← België

A. contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.5 Rolnummer: P.25.1109.N Zaak: A. contra A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-11-28 Raadplegingen: 571 - laatst gezien 2026-06-18 14:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Een beklaagde heeft geen recht op een werkstraf, ook al voldoet hij aan de wettelijke voorwaarden voor deze straf; de rechter oordeelt onaantastbaar of in het licht van de doelstellingen van de bestraffing het uitspreken van die straf opportuun is; de omstandigheid dat de werkstraf een volwaardige en autonome straf is, doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)Cass. 26 februari 2025, AR P.24.1484.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250226.2F.1, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 25 juni 2024, AR P.24.0571.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.12; Cass. 4 juni 2024, AR P.24.0344.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.6; Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1512.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.7, T.Strafr. 2024, afl. 2, 110; Cass. 8 november 2023, AR P.23.0992.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231108.2F.3, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, RABG 2024, 1178 noot F. VAN VOLSEM, “Een beklaagde heeft geen recht op een werkstraf, maar de rechter moet de afwijzing van een verzoek om een werkstraf behoorlijk motiveren” (1180-1184). Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 4 Uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek volgt dat indien de rechter weigert een door de beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken hij die beslissing met redenen moet omkleden; op die motiveringsverplichting is artikel 149 Grondwet, behoudens bij daartoe strekkende conclusie, of artikel 195 Wetboek van Strafvordering niet van toepassing; de motivering van de weigering een werkstraf uit te spreken vereist niet noodzakelijk een op zichzelf staande motivering; die weigering kan ook worden gemotiveerd door het vermelden of medevermelden van redenen ter verantwoording van het opleggen van een andere straf
(1).
(1)Cass. 26 februari 2025, AR P.24.1484.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250226.2F.1, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH; Cass. 4 juni 2024, AR P.24.0344.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.6; Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1512.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240123.2N.7, T.Strafr. 2024, afl. 2, 110; Cass. 8 november 2023, AR P.23.0992.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231108.2F.3, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, RABG 2024, 1178 noot F. VAN VOLSEM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 6 Behoudens bij daartoe strekkende conclusie moet de rechter in de beslissing geen werkstraf uit te spreken niet uitdrukkelijk vermelden dat de strafdoelen van bescherming van de maatschappij, responsabilisering en bevordering van re-integratie niet door een werkstraf kunnen worden bereikt; uit de omstandigheid dat hij van die strafdoelen geen melding maakt, volgt niet dat hij ze bij zijn beoordeling niet heeft betrokken. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 7 - 8 De redenen die de rechter vermeldt ter verantwoording van de weigering een werkstraf uit te spreken moeten de beklaagde in staat stellen te begrijpen waarom de rechter niet voor een dergelijke straf opteert; uit de omstandigheid dat een beklaagde het onbegrijpelijk vindt dat de rechter hem geen werkstraf oplegt, volgt evenwel niet dat die beklaagde gelet op de door de rechter gegeven verantwoording niet in staat is te begrijpen waarom de rechter het uitspreken van een dergelijke straf weigert
(1).
(1)Cass. 26 februari 2025, AR P.24.1484.N, ECLI; Cass. 4 juni 2024, AR P.24.0344.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.6; Cass. 23 januari 2024, AR P.23.1512.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250226.2F.1, T.Strafr. 2024, afl. 2, 110. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 37quinquies, § 3, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 9 - 10 Een beklaagde heeft geen recht op de maatregel van uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden, ook al voldoet hij aan de wettelijke voorwaarden voor deze maatregel; de rechter oordeelt onaantastbaar of in het licht van de doelstellingen van de bestraffing het al dan niet opleggen van deze maatregel opportuun is
(1).
(1)Cass. 17 september 2024, AR P.23.0114.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11; Cass. 28 juni 2022, AR P.21.1449.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.12, RDPC 2025, 925, RW 2022-23, 746, NC 2022, 486, T. Strafr. 2023, 94 noot E. DELEERSNYDER; Cass. 21 december 2021, AR P.21.0999.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 11 - 12 Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die een verzoek van een beklaagde om uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden afwijst, nauwkeurig de redenen voor die beslissing moet vermelden, zij het dat die motivering beknopt mag zijn; de verantwoording van de weigering uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden te verlenen, kan ook blijken of mede blijken uit de redenen die de rechter vermeldt ter verantwoording van het opleggen van effectieve straffen
(1).
(1)Cass. 17 september 2024, AR P.23.0114.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11; Cass. 21 mei 2024, AR P.24.0422.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7, T. Strafr. 2024, 313; Cass. 14 september 2021, AR P.21.0872.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16, T. Strafr. 2021, 386 noot P. HOET; Cass. 4 februari 2020, AR P.19.1162.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17, AC 2020, nr. 99, NC 2021, 154 noot M. VERDICKT. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 13 - 14 Volgens artikel 1, § 2bis Probatiewet worden bij een probatiemaatregel steeds de in het eerste lid bepaalde voorwaarden opgelegd en kunnen die worden aangevuld met geïndividualiseerde voorwaarden gericht op het voorkomen van recidive en de omkadering van de begeleiding; het komt de rechter toe te oordelen of in het licht van die doelstellingen het opleggen van probatievoorwaarden opportuun is; hij kan het verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden wel degelijk afwijzen op de grond of mede op de grond dat niet blijkt dat er bij de beklaagde een problematiek is die moet worden aangepakt en de daaruit voortvloeiende zinvolheid of het gebrek daaraan van een probatiebegeleiding en dit zowel voor de beklaagde als voor de probatiediensten; door dit te doen interpreteert de rechter de Probatiewet niet te restrictief of niet haaks op de doelstellingen van deze wet. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 1, § 2bis - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 1, § 2bis - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 15 - 16 Indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden een verweer voert met verwijzing naar concrete en specifieke omstandigheden, dan volgt uit artikel 149 Grondwet voor de rechter de verplichting dit verweer te beantwoorden, zonder dat hij evenwel moet antwoorden op elk afzonderlijk gegeven dat tot staving van zijn verzoek is aangevoerd
(1).
(1)Cass. 30 mei 2023, AR P.23.0443.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.12; Cass. 28 juni 2022, AR P.21.1449.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.12; Cass. 14 september 2021, AR P.21.0872.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16, T. Strafr. 2021, 386 noot P. HOET. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Fiches 17 - 18 De redenen die de rechter vermeldt ter verantwoording van de weigering uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden toe te kennen moeten de beklaagde in staat stellen te begrijpen waarom de rechter niet voor een dergelijke maatregel opteert; uit de omstandigheid dat een beklaagde het onbegrijpelijk vindt dat de rechter die maatregel niet uitspreekt, volgt evenwel niet dat die beklaagde gelet op de door de rechter gegeven verantwoording niet in staat is te begrijpen waarom de rechter het uitspreken van die maatregel weigert. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8, § 1, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1109.N B. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 juni
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 37quinquies, § 3, Strafwetboek: het arrest vermeldt geen concrete en geïndividualiseerde redenen voor de weigering een werkstraf uit te spreken; de appelrechters hebben niet onderzocht of de doelstellingen van de straf en met name de bescherming van de maatschappij, responsabilisering en bevordering van re-integratie niet door een werkstraf kunnen worden bereikt; de eiser kan daardoor niet begrijpen waarom hij geen werkstraf krijgt; de werkstraf is een volwaardige en autonome straf en geen gunst of loutere modaliteit; het is een volwaardige strafoptie op gelijke voet met de vrijheidsstraf en de geldboete; vage of abstracte motieven kunnen niet volstaan; er moet blijken dat de rechter kennis heeft genomen van het verzoek om een werkstraf en de afwijzing moet berusten op een concrete beoordeling van de persoon en de omstandigheden van de zaak.
  3. Een beklaagde heeft geen recht op een werkstraf, ook al voldoet hij aan de wettelijke voorwaarden voor deze straf. De rechter oordeelt onaantastbaar of in het licht van de doelstellingen van de bestraffing het uitspreken van die straf opportuun is. De omstandigheid dat de werkstraf een volwaardige en autonome straf is, doet daaraan geen afbreuk.
  4. Uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek volgt dat indien de rechter weigert een door de beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken hij die beslissing met redenen moet omkleden. Op die motiveringsverplichting is artikel 149 Grondwet, behoudens bij daartoe strekkende conclusie, of artikel 195 Wetboek van Strafvordering niet van toepassing.
  5. De motivering van de weigering een werkstraf uit te spreken vereist niet noodzakelijk een op zichzelf staande motivering. Die weigering kan ook worden gemotiveerd door het vermelden of medevermelden van redenen ter verantwoording van het opleggen van een andere straf.
  6. Behoudens bij daartoe strekkende conclusie moet de rechter in de beslissing geen werkstraf uit te spreken niet uitdrukkelijk vermelden dat de strafdoelen van bescherming van de maatschappij, responsabilisering en bevordering van re-integratie niet door een werkstraf kunnen worden bereikt. Uit de omstandigheid dat hij van die strafdoelen geen melding maakt, volgt niet dat hij ze bij zijn beoordeling niet heeft betrokken.
  7. De redenen die de rechter vermeldt ter verantwoording van de weigering een werkstraf uit te spreken moeten de beklaagde in staat stellen te begrijpen waarom de rechter niet voor een dergelijke straf opteert. Uit de omstandigheid dat een beklaagde het onbegrijpelijk vindt dat de rechter hem geen werkstraf oplegt, volgt evenwel niet dat die beklaagde gelet op de door de rechter gegeven verantwoording niet in staat is te begrijpen waarom de rechter het uitspreken van een dergelijke straf weigert.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Het arrest verantwoordt door overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen de aan de eiser opgelegde bestraffing en derhalve ook de weigering een werkstraf uit te spreken als volgt: - de eiser heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, oplichting en misbruik van vertrouwen met een werkwijze die getuigt van opportunistisch gedrag, waarbij klanten van de garage gebrekkige voertuigen werden aangesmeerd en beloftes om zaken te herstellen niet werden nageleefd; - dit gedrag is totaal onaanvaardbaar en wijst op een gebrek aan respect naar de klanten toe die er mochten op vertrouwen een betrouwbaar voertuig te kopen; - de eiser werd reeds elf keer veroordeeld inzake verkeer en hij blijkt ook te zijn veroordeeld op 30 september 2021 voor onder meer verduistering van activa; - het uitspreken van een werkstraf is gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde telastleggingen en de persoonlijkheid van de eiser zoals ze blijkt uit het strafdossier geenszins opportuun; - een werkstraf zou voor de eiser een volstrekt onvoldoende signaal zijn dat de bewezenverklaarde feiten geenszins kunnen worden getolereerd en zou hem deze doen minimaliseren; - de ernst van de feiten, de oneerlijke onbetrouwbare ingesteldheid van de eiser, zijn totale onverschilligheid ten aanzien van de gevolgen van de bewezen gebleven misdrijven en zijn strafrechtelijk verleden, waaruit blijkt dat hij niet aan zijn proefstuk toe is, wettigen de door de eerste rechter opgelegde bestraffing en laten geen ruimte voor enige mildering; - een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden en een geldboete van 500,00 euro, te vermeerderen met de opdeciemen, zijn een wetmatige en passende beteugeling voor de bewezenverklaarde feiten.
  10. Uit die redenen blijkt dat de appelrechters het verzoek om een werkstraf in aanmerking hebben genomen. Met die redenen, die geenszins vaag of abstract zijn, maar integendeel concreet en specifiek op de eiser betrekking hebben, omkleden de appelrechters de weigering om een werkstraf uit te spreken regelmatig met redenen. Bij afwezigheid van een conclusie waarin concrete gegevens werden aangevoerd ter staving van het verzoek om een werkstraf dienen de appelrechters die beslissing niet nader te motiveren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8 Probatiewet: hoewel uit deze bepalingen volgt dat de rechter de beslissing over een vraag om probatievoorwaarden concreet en geïndividualiseerd moet motiveren, beperkt het arrest zich tot een summiere overweging dat er geen actuele problematiek bestaat en het verzoek louter opportunistisch is, wat maakt dat die motivering gebrekkig is; er wordt niet ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van de eiser, zijn levensloop, de concrete context van de feiten of de toekomstperspectieven; aldus biedt het arrest geen reëel inzicht in de redenen voor de weigering; probatievoorwaarden zijn niet enkel zinvol of mogelijk indien er een actuele problematiek aanwezig is; voorwaarden kunnen bijdragen tot responsabilisering, het vermijden van herhaling en het ondersteunen van een maatschappelijke integratie; het arrest negeert de beoordelingsruimte die de wetgever aan de rechter heeft toegekend om probatievoorwaarden aan te wenden als een instrument van preventie en gedragssturing.
  12. Een beklaagde heeft geen recht op de maatregel van uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden, ook al voldoet hij aan de wettelijke voorwaarden voor deze maatregel. De rechter oordeelt onaantastbaar of in het licht van de doelstellingen van de bestraffing het al dan niet opleggen van deze maatregel opportuun is.
  13. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die een verzoek van een beklaagde om uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden afwijst, nauwkeurig de redenen voor die beslissing moet vermelden, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  14. De verantwoording van de weigering uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden te verlenen, kan ook blijken of mede blijken uit de redenen die de rechter vermeldt ter verantwoording van het opleggen van effectieve straffen.
  15. Volgens artikel 1, § 2bis Probatiewet worden bij een probatiemaatregel steeds de in het eerste lid bepaalde voorwaarden opgelegd en kunnen die worden aangevuld met geïndividualiseerde voorwaarden gericht op het voorkomen van recidive en de omkadering van de begeleiding.
  16. Het komt de rechter toe te oordelen of in het licht van die doelstellingen het opleggen van probatievoorwaarden opportuun is. Hij kan het verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden wel degelijk afwijzen op de grond of mede op de grond dat niet blijkt dat er bij de beklaagde een problematiek is die moet worden aangepakt en de daaruit voortvloeiende zinvolheid of het gebrek daaraan van een probatiebegeleiding en dit zowel voor de beklaagde als voor de probatiediensten. Door dit te doen interpreteert de rechter de Probatiewet niet te restrictief of niet haaks op de doelstellingen van deze wet.
  17. Indien een beklaagde ter staving van zijn verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden een verweer voert met verwijzing naar concrete en specifieke omstandigheden, dan volgt uit artikel 149 Grondwet voor de rechter de verplichting dit verweer te beantwoorden, zonder dat hij evenwel moet antwoorden op elk afzonderlijk gegeven dat tot staving van zijn verzoek is aangevoerd.
  18. De redenen die de rechter vermeldt ter verantwoording van de weigering uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden toe te kennen moeten de beklaagde in staat stellen te begrijpen waarom de rechter niet voor een dergelijke maatregel opteert. Uit de omstandigheid dat een beklaagde het onbegrijpelijk vindt dat de rechter die maatregel niet uitspreekt, volgt evenwel niet dat die beklaagde gelet op de door de rechter gegeven verantwoording niet in staat is te begrijpen waarom de rechter het uitspreken van die maatregel weigert.
  19. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  20. Het arrest verantwoordt door overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen de aan de eiser opgelegde bestraffing en derhalve ook de weigering uitstel van tenuitvoerlegging met probatievoorwaarden te verlenen als volgt: - de eiser heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, oplichting en misbruik van vertrouwen met een werkwijze die getuigt van opportunistisch gedrag, waarbij klanten van de garage gebrekkige voertuigen werden aangesmeerd en beloftes om zaken te herstellen niet werden nageleefd; - dit gedrag is totaal onaanvaardbaar en wijst op een gebrek aan respect naar de klanten toe die er mochten op vertrouwen een betrouwbaar voertuig te kopen; - de eiser werd reeds elf keer veroordeeld inzake verkeer en hij blijkt ook te zijn veroordeeld op 30 september 2021 voor onder meer verduistering van activa; - een straf gekoppeld aan probatievoorwaarden is gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde telastleggingen en de persoonlijkheid van de eiser zoals ze blijkt uit het strafdossier geenszins opportuun; - er wordt niet aannemelijk gemaakt dat bij de eiser een problematiek aanwezig is waaraan moet worden verholpen door middel van op te leggen probatievoorwaarden; - de ernst van de feiten, de oneerlijke onbetrouwbare ingesteldheid van de eiser, zijn totale onverschilligheid ten aanzien van de gevolgen van de bewezen gebleven misdrijven en zijn strafrechtelijk verleden, waaruit blijkt dat hij niet aan zijn proefstuk toe is, wettigen de door de eerste rechter opgelegde bestraffing en laten geen ruimte voor enige mildering; - een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden en een geldboete van 500,00 euro te vermeerderen met de opdeciemen zijn een wetmatige en passende beteugeling voor de bewezenverklaarde feiten.
  21. Uit die redenen blijkt dat de appelrechters het verzoek om een straf met probatievoorwaarden in aanmerking hebben genomen. Met die redenen, die geenszins vaag of abstract zijn, maar integendeel concreet en specifiek op de eiser betrekking hebben, omkleden de appelrechters de weigering om een straf met probatievoorwaarden uit te spreken regelmatig met redenen. Bij afwezigheid van een conclusie waarin concrete gegevens werden aangevoerd ter staving van het verzoek om die maatregel, dienen de appelrechters die beslissing niet nader te motiveren. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  22. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod: het arrest bevestigt de door de eerste rechter opgelegde bijkomende straf van het beroepsverbod zonder eigen of aanvullende overwegingen; er wordt niet aangegeven waarom in dit specifieke geval een beroepsverbod noodzakelijk en proportioneel is; de eiser kan niet begrijpen om welke redenen dit beroepsverbod passend is en het Hof is niet in staat die beslissing daadwerkelijk te toetsen.
  23. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor het appelgerecht heeft aangevoerd dat de door artikel 1 Wet Beroepuitoefeningsverbod bedoelde bijkomende straf van het bestuurdersverbod niet noodzakelijk of disproportioneel was. In zoverre is het middel nieuw en dus onontvankelijk.
  24. Uit artikel 195, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die het bestuurdersverbod als bedoeld door artikel 1 Wet Beroepuitoefeningsverbod oplegt, de keuze voor deze facultatieve bijkomende straf en haar maat nauwkeurig moet motiveren, ook al mag die motivering beknopt zijn. Bij afwezigheid van een conclusie geldt geen verdergaande motiveringsplicht.
  25. Het arrest (p. 13) oordeelt met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 12) dat de eiser zich een onbetrouwbare partner in het handelsverkeer heeft getoond en dat zijn handelswijze aantoont dat hij een gevaar betekent voor de goede werking van het handelsverkeer, zodat het opleggen van dit bestuurdersverbod voor een termijn van vijf jaar noodzakelijk is. Deze redenen, die zowel de keuze voor die straf als de maat ervan verantwoorden, laten de eiser toe te begrijpen waarom de rechter tot die beslissing is gekomen en stellen het Hof in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 18 november 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231108.2F.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240521.2N.7 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240604.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250226.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.