikel 43bis Strafwetboek: de afwijzing van eisers verzoek om toewijzing van de verbeurdverklaarde zaken aan de verweerder I.2 is niet naar recht verantwoord; de verweerder I.2 die in deze zaak is tussengekomen bij toepassing van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is, net zoals de douaneadministratie bij de vervolging van een douanerechtelijk misdrijf, wel degelijk een burgerlijke partij in de zin van artikel 43bis Strafwetboek. Er wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Miskent artikel 43bis Strafwetboek het gelijkheids- en het niet-discriminatiebeginsel door zonder enige objectieve verantwoording niet te voorzien in de mogelijkheid tot toewijzing aan de Belgische Staat wanneer deze in het kader van een gemeenrechtelijke fiscale vervolging op grond van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de burgerlijke rechtsvordering uitoefent?”
  26. De Belgische Staat die op grond van artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering voor de strafrechter een vordering stelt tot bevestiging of tot het verschaffen van een titel tot betaling van de betreffende belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren, is geen burgerlijke partij. Hij stelt immers voor de straftrechter een zelfstandige vordering in waarbij de bevoegde belastingadministratie tussenkomt in de strafzaak. Dit betreft geen vordering tot schadevergoeding maar een fiscale vordering die rechtstreeks haar grondslag vindt in de wet. Bijgevolg laat artikel 43bis, derde lid, tweede zin, Strafwetboek de toewijzing van de verbeurdverklaarde zaken aan de Belgische Staat als zelfstandig vorderende partij niet toe. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  27. De voorgestelde prejudiciële vraagt beoogt in wezen een vergelijking van twee niet vergelijkbare rechtstoestanden, namelijk de rechtstoestand van een burgerlijke partij van wie de schadevergoedingsvordering overeenkomstig artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is gesteund op een bij de strafrechter aanhangig strafbaar feit, en de rechtstoestand van de Belgische Staat die overeenkomstig artikel 4bis Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering op grond van de fiscale wet een zelfstandige vordering stelt tot betaling van belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren. De prejudiciële vraag wordt bijgevolg niet gesteld. Middelen van de eiseres II Eerste middel Eerste en tweede onderdeel
  28. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: met het oordeel, samengevat dat de eiseres II toezicht had moeten houden op de inhoud van de stukken die in de namens haar gevoerde burgerlijke procedure werden aangewend, maar dat zij niets heeft ondernomen, stelt het arrest niet naar recht vast dat er bij de eiseres II sprake was van met het verzuim gepaarde omstandigheden; het uitoefenen van toezicht op de waarachtigheid van het stuk dat namens de eiseres II werd neergelegd op de ondernemingsrechtbank, is geen met het verzuim gepaard gaande omstandigheid, maar houdt precies het verzuim zelf in; geen enkele van de door het arrest vermelde omstandigheden ging gepaard met het plegen van het hoofdmisdrijf; de verwijzing naar het bestaan van de Porsche, de aanstelling van mr. D. en de opstart en de beëindiging van de gerechtelijke procedure zijn feitelijke omstandigheden die niet specifiek slaan op het verzuim bij het strafbaar gebruik van het valse stuk; de overwegingen voorafgaand aan de passage van de deelneming door onthouding gaan in hoofdzaak over de overschrijving van 45.000,00 euro in oktober 2015 en de opstart en beëindiging van de procedure voor de ondernemingsrechtbank; het arrest stelt evenmin naar recht vast dat de eiseres II de uitvoering van het gebruiksmisdrijf door de eiser I ondubbelzinnig zou hebben aangespoord; de aangenomen afwezigheid van toezicht op de neergelegde stukken kan redelijkerwijze niet worden beschouwd als het op aansporende wijze bijwonen van de uitvoering van het gebruiksmisdrijf; aldus leidt het arrest uit de vastgestelde feiten gevolgen af die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord; uit geen enkele feitelijke vaststelling die het arrest bevat, kan worden afgeleid dat de eiseres II redelijkerwijze had moeten weten dat de eiser I namens haar een vals stuk zou aanwenden in de procedure en dat ze hem door met een gebrek aan toezicht gepaard gaande omstandigheden ondubbelzinnig zou hebben aangespoord om dit valse stuk aan te wenden; de schuldigverklaring van de eiseres II aan de feiten omschreven onder de telastlegging B.VI. is dan ook niet naar recht verantwoord. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 66 Strafwetboek en miskenning van het rechtsbegrip feitelijk vermoeden: het arrest stelt vast dat de eiseres II kennis had van het bestaan van de Porsche die haar werd aangeboden door de eiser I, van de aanstelling van mr. D. als haar advocaat waarmee ze contact had en van de door bij dagvaarding van 26 maart 2018 opgestarte gerechtelijke procedure die wezenlijk werd beëindigd bij dading van 15 oktober 2018; het arrest stelt ook vast dat de eiseres II volgens de verklaring van A.P. wist waarover werd geprocedeerd en dat zij kennis had van het bestaan van dadingen die ter afsluiting van de gerechtelijke procedure werden gesloten; het leidt daaruit af dat het aannemelijk is dat de eiseres II, na haar korpschef te hebben ingelicht over het opstarten van de voormelde burgerlijke procedure ook over de voortgang van deze procedure diende te berichten aan haar korpschef en dat het niet aannemelijk is dat de eiseres II, magistraat zijnde, niet verder opvolgde welke stukken en welke middelen of argumenten er aan de collega’s-magistraten worden voorgelegd; daarop steunt het arrest het feitelijk vermoeden dat de eiseres II dus ook op de hoogte was van de inhoud van de kwestieuze verklaring evenals van het feit dat het een waarheidsvermomming betrof, minstens dat de inhoud bijzonder twijfelachtig was; dit is een onmogelijke gevolgtrekking; bovendien is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds aan te nemen dat de eiseres II wist dat de inhoud van het stuk valselijk onjuist en minstens bijzonder twijfelachtig was en anderzijds vast te stellen dat de eiseres II ertoe gehouden was om toezicht uit te oefenen op de waarachtigheid van de stukken die voor of namens haar aan de ondernemingsrechtbank zouden worden voorgelegd, maar dat zij niets ondernam; indien de eiseres II niets heeft ondernomen om toezicht uit te oefenen op de waarachtigheid van de stukken die voor of namens haar aan de ondernemingsrechtbank zouden worden voorgelegd, dan kan zij evenmin kennis hebben gehad van de valsheid van één van die stukken.
  29. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of een bewust of opzettelijk verzuim om te handelen gelet op de ermee gepaard gaande omstandigheden ondubbelzinnig een aansporing inhouden tot het plegen van een misdaad of een wanbedrijf op één van de in artikel 66 Strafwetboek bedoelde wijzen.
  30. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  31. Het arrest stelt wel degelijk vast dat het bewust en opzettelijk verzuim om te handelen door de eiseres II omwille van de ermee gepaard gaande omstandigheden ondubbelzinnig een aansporing inhield tegenover de eiser I tot het plegen van de feiten omschreven onder de telastlegging B.VI. In zoverre berust het eerste onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  32. De schuldigverklaring van de eiseres II aan de onder de telastlegging B.VI. omschreven feiten van mededaderschap aan het gebruik van een vals stuk is gegrond op het volgende: - de betrokkenheid van de eiseres II bij de valse verklaring blijkt uit het gegeven dat de eiseres II wist dat zij geen geld uitleende aan D. bv, dat zij ook wist dat er geen leningsovereenkomst was opgesteld en ondertekend en dat het volkomen ongeloofwaardig is dat zij zonder voorafgaande onderhandelingen met S.M. en zonder het opstellen van enig schriftelijk document zomaar 45.000,00 euro zou overschrijven ten titel van lening; - ook de latere chronologie onderbouwt dat er nooit een mondelinge leningsovereenkomst heeft bestaan: de eiseres II heeft gedurende lange tijd D. bv niet aangemaand in terugbetaling en heeft zich nooit bekommerd om de uitgeleende gelden. Het is pas toen de relatie tussen S.M. en de eiser I begin 2018 compleet verzuurde en S.M. een factuur opstelde voor reeds geleverde prestaties die de eiser I weigerde te vergoeden, dat vanuit het niets de bewering van de eiseres II opdook dat zij de som van 45.000,00 euro in 2015 slechts tijdelijk had uitgeleend en dat zij de som per kerende terug wilde ontvangen; - het verzuim van de eiseres II om te handelen was bewust en opzettelijk; - zij had kennis van de aanstelling van mr. D. en zij heeft contact gehad met hem; - zij wist nog vooraleer de dagvaarding was betekend dat de processuele tegenpartij aanvoerde dat de eiser I zich wederrechtelijk bezighield met een autohandel en dat zij als zijn levenspartner dat wist; - zij kon eenvoudig nazicht doen naar de conclusie die mr. D. voor haar opstelde en naar het stukkenbundel dat in de burgerlijke procedure aan de rechters in de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren, werden voorgelegd; - zij wist daarbij dat de verklaring van 24 juli 2018 volledig vals was en ertoe strekte om de tussenkomst van de eiser I bij de aankoop van de Porsche en het jarenlang bewaren ervan na de aankoop te verhullen; - het was de eiser I die jarenlang de Porsche 911-964 had gestald in de garages van S. nv en niet S.M. of D. bv; - de eiseres II was als beroepsmagistraat met een minimum aan rechtschapenheid en collegialiteit ertoe gehouden toezicht uit te oefenen op de waarachtigheid van de stukken die namens haar aan de ondernemingsrechtbank zouden worden voorgelegd, maar zij ondernam niets; - gelet op het voorgaande heeft de eiseres II, die wel degelijk kennis had van

(1)onderliggend het bestaan van de Porsche, die haar werd aangeboden door de eiser I, waarmee ze had gereden en die zij had afgewezen,
(2)de aanstelling van mr. D. als haar advocaat, waarmee ze contact had, en
(3)de gerechtelijke procedure door haar opgestart bij dagvaarding van 26 maart 2018, waarover zij berichtte aan de procureur des Konings en welke wezenlijk werd beëindigd bij dading van 15 oktober 2018, zich niet beperkt tot het louter passief bijwonen van het door de eiser I gepleegde gebruik van het valse stuk.
  1. Op grond van die redenen, waaruit niet blijkt dat de vermelde omstandigheden zich vereenzelvigen met het verzuim zelf, kan het arrest wettig oordelen dat het verzuim een positieve daad van deelneming inhield en dat gelet op de ermee gepaard gaande omstandigheden dit verzuim ondubbelzinnig een aansporing inhield tot het gebruik van het valse stuk voorwerp van de vervolging onder de telastlegging B.VI. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
  2. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat de eiseres II het vals karakter van een stuk kende en anderdeels te oordelen dat zij door een verzuim in het toezicht op het gebruik van dit stuk in het licht van daarmee gepaard gaande omstandigheden heeft deelgenomen aan dit gebruik. In zoverre mist het tweede onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek en miskenning van het rechtsbegrip feitelijk vermoeden: de schuldigverklaring van de eiseres II als mededader aan de feiten omschreven onder de telastleggingen E.II, F en I is niet naar recht verantwoord; het deelnemingsopzet van de eiseres II moet aanwezig zijn geweest van minstens 25 november 2013 tot en met 17 augustus 2015, wat inhoudt dat zij wist dat de eiser I als hoofddader voor zichzelf oldtimers aankocht met geen ander doel dan die met winst door te verkopen en op duurzame wijze winstgevende verrichtingen te realiseren, dat de eiser I de inkomsten uit die handelsbedrijvigheid diende aan te geven als beroepsinkomsten in zijn jaarlijkse aangifte in de personenbelasting vanaf het inkomstenjaar 2008, dat hij bezig was met een geregelde en voortdurende werkzaamheid op zelfstandige wijze en met winstoogmerk en dat de transacties door de jaren heen onderbouwen dat de eiser I met voldoende regelmaat handelingen stelde opdat hij de hoedanigheid van btw-plichtige verkreeg en dat deze handelsonderneming diende te worden ingeschreven in het handelsregister-de KBO; het arrest leidt de vermeende kennis bij de eiseres II voor de periode van 26 november 2013 tot en met 17 augustus 2015 betreffende het bij de eiser I bestaande winstoogmerk af uit twee tapgesprekken die plaatsvonden op 20 juni 2019 en die geen betrekking hadden op transacties uit de voormelde periode; aldus leidt het arrest uit de gemaakte vaststellingen gevolgen af die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  4. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of het voor strafbare deelneming in de zin van artikel 66 Strafwetboek vereiste deelnemingsopzet is aangetoond. De rechter kan dit deelnemingsopzet ook afleiden uit feitelijke gegevens die dateren van na de incriminatieperiode.
  5. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  6. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Het arrest oordeelt als volgt: - voor wat betreft het voor de eiseres II aangenomen deelnemingsopzet verwijst het arrest naar de transacties betreffende de wagens 28, 55, 115 en 116 en beschrijft het daarbij de rol van de eiseres II, meer bepaald de terbeschikkingstelling van haar rekening en de met die transacties verband houdende geldsommen die over die rekening liepen. Het stelt ook vast dat de eiseres II wist waarop die transferten betrekking hadden; - de eiseres II heeft haar vermogen ter beschikking gesteld en haar bankrekening langdurig ter beschikking gesteld om de professionele handel van de eiser I te faciliteren, waarbij het gaat om positieve gedragingen die de eiseres II stelde wetende, als levenspartner van de eiser I, dat hij niet was ingeschreven in het handelsregister-de KBO en dat hij niet handelde als btw-plichtige; - het was wel degelijk de eiseres II die de betalingsopdrachten invoerde of doorgaf aan de bank, want de eiser I had geen volmacht op haar rekening; - de eiseres II bezorgde niet alleen gelden (giraal en chartaal na afhaling in contanten) aan de eiser I, maar zij waste ook zijn omzet en opbrengst wit door geldsommen van derden op haar zichtrekening in ontvangst te nemen en te bewaren, waardoor zij ook noodzakelijke hulp verleende aan de WIB- en btw-ontduiking en de feiten omschreven onder de telastlegging I; - de eiseres II wist ook dat de eiser I handelde uit winstoogmerk, waarbij hij ook dacht aan de belangen van het gezin met inbegrip van de eiseres II, waarvoor wordt verwezen naar de inhoud van tapgesprekken daterend van 20 juni 2019; - de eiseres II had kennis van het sluikwerk van de eiser I en had de wil om deel te nemen aan de welbepaalde transacties. Zij had gelden uitgeleend aan de eiser I en zij wist dat hij enkel zou kunnen terugbetalen als hij weer een tweedehandswagen met winst verkocht. Zij wist hoeveel hij legaal verdiende als substituut en wist dat hij zijn “schulden” niet zou kunnen terugbetalen met zijn wedde van parketmagistraat; - de eiseres II wist weliswaar niet alles af van alle door de eiser I verhandelde wagens, maar haar verweer dat zij van niets wist is ongeloofwaardig. Het is niet aannemelijk dat zij steeds is blijven geloven dat haar partner louter een gepassioneerde hobbyist was.
  8. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiseres II mededader is aan de feiten omschreven onder de telastleggingen E.II, F en I. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek en miskenning van het rechtsbegrip feitelijk vermoeden: de schuldigverklaring van de eiseres II als mededader aan de feiten omschreven onder de telastleggingen E.II en F is niet naar recht verantwoord; de deelnemingshandeling van de eiseres II zou hebben bestaan in het ter beschikking stellen aan de eiser I van haar bankrekening voor vier transacties, zijnde drie crediteringen op 26 november 2013, 18 september 2014 en 17 augustus 2015 en één creditering op 5 november 2014; een dergelijke terbeschikkingstelling van een bankrekening voor vier transacties betreffende de verhandeling door de eiser I van vier voertuigen is evenwel niet noodzakelijk voor het plegen van de fiscale fraude als bedoeld in de telastleggingen E.II en F waarbij het strafbare feit bestaat in het niet-aangeven van bepaalde inkomsten of belastbare handelingen; het arrest maakt aldus geen onderscheid tussen de transacties die over de rekening van de eiseres II liepen en die welke over de rekening van de eiser I liepen; aldus leidt het arrest uit de gemaakte vaststellingen gevolgen af die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  10. De omstandigheid dat de misdrijven van fiscale fraude ook hadden kunnen worden gepleegd zonder dat een deelnemer zijn rekening heeft ter beschikking gesteld van de hoofddader van die misdrijven, belet niet dat die terbeschikkingstelling, indien de hoofddader daardoor het misdrijf heeft kunnen plegen zoals het in concreto werd gepleegd, een strafbare daad van deelneming kan uitmaken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest dat de eiseres II schuldig verklaart als mededader aan de feiten omschreven onder de telastleggingen E.II en F laat na artikel 457, § 1, WIB92 en artikel 73quinquies, § 1, Btw-wetboek te vermelden; strafbare deelneming aan fraude inzake inkomstenbelastingen en btw is strafbaar krachtens die bepalingen.
  13. De uit de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering voor de rechter voortvloeiende verplichting om de wetsbepalingen te vermelden betreffende het bewezenverklaarde misdrijf en de toegepaste bestraffing houdt niet in dat de rechter die een beklaagde schuldig verklaart als mededader naast de wetsbepaling betreffende de deelneming en die betreffende het hoofdmisdrijf, bovendien de wetsbepalingen moet vermelden die voorschrijven dat op dit hoofdmisdrijf de gemeenrechtelijke wetsbepalingen inzake strafbare deelneming van toepassing zijn. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, en 505 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de volledige omzet, minstens de nettowinst van de handelsactiviteiten van de eiser I, waarvoor hij niet was ingeschreven in het handelsregister-de KBO en waarvoor hij geen btw- en WIB-aangiften had ingediend illegaal vermogen zijn; de beslissing om het volledige bedrag van de transacties op de bankrekening van de eiseres II als een witwasgedraging te beschouwen, is niet naar recht verantwoord.
  15. Elk economisch voordeel uit een misdrijf is een vermogensvoordeel als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek. Elk voordeel uit een onwettige activiteit vormt dan ook een vermogensvoordeel in de zin van die bepaling en kan het voorwerp uitmaken van een witwasmisdrijf. Zo vormt de gehele omzet van een handel in tweedehandsvoertuigen en onderdelen met inbegrip van de daarmee verband houdende transacties, zonder inschrijving in het handelsregister of de KBO, een vermogensvoordeel uit de misdrijven die het ontwikkelen van een dergelijke activiteit zonder inschrijving strafbaar stellen.
  16. Het onderdeel dat aanvoert dat niet het gehele bedrag van de transacties betreffende een professionele handel zonder inschrijving in het handelsregister en de KBO een vermogensvoordeel vormt uit een misdrijf, maar dat enkel de nettowinst een dergelijk vermogensvoordeel vormt en dat slechts die nettowinst in aanmerking kan komen als voorwerp van het misdrijf witwassen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 505 Strafwetboek: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de volledige omzet van de clandestiene autohandel een illegaal vermogensvoordeel is in de zin van artikel 42, 3°, Strafwetboek en het neemt anderzijds aan dat alleszins de als gevolg van het sluikwerk ontvangen inkomsten en nettowinsten een illegaal vermogensvoordeel zijn; het berekent die nettowinst en het herneemt deze berekening onder de beoordeling van de telastlegging G inzake witwassen; aangezien bij het bepalen van de nettowinst van de transacties de gekende aankoopprijs in mindering wordt gebracht en de nettowinst per definitie lager is dan de volledige omzet houdt dit in dat niet het volledige handelsactief van de eiser I als illegaal vermogensvoordeel kan worden beschouwd; derhalve kan niet elke transactie betreffende dit handelsactief een witwasgedraging uitmaken; daaruit volgt dat het Hof zijn wettigheidstoezicht met betrekking tot de omvang van de vermogensvoordelen die zouden zijn witgewassen en betreffende de omvang van hierop gesteunde vermogensvoordelen niet kan uitoefenen.
  18. Het arrest stelt ondubbelzinnig en meermaals vast dat het illegale vermogensvoordeel bestaat in de volledige omzet van de clandestiene autohandel en het baseert de beoordeling van de witwastelastleggingen ook op dat uitgangspunt. De omstandigheid dat het arrest ook aangeeft dat minstens de nettowinst van de autohandel een vermogensvoordeel is en dat het expliciet ook de uit de btw-telastleggingen behaalde opbrengst bepaalt, levert geen tegenstrijdigheid in de motivering op en belet het Hof evenmin zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505 Strafwetboek en miskenning van het rechtsbegrip feitelijk vermoeden: het arrest leidt de vermeende kennis van de illegale oorsprong met betrekking tot de telastlegging G.II.a, b, c en d af uit het verhoor van P.S., die verklaarde dat hij in de hal van D. in Zutendaal de eiseres II eenmaal zag, alsook uit een op de professionele laptop van de eiseres II teruggevonden document; ondanks de door de eiseres II gevoerde betwisting betreffende de afwezigheid van het moreel bestanddeel op het ogenblik van de haar verweten witwastransacties stelt het arrest niet vast dat de eenmalige aanwezigheid in de loods en de aanwezigheid van het document op de laptop van de eiseres II zich situeerden vóór of uiterlijk op het ogenblik van de verweten materiële witwashandelingen; aldus leidt het arrest uit de gemaakte vaststellingen gevolgen af die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  20. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of bij een beklaagde het voor het witwasmisdrijf vereiste kenniselement aanwezig is.
  21. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  22. Het arrest bevat een geheel van redenen betreffende de aanwezigheid van het kenniselement bij de eiseres II voor wat betreft de telastleggingen G.II.a, b, c en d en dit kenniselement wordt niet uitsluitend afgeleid uit de twee in het onderdeel vermelde feitelijke gegevens, maar ook uit de wijze en de omstandigheden waarin de transacties op de rekening van de eiseres II zijn gebeurd. Met het geheel van die redenen geeft het arrest te kennen dat het kenniselement bij de eiseres II aanwezig was vóór of uiterlijk op het ogenblik van de verweten materiële witwashandelingen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiseres II haar verweer dat zij doorheen vele jaren veel meer gelden heeft uitgeleend aan de eiser I dan dat zij gelden terug heeft ontvangen, rechtstreeks van de eiser I of onrechtstreeks van derden, niet deugdelijk aan de hand van stukken heeft gestaafd, miskent het arrest de bewijskracht van de tweede conclusie van de eiseres II; de eiseres II heeft in haar tweede conclusie wel degelijk aan de hand van concrete stukken en meer bepaald het proces-verbaal 517716/2019 en het Excel-overzicht van de zicht- en spaarrekening van de eiseres II als bijlage bij dit proces-verbaal haar verweer gestaafd.
  24. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen van dit geschrift. Indien de rechter uit het geschrift louter een gevolg afleidt en er dus geen uitlegging van geeft, is er geen miskenning van de bewijskracht van dit geschrift.
  25. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel leidt het arrest uit de bedoelde conclusie van de eiseres II louter een gevolg af. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  26. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 3° en 505 Strafwetboek: het arrest beveelt tweemaal de verbeurdverklaring van het bedrag van 14.500,00 euro, namelijk éénmaal als voorwerp van de telastlegging G.II.a en eenmaal als voorwerp van de telastlegging G.II.b; het verklaart eveneens tweemaal de verbeurdverklaring van het bedrag van 105.000,00 euro, namelijk eenmaal als voorwerp van de telastlegging G.II.b en eenmaal als voorwerp van de telastlegging G.II.c; aldus overstijgt de verbeurdverklaring het voorwerp van die witwasmisdrijven; de eiseres II had aangevoerd dat de fondsen die volgens de telastlegging G.II.b zouden zijn witgewassen gedeeltelijk bestonden uit fondsen die reeds overeenkomstig de telastlegging G.II.a zouden zijn witgewassen (45.000,00 euro) en dat de fondsen die overeenkomstig de telastlegging G.II.c zouden zijn witgewassen gedeeltelijk bestonden uit fondsen die reeds overeenkomstig de telastlegging G.II.b zouden zijn witgewassen (105.000,00 euro), derhalve diende volgens de eiseres II het totaal bedrag van het voorwerp van de telastlegging G.II.a, b en c van 323.200,00 euro te worden verminderd met 119.500,00 euro, zodat hoogstens 203.700,00 euro kon worden verbeurdverklaard.
  27. Uit het door het middel bekritiseerde oordeel, blijkt dat het arrest vaststelt dat de inkomende en de uitgaande bedragen geen corresponderende geldsommen zijn en dat dezelfde vermogensvoordelen dan ook geen tweemaal worden verbeurd verklaard. Het middel dat opkomt tegen die feitelijke beoordeling, is niet ontvankelijk. Middelen van de eiser IV Eerste middel
  28. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.64, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de miskenning van de bewijskracht van een akte verbiedt: met het oordeel dat aan de eiser IV geen minnelijke schikking werd voorgesteld, terwijl in het document met als titel “Voorstel tot minnelijke schikking”, dat op 3 juli 2024 aan de eiser IV zonder enig voorbehoud werd overgemaakt, uitdrukkelijk wordt vermeld dat er op 4 (lees 3) januari 2024 een voorstel van minnelijke schikking werd geformuleerd, miskent het arrest de bewijskracht van deze akte; uit dit document blijkt dat de partijen het erover eens waren dat er op 3 januari 2024 reeds een voorstel van minnelijke schikking werd geformuleerd, waarover de partijen mondeling overeenstemming bereikten, dat eveneens aan de twee bijkomende voorwaarden die nadien door het openbaar ministerie werden gesteld was voldaan en dat dit ook de werkelijke bedoeling was van de partijen; door aan dit document een andere uitlegging te geven, schendt het arrest artikel 5.64 Burgerlijk Wetboek.
  29. Het oordeel dat door het openbaar ministerie aan de eiser IV geen minnelijke schikking is voorgesteld, is gegrond op het gegeven dat het aan de eiser IV toegestuurde stuk geen handtekening van het openbaar ministerie droeg terwijl die handtekening symboliseert dat het openbaar ministerie weloverwogen heeft beslist gebruik te maken van het in artikel 216bis Wetboek van Strafvordering bepaalde recht. Dit oordeel is ook gegrond op de vaststelling dat het openbaar ministerie geen oproeping had verstuurd overeenkomstig artikel 216bis, § 2, Wetboek van Strafvordering voor een vergadering waarop ook de verweerder IV en zijn raadsman zouden worden uitgenodigd en waarop het openbaar ministerie zijn voornemen zou hebben toegelicht.
  30. Het middel dat nalaat deze redenen, welke de bestreden beslissing schragen, te bekritiseren kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  31. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest leidt het oordeel dat T.G. de Mercedes 280 SE heeft aangekocht op het ogenblik dat de verkoper J.M. niet over het nieuwe inschrijvingsbewijs beschikte, af uit de e-mailketting bijgebracht in het stukkenbundel van de verweerder IV waaronder de brief van de Engelse dienst DVLA van 17 november 2015; volgens het arrest werd pas op die datum aan J.M. toegezegd om een nieuw inschrijvingsbewijs af te leveren; dit is een gevolgtrekking die het arrest niet kan maken; bijgevolg is de motivering via het arrest onlogisch; uit de door de eiser IV overgelegde stukken blijkt dat de aankoop van het voertuig gebeurde na 17 november 2015 en dus nadat de dienst DVLA bij schrijven van 17 november 2015 bevestigde dat een nieuw inschrijvingsbewijs zou worden afgeleverd; uit dit schrijven kan het arrest niet afleiden dat het nieuwe inschrijvingsbewijs er nog niet was op het moment van de aankoop van het voertuig; bijgevolg is de schuldigverklaring van de eiser IV aan de feiten omschreven onder de telastleggingen B.III, C.II en D.II en de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerder IV niet naar recht verantwoord.
  32. Het onderdeel dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  33. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging met inbegrip van het recht op tegenspraak: met het oordeel dat de rechters enkel geloof hechten aan de verklaring die D.M. op 18 maart 2016 tegenover de politie heeft afgelegd en er geen noodzaak is om het integrale strafdossier van de Engelse procedure bij te brengen noch om D.M. als getuige op te roepen om te worden ondervraagd of met de eiser IV te worden geconfronteerd, miskent het arrest het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiser IV; de eiser IV moet de verklaring van D.M. die als een element à charge wordt gebruikt, kunnen toetsen aan de overige stukken van de Engelse strafprocedure; het is immers niet uitgesloten dat er andere stukken of latere verklaringen van M. zijn die andersluidend zijn; het arrest kan zich niet selectief baseren op één enkel stuk waarvan de verdediging zelfs niet kan nagaan of het wel degelijk deel uitmaakt van de voorgehouden strafprocedure; ook de weigering om D.M. te horen als getuige op de rechtszitting, terwijl de schuldigverklaring van de eiser IV aan de feiten omschreven onder de telastleggingen B.III, C.II, D.II en G.V en de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerder IV daarop is gebaseerd, is niet naar recht verantwoord; het arrest oordeelt ten onrechte dat D.M. geen getuige à charge is maar een getuige à décharge; het horen van D.M. als getuige dringt zich wel degelijk op gelet op de fundamentele tegenstrijdigheid tussen de door de verweerder IV bijgebrachte schriftelijke verklaring van D.M. en de schriftelijke verklaring bijgebracht door de eiser IV, alsook de afwezigheid van het integrale Engelse strafdossier en de betwisting met betrekking tot de telastleggingen.
  34. Het arrest stelt met opgave van redenen vast dat D.M. geen getuige à charge is maar hoogstens een getuige à décharge. In zoverre het onderdeel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  35. Het arrest oordeelt dat de eiser IV wordt vervolgd voor valsheid in geschriften nopens twee facturen (één vage en één gedetailleerde) van dezelfde dag en over dezelfde transactie, en over een verkoopovereenkomst en een “bijlage verkoopovereenkomst”, maar dat al deze stukken werden opgesteld door de eiser IV zelf en dit lange tijd nadat de door J.M. te koop aangeboden wagen door D.M. werd onderzocht. Het stelt vast dat de eiser IV dus niet wordt vervolgd omwille van een bewering van D.M., maar wel omwille van het bestaan en het gebruik van de van valsheid verdachte stukken en dat D.M. volkomen vreemd was en is aan zowel deze valsheden als het gebruik ervan en dat hij daarover niets aannemelijk kan verklaren. Die redenen schragen de beslissing om het verzoek om het horen van D.M. als getuige à décharge af te wijzen.
  36. In zoverre het onderdeel is gericht tegen de schuldigverklaring van de eiser IV aan de feiten omschreven onder de telastleggingen B.III, C.II en D.II kan het niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.
  37. In zoverre het onderdeel aanvoert dat niet uit te sluiten is dat D.M. in het kader van het Engelse strafonderzoek nog andere verklaringen heeft afgelegd dan de verklaring die is voorgebracht door de verweerder IV, is het gegrond op een loutere veronderstelling en bijgevolg niet ontvankelijk.
  38. Uit de enkele omstandigheid dat een persoon die in het kader van een buitenlands strafonderzoek een geschreven verklaring heeft afgelegd die door een burgerlijke partij aan de rechter werd overgelegd en een beklaagde bovendien aan de rechter een andersluidende schriftelijke verklaring van dezelfde persoon overlegt, volgt niet dat artikel 6 EVRM of de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging de rechter verplichten de overlegging te bevelen van dit buitenlands strafonderzoek en het verhoor op de rechtszitting van die persoon te bevelen.
  39. Het staat aan de rechter om in het kader van de beoordeling van de bewijswaarde van deze schriftelijke verklaringen onaantastbaar te oordelen of die onderzoeksmaatregelen noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding.
  40. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  41. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling over de noodzaak de gevraagde onderzoeksmaatregel te bevelen, is het niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  42. Het onderdeel voert schending aan van artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 63 Wetboek van Strafvordering en artikel 6.5 Burgerlijk Wetboek: het arrest kan op basis van de door de eiser IV voorgelegde stukken en met name de VRM, het Engels inschrijvingsbewijs, de aanvraag tot inschrijving, het certificaat van veroordeling en het schriftelijk stuk met daarin de aanklacht, niet oordelen dat de verweerder IV eigenaar was van de Mercedes 280 SE; die beslissing is cruciaal om de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering van de verweerder IV te kunnen beoordelen; de VRM is geen geldig bewijs van eigendom; eigendom kan evenmin worden afgeleid uit het Engels inschrijvingsbewijs; uit het certificaat van veroordeling blijkt niet dat de beslissing van de Crown Court definitief is.
  43. Artikel 6.5 Burgerlijk Wetboek is volgens artikel 44 van de wet van 7 februari 2024 houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek slechts van toepassing op feiten die tot aansprakelijkheid kunnen leiden en die zich hebben voorgedaan na de inwerkingtreding van de wet. Deze wet is in werking getreden op 1 januari
  44. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 6.5 Burgerlijk Wetboek, faalt het naar recht.
  45. Het arrest oordeelt niet dat de VRM een bewijs van eigendom is. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  46. Artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 63 Wetboek van Strafvordering beletten de rechter niet de eigendomsaanspraken van de verweerder IV te beoordelen in het licht van de in het onderdeel vermelde stukken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  47. In zoverre het onderdeel, dat geen miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, voor het overige opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van de in het onderdeel vermelde stukken, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  48. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser IV dat een VRM geen geldig bewijs van eigendom is, dat uit het certificaat van veroordeling niet blijkt dat de beslissing van de Crown Court definitief is en dat de verweerder IV niet de minste uitleg heeft verstrekt over de vraag of hij zich in de Engelse strafprocedure burgerlijke partij heeft gesteld tegen de beweerde veroordeelde J.M.
  49. Met de redenen die het arrest bevat betreffende het certificaat van veroordeling geven de rechters te kennen dat die beslissing definitief is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  50. Met het geheel van redenen die het arrest bevat betreffende de vordering van de verweerder IV tegen de eisers I, III en IV, geven de rechters te kennen dat de vraag of de eiser IV zich in een Engelse strafprocedure burgerlijke partij heeft gesteld tegen J.M., niet relevant is. In zoverre mist het onderdeel evenzeer feitelijke grondslag. Vierde middel
  51. Het middel voert schending aan van artikel 66, derde lid, Strafwetboek: de feitelijke vaststellingen die het arrest bevat, laten niet toe te oordelen dat de eiser IV op de hoogte was of moet zijn geweest van het gegeven dat de eiser I een beroepswerkzaamheid uitoefende; het arrest stelt enkel vast dat in een tijdspanne van bijna elf jaar er over en weer tweeëntwintig transacties hebben plaatsgevonden en dat één commissie van 5.000,00 euro is toegekend; dit kan evenzeer gaan om inkomsten uit de verkoop van auto’s als bestanddelen van het privévermogen van een goede huisvader, die niet belastbaar zijn in de zin van artikel 90, 1°, WIB92 als normale verrichtingen van het beheer van een privévermogen, of om inkomsten uit een hobby die als diverse inkomsten belastbaar zijn aan een afzonderlijk belastingtarief van 33 procent; het arrest stelt niet vast dat de eiser IV op de hoogte was van iedere transactie die de eiser IV tijdens de incriminatieperiode heeft gesteld; de schuldigverklaring van de eiser IV aan de feiten omschreven onder de telastleggingen B.III, C.II, D.II, G.V en I is dan ook niet naar recht verantwoord.
  52. Het oordeel dat de eiser IV zich als mededader heeft schuldig verklaard aan de feiten omschreven onder de telastleggingen B.III en C.II houdt geen verband met de kennis door de eiser IV van het gegeven dat de eiser I een beroepswerkzaamheid uitoefende. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  53. Voor het overige komt het middel onder het mom van een wettigheidskritiek op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Vijfde middel
  54. Het middel voert schending aan van de artikelen 1017, 1018, eerste lid, 6°, 1021, 1022 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1 en 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het beschikkingsbeginsel: het arrest veroordeelt de eisers I, II en IV elk tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 euro aan de verweerder I.1-III.1-IV, terwijl deze verweerder in zijn syntheseconclusie de veroordeling van deze eisers heeft gevorderd tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 euro.
  55. De artikelen 1017, 1018 en 1021 Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken.
  56. Uit artikel 162bis Wetboek van Strafvordering en artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek volgt dat indien meerdere beklaagden tegenover een burgerlijke partij in het ongelijk zijn gesteld, de strafrechter ambtshalve elke beklaagde moet veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan die burgerlijke partij en dit ongeacht of die burgerlijke partij slechts de gezamenlijke veroordeling tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding heeft gevraagd van die beklaagden.
  57. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  58. Het arrest dat aldus oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  59. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.925,59 euro, waarvan de eiser I 481,39 euro is verschuldigd en de eisers II, III en IV elk 481,40 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.