id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr.
7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr.
7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr.
7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Protocol nr.
7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0935.N
- D. D.C., beklaagde,
- D., beklaagde, eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 mei
- De eisers voeren in een gezamenlijke memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres
- Het arrest spreekt de eiseres vrij van de telastlegging A. In zoverre haar cassatieberoep ook gericht is tegen die beslissing, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 7 EVRM, artikel 4 Zevende Aanvullende Protocol EVRM en artikel 14.7 IVBPR, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: het arrest oordeelt ten onrechte dat de aan de eisers bij definitieve beslissing opgelegde bestuurlijke maatregel onder verbeurte van een dwangsom geen straf is voor de misdrijven waaraan het hen schuldig verklaart, maar louter een maatregel om verdere schade aan het leefmilieu te voorkomen die op eenvoudige wijze door de eisers kon worden vermeden; het houdt daarbij geen rekening met de onmogelijke keuze waarvoor de eisers desbetreffend stonden en met het feit dat de reeds betaalde dwangsommen ten bedrage van 132.000,00 euro enkel nog een zuiver punitief karakter bezaten.
- Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.
- Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat.
- Het algemene rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte.
- Uit die bepalingen en dat algemeen rechtsbeginsel volgt dat in de regel een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak.
- Een vervolging in de zin van die bepalingen wordt als strafrechtelijk omschreven wanneer ze volgens het intern recht aan een strafrechtelijke omschrijving beantwoordt, wanneer het misdrijf, naargelang zijn aard, geldt voor alle burgers of wanneer de bestraffing van het misdrijf, naargelang de aard en de ernst ervan, een repressief dan wel een preventief oogmerk heeft, zonder dat vereist is dat de veroordeling of de vrijspraak die een einde maakt aan die strafvervolging, door een strafrechter wordt uitgesproken.
- Het komt de strafrechter toe op grond van zijn feitelijke vaststellingen te oordelen of de eerdere vervolging een strafrechtelijk karakter heeft.
- Het arrest (p. 11 en 12) oordeelt als volgt: - uit de aard en de duur van de bestuurlijke maatregel onder dwangsom blijkt dat de bedoelde maatregel niet tot doel heeft om wegens repressieve redenen leed op te leggen aan de eiseres omwille van de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde telastleggingen, maar wel om haar ertoe aan te zetten in de toekomst normconform te handelen met het oog op de bescherming van het (leef-) milieubelang, waaronder de bescherming van de kwaliteit en van de kwantiteit van het grondwater (besluit houdende bestuurlijke maatregelen met dwangsom kenmerk V/5310/202300987 van 14 mei 2023); - het betalen van de bestuurlijke dwangsom kon dan ook op zeer eenvoudige wijze vermeden worden door de eiseres door tijdig te voldoen aan de opgelegde maatregelen; - acht maanden na het opleggen van de bestuurlijke maatregelen onder verbeurte van een bestuurlijke dwangsom op 14 mei 2023, werd op 11 januari 2024, op 18 januari 2024 en op 30 januari 2024 vastgesteld dat de eisers de bestuurlijke maatregelen (nog steeds) niet naleefden, waarna met de ‘akte van vaststelling van invordering bestuurlijke dwangsom’ (kenmerk V/5130/202400609) van 22 mei 2024 werd overgegaan tot het beginnen innen van de dwangsommen. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat de bestuurlijke maatregel onder verbeurte van een dwangsom geen strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 14.7 IVBPR en artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, maar louter een maatregel is om verdere schade aan het leefmilieu te voorkomen. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 43 en 43bis Strafwetboek, de artikelen 5.2.1, § 3, § 4 en § 6, eerste lid, en 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM en de artikelen 5, 1°, c) en 6, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning: het arrest oordeelt dat het beroepen vonnis terecht een bedrag van 21.000,00 euro bij equivalent verbeurd heeft verklaard ten laste van de eiseres, zijnde het bedrag dat door haar werd verkregen of uitgespaard door illegaal grondwater op te pompen en dat, zoals ook het bestreden vonnis oordeelt, de berekening van dit illegaal verkregen vermogensvoordeel redelijk is met verwijzing naar het proces-verbaal HV64.H1.0083/2022 en dat dit kan worden gevolgd; de eiseres betwistte die berekeningswijze, met verwijzing naar het proces-verbaal HV64.H1.0083/2022; met de enige aanduiding dat de berekening van het illegaal voordeel van het opgepompte grondwater van 10.500 m³ redelijk is en kan worden gevolgd, antwoordt het arrest niet op de door de eiseres aangehaalde precieze berekeningswijze die de toezichthouders zelf hadden uitgewerkt in het proces-verbaal HV64.H1.0083/2022 door de door hen berekende hoeveelheid van 10.500 m³ gedeeltelijk slechts aan te rekenen aan 1,00 euro in plaats van 2,00 euro.
- Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen als bedoeld door artikel 42, 3°, Strafwetboek of de geldwaarde ervan als bedoeld door artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek exact vast te stellen, mag de rechter dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Die bepaling mag evenwel niet willekeurig zijn. De rechter dient ook voor een ex aequo et bono-bepaling die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen, die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van de vermogensvoordelen of een raming van de geldwaarde ervan toelaten.
- In haar appelconclusie heeft de eiseres aangevoerd dat de begroting van het vermeende vermogensvoordeel kennelijk onredelijk is en slechts met de natte vinger werd bepaald en dat geen rekening werd gehouden met alle relevante gegevens. Tot staving van dit verweer neemt de appelconclusie de inhoud van het proces-verbaal HV64.H1.0083/2022 over, zonder verder te preciseren of de in dit proces-verbaal gemaakte opsplitsing van de hoeveelheid opgepompt grondwater te berekenen aan 1,00 euro per m³ en aan 2,00 euro per m³ als redelijk of niet redelijk moet worden beschouwd.
- Met de in het middel aangehaalde redenen en door verwijzing naar en overname van de gegevens van het vermelde proces-verbaal beantwoordt het arrest het bedoelde verweer en verantwoordt het naar recht de beslissing over de verbeurdverklaring bij equivalent. Bij gebreke van daarover gevoerd verweer moet het arrest niet nader preciseren waarom de bedoelde opsplitsing als redelijk moet worden beoordeeld. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div