← België

B. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251120.1N.6 Rolnummer: F.22.0008.N Zaak: B. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-12-05 Raadplegingen: 691 - laatst gezien 2026-06-17 09:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Om het nagestreefde doel van belastingontwijking tegen te gaan, alsook om te waarborgen dat de vennootschap over voldoende liquiditeiten beschikt, zijn de tenlastenemingen van vennootschapsverliezen fiscaalrechtelijk niet aftrekbaar als beroepskosten wanneer zij, zoals het geval is voor de debitering van de rekening-courant op basis van een schuldvordering die is ontstaan door stortingen in voorgaande belastbare tijdperken, enkel een definitieve vermindering van het vermogen van de bedrijfsleider inhouden, zonder dat daarbij liquiditeiten beschikbaar komen voor de vennootschap; de debitering van een rekening-courant waarvan het credit is opgebouwd door stortingen van liquiditeiten in vorige belastbare tijdperken kan niet worden beschouwd als een betaling in de zin van artikel 53,15° WIB92

(1).
(1)Gwh. 28 november 2024, arrestnr. 145/2024, ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.
  1. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Beroepskosten Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 53, 15° - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiches 3 - 4 Opdat bedrijfsleiders de door hen ten laste genomen vennootschapsverliezen als beroepskost zouden kunnen aftrekken, moet er sprake zijn van een onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som die door de vennootschap volledig wordt gebruikt voor de aanzuivering van haar verliezen; deze bepaling voldoet aan het door artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM gestelde vereiste van duidelijkheid en voorzienbaarheid van de fiscale wet; evenmin wordt daarmee aan de belastingplichtige een onevenredige last opgelegd. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALGEMEEN Tekst van de beslissing Nr. F.22.0008.N
  2. J. B.,
  3. M. C., eisers, met als raadslieden mr. Jan Tuerlickx, advocaat bij de balie provincie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Van Putlei 14, waar de eisers woonplaats kiezen, en mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1850 Grimbergen, d’Overschielaan 40, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de adviseur-generaal Directeur te P centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 126, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefaan De Vleeschouwer, beiden advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 oktober 2019 (met rolnummer 2018/AR/640). Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 26 januari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Het Hof heeft bij arrest van 30 november 2023 een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Bij arrest van 28 november 2024 heeft het Grondwettelijk Hof deze vraag beantwoord. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan het arrest van 30 november 2023 is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. In zijn arrest van 30 november 2023 heeft het Hof geoordeeld dat: - uit de samenhang tussen de artikelen 49 en 53, 15°, WIB92 volgt dat het door een bedrijfsleider ten laste genomen verlies van zijn vennootschap slechts als beroepskost aftrekbaar is in het belastbare tijdperk waarin de onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een geldsom aan de vennootschap wordt verricht; - uit de wetsgeschiedenis van artikel 53, 15°, WIB92 blijkt dat onder het begrip “onherroepelijke en onvoorwaardelijk betaling” moet worden verstaan een definitieve storting in speciën, dit is elke verrichting, met inbegrip van stortingen of overschrijvingen langs post- of bankrekening, die een werkelijke betaling vanwege de bedrijfsleider inhoudt, en dat eenvoudige boekhoudkundige geschriften verricht in de vennootschap uitgesloten zijn; - hieruit volgt dat de debitering van een rekening-courant door een bedrijfsleider niet kan worden beschouwd als een “betaling” in de zin van artikel 53, 15°, WIB92 aangezien deze geen storting in speciën inhoudt en de omstandigheid dat het gedebiteerde credit in rekening-courant werd opgebouwd door werkelijk aan de vennootschap ter beschikking gestelde gelden, hieraan geen afbreuk doet. Vervolgens heeft het Hof aan het Grondwettelijk Hof de vraag gesteld of artikel 53, 15°, WIB92 in die interpretatie verstaanbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en meer bepaald of het redelijk verantwoord is dat, enerzijds, een bedrijfsleider die gelden ter beschikking stelt van zijn vennootschap om vennootschapsverliezen aan te zuiveren zonder de ter beschikking gestelde som op zijn rekening-courant te boeken, deze wel als beroepskost in aftrek kan brengen, terwijl de bedrijfsleider die de ter beschikking gestelde gelden in eerste instantie op het credit van zijn rekening-courant boekt maar de rekening-courant nadien, in het bijzonder in een later belastbaar tijdperk, debiteert, de ter beschikking gestelde gelden niet als beroepskost kan aftrekken van zijn belastbaar inkomen in het belastbaar tijdperk van de debitering.
  5. Bij arrest van 28 november 2024 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat ten aanzien van het nagestreefde doel belastingontwijking tegen te gaan, alsook om in het bijzonder te waarborgen dat de vennootschap over voldoende liquiditeiten beschikt, het niet zonder redelijke verantwoording is dat de tenlastenemingen van vennootschapsverliezen fiscaalrechtelijk niet aftrekbaar zijn als beroepskosten wanneer zij, zoals het geval is voor de debitering van de rekening-courant op basis van een schuldvordering die is ontstaan door stortingen in voorgaande belastbare tijdperken, enkel een definitieve vermindering van het vermogen van de bedrijfsleider inhouden, zonder dat daarbij liquiditeiten beschikbaar komen voor de vennootschap. Het Grondwettelijk Hof besloot dat artikel 53, 15°, WIB92, in samenhang gelezen met artikel 49 van hetzelfde Wetboek, bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet.
  6. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest tegenstrijdig en dubbelzinnig is in zijn motivering en dat de gebruikte motivering niet adequaat is en strijdig met de ingeroepen rechtsbepalingen zelf, voert het in werkelijkheid geen motiveringsgebrek maar een onwettigheid aan. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet en artikel 6 EVRM, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel dat, zoals het eerste onderdeel, aanvoert dat de debitering van een rekening-courant waarvan het credit is opgebouwd door stortingen van liquiditeiten in vorige belastbare tijdperken moet worden beschouwd als een betaling in de zin van artikel 53, 15°, WIB92, steunt op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht. Derde onderdeel
  9. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 170 Grondwet en het daarin besloten adagium “in dubio contra fiscum”, komt het op tegen overtollige redenen en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  10. Artikel 1, eerste lid, Eerste Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat alle natuurlijke of rechtspersonen recht hebben op het ongestoorde genot van hun eigendom en dat niemand van zijn eigendom zal worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. Het tweede lid van dat artikel, dat bepaalt dat de voorgaande bepalingen op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren, vereist dat de inmenging van de overheid ingevolge de fiscale heffing in het recht op het ongestoorde genot van eigendom, wettig moet zijn, wat betekent dat zij berust op rechtsnormen die, wat de toepassing ervan betreft, voldoende toegankelijk, duidelijk en voorzienbaar zijn. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM vereist aldus dat de wetgever in voldoende duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige bewoordingen bepaalt welke handelingen belastbaar zijn zodat, enerzijds, eenieder - desnoods met gepast advies - in de gegeven context in redelijke mate de fiscale gevolgen van zijn handelen kan voorzien zonder te vervallen in overdreven rigiditeit die zou verhinderen om bij de interpretatie of toepassing van een fiscale norm rekening te houden met veranderende omstandigheden of opvattingen en, anderzijds, aan de fiscale administratie en de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten. Aan de vereiste van voorspelbaarheid is voldaan wanneer de belastingplichtige, op basis van de bewoordingen van de wetsbepalingen en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen aan de belasting zijn onderworpen.
  11. Artikel 53, 15°, WIB92 stelt de duidelijke voorwaarde dat opdat bedrijfsleiders de door hen ten laste genomen vennootschapsverliezen als beroepskost zouden kunnen aftrekken, sprake moet zijn van een onherroepelijke en onvoorwaardelijke betaling van een som die door de vennootschap volledig wordt gebruikt voor de aanzuivering van haar verliezen. Deze bepaling voldoet aan het door artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM gestelde vereiste van duidelijkheid en voorzienbaarheid van de fiscale wet. In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
  12. Artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving, maar ook tegen elke verstoring van het genot van eigendom. Een belasting of een andere heffing houdt in beginsel een inmenging in het recht op ongestoord genot van de eigendom in. De inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft tot het nagestreefde doel, dit wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. Ofschoon de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt, schendt een belasting bijgevolg dat recht, indien ze op de belastingplichtige een overdreven last doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financiële situatie.
  13. In het licht van het door artikel 53, 15°, WIB92 nagestreefde doel belastingontwijking tegen te gaan en te waarborgen dat de vennootschap over voldoende liquiditeiten beschikt, wordt aan de belastingplichtige geen onevenredige last opgelegd doordat de debitering van een door stortingen in voorgaande belastbare tijdperken opgebouwde creditstand van een rekening-courant niet als een betaling in de zin van artikel 53, 15°, WIB92 wordt beschouwd en de tenlasteneming van vennootschapsverliezen in die omstandigheden voor de bedrijfsleider niet als beroepskost aftrekbaar is. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, inzonderheid van het daarin besloten evenredigheidsbeginsel, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt het naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  14. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat de eisers tevergeefs opkomen tegen de beslissing van de appelrechters dat de tenlasteneming van vennootschapsverliezen door debitering van het in voorgaande belastingjaren opgebouwd creditsaldo van de rekening-courant door hen niet aftrekbaar is als beroepskost met toepassing van artikel 53, 15°, WIB92, welke beslissing het gevolg is van de weigering van de appelrechters om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen. Het onderdeel dat opkomt tegen de weigering van de appelrechter om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel dat enkel het verzoek inhoudt om een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen, bevat geen eigen kritiek en is bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 286,48 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 20 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251120.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231130.1N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.16 precedenten: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.