← België

D. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0754.N T. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Justine Kochuyt, advocaat bij de balie Gent, tegen

  1. B. D., burgerlijke partij,
  2. H. V., burgerlijke partij,
  3. M. N., burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wahib El Hayouni, advocaat bij de balie Gent, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 22 april
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  5. Het arrest veroordeelt de eiser tot betaling van een voorschot aan de verweerster 3, stelt een deskundige aan en stelt de zaak in voortzetting op een latere rechtszitting voor de verdere beoordeling van de burgerlijke vordering van de verweerster
  6. Dit is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, noch een beslissing in de zin van artikel 420, tweede lid, 1°, 3° of 4°, Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerster 3 is het cassatieberoep, behoudens voor wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, niet ontvankelijk. Eerste middel
  7. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 195 Wetboek van Strafvordering, zonder te preciseren hoe en waarom het arrest dat artikel schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest miskent de bewijskracht van de coördinatieovereenkomsten tussen Bouwplan bv en de verweerders door te oordelen dat er in die overeenkomsten was voorzien in een vaste, eenmalig te betalen vergoeding voor de respectieve coördinatieopdrachten van Bouwplan bv en dat in de overeenkomsten geen enkele andere vergoeding was bepaald; artikel 4 van de overeenkomsten bepaalt dat de coördinatievergoeding niet inbegrepen is in de overeengekomen totaalprijs; bijgevolg kunnen andere vergoedingen wel vervat zijn in die prijs; artikel 4 bevat nergens de woorden “eenmalig”, “vast bedrag” en “uitsluitend” en het sluit de mogelijkheid niet uit dat nog in een andere bepaling is voorzien in een bijkomend voordeel of een aanvullende vergoeding voor Bouwplan bv; andere bepalingen in de coördinatieovereenkomsten laten het aanrekenen van bijkomende commissies wel toe.
  9. Het arrest (p. 15) oordeelt onder meer: “Artikel 4 van de tussen Bouwplan BVBA en [de verweerders] respectievelijk afgesloten overeenkomsten, voorzag dat de coördinatieopdracht, voorwerp van de overeenkomst, werd vergoed door middel van een éénmalig, vooraf te betalen, vast bedrag. Wat betreft [de verweerster 3] betrof dit 23.200,00 EUR, exclusief BTW, en wat betreft [de verweerders 1 en 2] betrof dit 5.000,00 EUR, exclusief BTW. Enige andere door de voormelde [verweerders] aan Bouwplan BVBA te betalen vergoeding voor de coördinatieopdracht was in deze overeenkomsten niet voorzien. (…).”
  10. Noch uit de bewoordingen van artikel 4 van de coördinatieovereenkomsten, noch uit enige andere bepaling in die overeenkomsten volgt dat het arrest met de vermelde redenen een uitlegging van de coördinatieovereenkomsten geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest verwerpt het verweer van de eiser dat er geen sprake is van een waarheidsvermomming aangezien op de eindafrekeningen voor elk van de uitgevoerde werken de aan de bouwheren aangerekende kost werd geplaatst tegenover de begrote kost en de eindafrekeningen niet vermelden of insinueren dat de erop vermelde prijzen deze zouden zijn die Bouwplan bv zelf heeft betaald aan de aannemers; die verwerping steunt op de onjuiste premissen dat

(1)de overeenkomsten geen andere vergoeding dan de coördinatievergoeding zouden bepalen of toelaten,
(2)de afrekeningen de commissies uitdrukkelijk en afzonderlijk dienden te vermelden en
(3)in het andere geval iedere redelijke persoon mocht aannemen dat er geen enkele commissie werd aangerekend op de facturen van de aannemers; daarmee miskent het arrest de bewijskracht van de coördinatieovereenkomsten en de eindafrekeningen; waar het arrest oordeelt dat de eindafrekeningen bedoeld onder de telastleggingen A.2 en A.3 niet de listige kunstgreep bedoeld onder de telastleggingen B.1 en B.2 uitmaken, bevat het ook tegenstrijdige motieven en verantwoordt het bijgevolg de beslissing over een constitutief bestanddeel van het misdrijf oplichting niet naar recht; enerzijds worden de listige kunstgrepen immers geacht te bestaan in de schriftelijke coördinatieovereenkomsten die werden aangewend om de verweerders te overtuigen dat er slechts één vergoeding te betalen was, met name de coördinatievergoeding, terwijl er nog bijkomende verborgen commissies werden genomen op aannemingswerken; anderzijds worden de listige kunstgrepen gelinkt aan het gebruik van vervalste facturen, namelijk het doen uitbetalen van verborgen commissies terwijl enkel een vaste coördinatievergoeding zou zijn verschuldigd en tenslotte zou diezelfde vervalsing van de facturen niet de listige kunstgreep uitmaken voor oplichting.
  1. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
  2. Het arrest (p. 16) oordeelt dat Bouwplan bv niet de aannemer van de werken was, aangezien die hoedanigheid uitdrukkelijk werd uitgesloten in de coördinatieovereenkomsten. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het arrest aanneemt dat de aannemers die hebben gefactureerd onderaannemers van Bouwplan bv waren, mist het feitelijke grondslag.
  3. In zoverre het onderdeel in werkelijkheid aan het arrest niet verwijt dat het van de coördinatieovereenkomsten en de eindafrekeningen een uitlegging geeft die met de bewoordingen daarvan niet verenigbaar is, maar wel dat het een bepaald juridisch gevolg uit die stukken afleidt, houdt het geen grief in met betrekking tot de miskenning van de bewijskracht van akten. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  4. Het arrest (p. 13 en 17-19) oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, alsook onder meer als volgt: - onder de telastleggingen A.2 en A.3 worden aan de eiser en de medebeklaagde C. valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken verweten met betrekking tot rekeningstaten verstuurd aan de respectieve verweerders, doordat zij in die rekeningstaten andere bedragen hebben opgenomen dan deze die Bouwplan bv aan de verschillende aannemers heeft betaald, met het bedrieglijk oogmerk te verhullen dat Bouwplan bv commissies had aangerekend op de facturatie van deze aannemers; - onder de telastleggingen B.1 en B.2 wordt aan de betrokkenen oplichting verweten door zich gelden te hebben doen afgeven voor minstens 5.208,97 euro door de verweerders 1 en 2 en minstens 178.362,76 euro door de verweerster 3, doordat zij aan Bouwplan bv de vermelde verborgen commissies hebben doen uitbetalen, terwijl aan Bouwplan bv enkel een vaste coördinatievergoeding was verschuldigd die door de verweerders reeds was betaald; - voor wat betreft de telastlegging A.2 omschreef artikel 4 van de coördinatieovereenkomsten “de vergoeding voor de studie en de coördinatie” voor Bouwplan bv en legde dat artikel deze vergoeding vast op een specifiek vast bedrag, bepaald in functie van de totale waarde van het project. Ook de eindafrekening verstuurd aan de verweerders 1 en 2 vermeldde uitdrukkelijk en afzonderlijk de coördinatievergoeding en daarnaast de begrote prijs van de werken, de meer- of minprijs van de werken ten aanzien van de begroting en het eindtotaal, op grond waarvan iedere redelijke persoon mocht aannemen dat de aldus opgegeven details overeenstemden met de facturatie door de aannemers, hetgeen ongetwijfeld ook de bedoeling was van de beklaagden; - de eindafrekening vermeld in de telastlegging A.3 is vals om dezelfde redenen; - er is sprake van het aanwenden van listige kunstgrepen met het oog op het zich doen overhandigen van andermans gelden wanneer de verweerders, door middel van de coördinatieovereenkomsten, opzettelijk tot de overtuiging werden gebracht dat de vergoeding voor de diensten verleend door Bouwplan bv bestond in een vaste, éénmalige en vooraf te betalen vergoeding, terwijl in werkelijkheid Bouwplan bv zich door de verweerders buiten hun medeweten nog bijkomend gelden deed overhandigen door verborgen commissies aan te rekenen op de facturatie door de aannemers.
  5. Met die redenen oordeelt het arrest dat de door de eiser gebruikte listige kunstgreep voor het plegen van de telastleggingen B.1 en B.2 bestond in het sluiten van de coördinatieovereenkomsten met de verweerders, waarin hen bedrieglijk werd voorgespiegeld dat zij de door Bouwplan bv contractueel overeengekomen diensten enkel dienden te vergoeden met een welbepaalde, eenmalige coördinatievergoeding die verschuldigd was bovenop de overeengekomen bouwprijs, alsook dat de door de eiser gepleegde valsheid bepaald in de telastleggingen A.2 en A.3 bestond in de eindafrekeningen waarin de eiser voor de verweerders verborgen heeft gehouden dat Bouwplan bv hen nog commissies aanrekende bovenop de aan de aannemers betaalde werken. Aldus is de beslissing, zonder enige tegenstrijdigheid, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van akten: het arrest miskent de bewijskracht van de appelsyntheseconclusie van de eiser; het arrest beslist dat niet is aangetoond dat het nemen van commissies op de facturatie van de aannemers in de gegeven context gebruikelijk zou zijn; het oordeelt daarbij dat de eiser en de medebeklaagde C. een zekere vaagheid pogen in stand te houden met betrekking tot de aard van de door Bouwplan bv gesloten overeenkomst; een bouwcoördinatieopdracht zoals in casu is echter ook een aannemingsovereenkomst sensu lato; het arrest verwerpt eisers verweer dat zonder het nemen van commissies de opdrachtgevers winst zouden maken op de tussenkomst van Bouwplan bv en dat de eenmalige, contractueel bepaalde en vooraf te betalen vergoeding voor Bouwplan bv niet opweegt tegen de vele prestaties en meerwaarde die deze vennootschap heeft verleend; het arrest oordeelt dat dit eenzijdige stellingen zijn die niet uit de strafinformatie blijken en die ook niet aannemelijk worden gemaakt; die standpunten blijken echter wel degelijk uit de gegevens van het strafdossier en de appelsyntheseconclusie.
  7. Het onderdeel dat formeel een motiveringsgebrek en miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 8, § 1, zevende lid, Probatiewet
  8. Het beroepen vonnis veroordeelt de eiser tot een hoofdgevangenisstraf van twaalf maanden met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van vijf jaar. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis in al zijn beschikkingen in zoverre het werd bestreden, met uitzondering van de door de eerste rechter lastens de eiser bepaalde gevangenisstraf, die het terugbrengt tot zes maanden, met behoud van het door de eerste rechter bepaalde uitstel van tenuitvoerlegging voor het geheel daarvan. Aldus veroordeelt het arrest de eiser tot een hoofdgevangenisstraf van zes maanden met uitstel voor een termijn van vijf jaar. Die beslissing schendt artikel 8, § 1, zevende lid, Probatiewet. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de strafvordering ontvankelijk en veroordeelt de eiser tot straf; het arrest beantwoordt niet eisers verweer in verband met de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van zijn zaak, onder meer het verweer dat noch de eiser, noch de verweerders of de onderzoekers, bijna zes jaar na het faillissement van Bouwplan bv nog beschikken over alle facturen van aannemers inzake de werf van de verweerders; het arrest houdt met dat gegeven ook geen rekening; het houdt evenmin rekening met het verstreken tijdsverloop bij het bepalen van de strafmaat; uit het arrest blijkt evenmin dat het rekening houdt met het gegeven dat de strafprocedure pas lange tijd na de verweten feiten is aangevangen, namelijk meer dan twee jaar na de afronding van de werken in de woningen van de verweerders, terwijl in een dergelijk geval de overheid de bijzondere verplichting heeft om de zaak spoedig te behandelen.
  10. In zoverre het middel is gericht tegen de beslissing over de straftoemeting, behoeft het ingevolge de vernietiging van het arrest op het ambtshalve middel geen antwoord.
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser, met de in het middel vermelde citaten uit zijn appelsyntheseconclusie, een rechtsgevolg met betrekking tot de ontvankelijkheid van de strafvordering heeft afgeleid uit de onmogelijkheid tot voldoende bewijsgaring wegens het tijdsverloop tussen de feiten en het aanvatten van de strafvordering, de impact van die onmogelijkheid op zijn recht van verdediging of de overschrijding van de redelijke termijn. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  12. Bij afwezigheid van specifiek daarover bij conclusie gevoerd verweer dient de rechter niet uitdrukkelijk te motiveren waarom hij de strafvordering niet onontvankelijk acht wegens de duur van de periode tussen de feiten en het aanvatten van de strafvordering, het vereiste tot eerbiediging van het recht van verdediging of de overschrijding van de redelijke termijn. Het oordeel van de rechter dat de strafvordering ontvankelijk is en dat de beklaagde door het tijdsverloop niet is gehinderd in zijn mogelijkheden om zich bewijsmateriaal te verschaffen tot staving van zijn verweer, blijkt in dat geval uit de redenen op grond waarvan de rechter de bij hem aanhangig gemaakte feiten bewezen verklaart en de beklaagde aan die feiten schuldig verklaart. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
  13. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 195 Wetboek van Strafvordering, zonder te preciseren hoe en waarom het arrest dat artikel schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser in verband met de door de verweerders 1 en 2 morele gevorderde morele schadevergoeding en de bijzondere verbeurdverklaring.
  15. In zoverre het onderdeel is gericht tegen de beslissing over de verbeurdverklaring, behoeft het ingevolge de vernietiging van het arrest op het ambtshalve middel geen antwoord.
  16. Het arrest (p. 21) oordeelt: “De beklaagden [C. en de eiser] zijn hoofdelijk gehouden ten aanzien van [de verweerders 1 en 2] voor de schade voortkomend uit de tenlasteleggingen A.2 en B.
  17. Gelet op wat voorafgaat onder randnummer 2.13, moeten de verborgen commissies begroot worden op 4.493,21 EUR. Het meergevorderde is ongegrond. De onderdelen van de vordering van de voormelde [verweerders] uit hoofde van administratiekosten en morele schade zijn gegrond en kunnen worden toegekend zoals gevorderd. De interesten worden toegekend zoals hierna bepaald.” Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het in het middel aangehaalde verweer van de eiser, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving van dat verweer aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer inhoudt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest bepaalt het minimumbedrag en het maximumbedrag waarvoor het de eiser schuldig verklaart aan de telastlegging B.2 op grond van redenen die verband houden met de beoordeling van de burgerlijke vordering van de verweerster 3; die vordering berust minstens gedeeltelijk op een niet-tegensprekelijk deskundigenverslag dat de eiser heeft betwist; mede op grond van die betwisting stelt het arrest dezelfde deskundige aan met een nieuwe opdracht en veroordeelt het de eiser tot betaling van een voorschot aan de verweerster 3; minstens verantwoordt het arrest aldus de beslissing niet naar recht.
  19. Het arrest (p. 24) verklaart de telastlegging B.2 bewezen ten belope van een bedrag van minstens 35.581,03 euro en hoogstens 178.362,76 euro. Dat laatste bedrag is het bedrag vermeld in de telastlegging B.
  20. Op burgerlijk gebied oordeelt het arrest (p. 22) als volgt: “De beklaagden [C. en de eiser] zijn hoofdelijk gehouden ten aanzien van [de verweerster 3] voor de schade voortkomend uit de tenlasteleggingen A.3 en B.
  21. Het onderdeel van de vordering van [de verweerster 3] afgeleid uit het aanrekenen van de verborgen commissies als zodanig, berust op de berekening gemaakt in het deskundig verslag van deskundige [J.], aangesteld door de rechtbank van eerste aanleg Gent, afdeling Oudenaarde, bij vonnis van 23 mei 2019, in het burgerlijk geschil tussen [de verweerster 3], [M. bv], Bouwplan BVBA in faillissement ([…]), en Ontwerpbureau [G. bv]. [C. en de eiser] voeren aan dat dit deskundig verslag en de daarin vervatte berekeningen wat hen betreft niet tegensprekelijk werd gevoerd. Op cijfermatig vlak voert [de eiser] ondergeschikt aan dat het aldus door de voormelde deskundige berekende bedrag moet worden teruggebracht tot 35.581,03 EUR. De beklaagde [C.] heeft zich bij conclusie aangesloten bij voormeld cijfermatig middel van [de eiser]. Het komt in het licht van wat voorafgaat gepast voor om de beklaagden [C. en de eiser] hoofdelijk te veroordelen tot de betaling van een provisie van 35.000,00 EUR aan [de verweerster 3], en voormelde deskundige aan te stellen met de hierna bepaalde bijkomende opdracht.”
  22. Met die redenen stelt het arrest niet vast dat de bepaling van het minimum- en maximumbedrag, waarvoor het de eiser schuldig verklaart aan de telastlegging B.2, berust op het aangehaalde verslag van deskundige J. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  23. Voor het overige is het onderdeel gericht tegen een beslissing waartegen het cassatieberoep niet ontvankelijk is en behoeft het geen antwoord. Omvang van de cassatie
  24. De onwettigheid van de maatregel om uitstel van tenuitvoerlegging voor de hoofdgevangenisstraf te verlenen, leidt tot de vernietiging van die straf, de geldboete, het bestuurdersverbod en de veroordeling tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Het laat de overige beslissingen van het arrest onverlet. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot straffen en tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot drie vierden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 817,88 euro, waarvan 363,39 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.