← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.3 Rolnummer: P.25.0594.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2025-12-05 Raadplegingen: 523 - laatst gezien 2026-06-18 13:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Eensdeels vereist artikel 29, § 2, eerste zin, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat de beslissing waarbij een rechtscollege weigert een prejudiciële vraag te stellen de redenen van de weigering moet aangeven, niet dat het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor voorziening in cassatie, zijn beslissing op grond van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof omstandig onderbouwt, en anderdeels mag het rechtscollege zijn weigeringsbeslissing ook niet zodanig motiveren dat het zich in de plaats van het Grondwettelijk Hof stelt

(1).
(1)Zie Cass. 14 januari 2025, AR P.24.0918.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1; Cass. 21 december 2021, AR P.21.1141.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.
  1. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 29, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 29, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 29, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiches 4 - 12 Gezien het gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 Grondwet en door artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR, kan het Hof overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of de artikelen 37/1, § 1, derde lid, en 38, § 6, Wegverkeerswet, door de in die bepalingen verplichte sanctionering van een voor een verkeersovertreding veroordeelde beklaagde te laten afhangen van het al dan niet voldoen aan de in artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet omschreven drempel of aan de in artikel 38, § 6, Wegverkeerswet bepaalde voorwaarden, de artikelen 10 en 11 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 37 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 26 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 26 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 26 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 26 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 26 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 26 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 26 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 14 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 26 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 14 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 26 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 4, tweede lid, 2° - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 13 - 22 Het behoort in de regel tot de beleidsvrijheid van de wetgever om, in het belang van de verkeersveiligheid, de feiten te bepalen die niet enkel strafbaar zijn, maar ook het opleggen van veiligheidsmaatregelen door de rechter vereisen en daartoe behoort het bepalen van minimumdrempels of het bepalen van voorwaarden die, wanneer zij worden overschreden of wanneer er aan is voldaan, het opleggen van die veiligheidsmaatregelen verplicht maken; het enkele feit dat de wetgever feiten waarvan hij oordeelt dat zij op een bijzonder zwaarwichtige wijze de verkeersveiligheid in het gedrang brengen, afzondert van andere feiten die eveneens de verkeersveiligheid in het gedrang brengen en dat de wetgever enkel met betrekking tot de aldus afgezonderde feiten de rechter ertoe verplicht om bepaalde veiligheidsmaatregelen op te leggen, houdt als dusdanig geen miskenning in van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, al dan niet in samenhang met verdragsrechtelijke bepalingen zoals de artikelen 3 en 6.1 EVRM of andere beginselen zoals het redelijkheidsbeginsel of het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechter. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 37 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 23 - 27 Personen die strafbare feiten plegen en daarmee voldoen aan de voorwaarden van zwaarwichtigheid zoals omschreven in artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet op grond waarvan de wet op een duidelijke en voorzienbare wijze de rechter verplicht hen een bepaalde straf of veiligheidsmaatregel op te leggen, behoren niet tot een categorie van personen die zich in een vergelijkbare rechtstoestand bevindt met een categorie van personen die, ook al plegen zij gelijkaardige feiten, niet voldoen aan de vermelde voorwaarden. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 37 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, derde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 28 - 33 Personen die strafbare feiten plegen en daarmee op een duidelijke en voorzienbare wijze voldoen aan de voorwaarden van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet, behoren niet tot een categorie van personen die zich in een vergelijkbare rechtstoestand bevindt met een categorie van personen die feiten plegen die de verkeersveiligheid weliswaar eveneens in het gedrang brengen en die zijn bedoeld in artikel 29, § 1, Wegverkeerswet, maar die niet voldoen aan de specifieke voorwaarden van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 29 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38, § 6 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0594.N M. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 21 maart
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 26, § 1 en § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: met de redenen waarmee het bestreden vonnis weigert de door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen, doen de appelrechters zelf uitspraak over de vragen die voor hen werden opgeworpen en die zij op grond van artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof aan dit Hof moesten stellen; in de mate de appelrechters het als hun mening te kennen geven dat het “overbodig” was de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen, waren zij op grond van artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof minstens ertoe gehouden te onderzoeken of het geschil kon worden beslecht op een andere juridische grondslag dan diegene die onderliggend was aan de prejudiciële vragen; door dit onderzoek achterwege te laten en na te laten de redenen aan te geven waarom het antwoord op de voorgestelde vragen naar het oordeel van de appelrechters niet onontbeerlijk was om uitspraak te doen, schendt het bestreden vonnis deze wetsbepaling; minstens maakt het bestreden vonnis het wettigheidstoezicht van het Hof onmogelijk.
  4. Overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof doet het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II “De Belgen en hun rechten” en de artikelen 170, 172 en 191 Grondwet. Op grond van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof is het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor voorziening in cassatie niet gehouden een opgeworpen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen wanneer de bekritiseerde wetskrachtige norm een regel of een artikel van de Grondwet, bedoeld in paragraaf 1 van dat artikel, klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.
  5. Artikel 29, § 2, eerste zin, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof bepaalt dat de beslissing waarbij een rechtscollege weigert een prejudiciële vraag te stellen, de redenen van de weigering moet aangeven. Eensdeels vereist die bepaling niet dat het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor voorziening in cassatie, zijn beslissing op grond van artikel 26, § 2, derde lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof omstandig onderbouwt. Anderdeels mag het rechtscollege zijn weigeringsbeslissing ook niet zodanig motiveren dat het zich in de plaats van het Grondwettelijk Hof stelt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser de appelrechters heeft verzocht de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof: 1) Schendt artikel 38, § 6, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met de artikelen 3 en 6.1 EVRM en met de algemene rechtsbeginselen zoals het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de personalisering van niet-privaatrechtelijke straffen of maatregelen, in zoverre de rechter het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moet maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken, zonder de mogelijkheid om hiervan af te wijken mits uitdrukkelijke motivering van de rechter? 2) Schendt artikel 38, § 6, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met de artikelen 40 en 151 Grondwet en met het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, in zoverre de rechter het herstel van het recht tot sturen moet afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken, zonder de mogelijkheid om hiervan af te wijken mits uitdrukkelijke motivering van de rechter? 3) Schendt artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met de artikelen 3 en 6.1 EVRM en met de algemene rechtsbeginselen zoals het redelijkheidsbeginstel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de personalisering van niet-privaatrechtelijke straffen of maatregelen, in zoverre de rechter een alcoholslot dient uit te spreken, zonder mogelijkheid om hiervan af te wijken mits uitdrukkelijke motivering? 4) Schendt artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met de artikelen 40 en 151 Grondwet en met het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, in zoverre de rechter een alcoholslot dient uit te spreken, zonder mogelijkheid om hiervan af te wijken mits uitdrukkelijke motivering?
  7. De aldus aan de appelrechters voorgestelde vragen voerden schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, maar zonder te preciseren hoe en waarom de bekritiseerde bepalingen verschillende categorieën van personen die zich in een vergelijkbare rechtstoestand bevinden ongelijk behandelen of personen die zich in verschillende rechtstoestanden bevinden gelijk behandelen. Bijgevolg dienden de appelrechters de op die grondslag opgeworpen prejudiciële vragen niet te stellen, ongeacht de aangevoerde samenhang met de overige als geschonden dan wel als miskend aangevoerde verdragsbepalingen, grondwetsbepalingen en beginselen.
  8. De appelrechters, die op grond van die redenen niet ertoe gehouden waren de voor hen opgeworpen prejudiciële vragen te stellen, dienden voor hun weigering ook geen redenen op te geven zoals bepaald in artikel 29, § 2, eerste zin, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, noch dienden zij onderzoek te doen naar alternatieve rechtsgronden om het geschil op te lossen.
  9. Het bestreden vonnis oordeelt dat de voorgestelde vragen overbodig zijn, onder meer op grond van de beoordelingsvrijheid van de wetgever inzake de verkeersveiligheid, het feit dat de eiser niet aantoont in welke zin de door hem aangevoerde bepalingen zouden zijn geschonden en het feit dat de rechter beschikt over een resterende appreciatiemarge voor wat betreft de op te leggen straffen. Met die redenen, die de beslissing dragen, voldoen de appelrechters, ongeacht de door hen gebruikte bewoordingen, aan hun motiveringsplicht bepaald in artikel 29, § 2, eerste zin, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof zonder de voor hen opgeworpen vragen te beantwoorden in de plaats van het Grondwettelijk Hof en zonder blijk te geven van een onjuiste uitlegging van de voorgestelde vragen of van een onjuiste rechtsopvatting. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  10. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen die de beslissing niet schragen en die de voormelde redenen op grond waarvan de appelrechters weigeren de voorgestelde vragen te stellen, onverlet laten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: het bestreden vonnis beperkt de motivering van de weigering om de prejudiciële vragen te stellen tot de vaststelling dat het Grondwettelijk Hof reeds menigmaal uitspraak heeft gedaan over de artikelen 37/1, § 1 en 38, § 6, Wegverkeerswet en menigmaal heeft geoordeeld dat deze artikelen de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 6.1 EVRM niet schenden; het bestreden vonnis laat na aan te geven waarom de twee arresten die het vermeldt relevant zouden zijn om de weigering tot het stellen van prejudiciële vragen te verantwoorden en meer bepaald te onderbouwen welke onderwerpen in de beide arresten aan bod kwamen, aan welke grondwetsbepalingen er diende te worden getoetst en vooral in welk opzicht het ging om een identiek onderwerp als datgene dat het voorwerp uitmaakte van de door eiser voorgestelde prejudiciële vragen; aldus is het bestreden vonnis niet gemotiveerd overeenkomstig artikel 29, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en laat het aan het Hof niet toe uit te maken of de in het bestreden vonnis weergegeven arresten inderdaad een identiek onderwerp hadden als de door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen, waardoor het Hof zijn wettigheidstoezicht niet kan uitoefenen; in die omstandigheden is de weigering tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vragen arbitrair, waardoor het bestreden vonnis eveneens artikel 6 EVRM schendt.
  12. Uit de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel blijkt dat het bestreden vonnis de motivering van de weigering om de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen niet beperkt tot de vaststelling dat het Grondwettelijk Hof reeds menigmaal uitspraak heeft gedaan over de artikelen 37/1, § 1 en 38, § 6, Wegverkeerswet en menigmaal heeft geoordeeld dat deze artikelen de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 6.1 EVRM niet schenden. Het middel berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 6.1 EVRM en de artikelen 10 en 11 Grondwet, zowel afzonderlijk beschouwd als gelezen in samenhang met de artikelen 3 en 6.1 EVRM, met het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van personalisering van niet-privaatrechtelijke straffen of maatregelen, het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en met de artikelen 40 en 151 Grondwet, alsook van artikel 149 Grondwet, de artikelen 26, § 1 en § 2 en 29, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis schendt artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof door te oordelen dat de door eiser opgeworpen prejudiciële vragen niet moesten worden gesteld omdat het Grondwettelijk Hof reeds oordeelde dat artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 6.1 EVRM niet schendt, terwijl het arrest nr. 148/2024 van het Grondwettelijk Hof van 4 december 2024, waarnaar het bestreden vonnis verwijst, geen uitspraak doet over artikel 6.1 EVRM, noch over de schending door artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet van de artikelen 10 en 11 Grondwet, zowel afzonderlijk beschouwd als gelezen in samenhang met de hiervoor vermelde artikelen en beginselen; artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet schendt de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met de vermelde bepalingen en beginselen, waar het de rechter ertoe verplicht om de geldigheid van het rijbewijs te beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot ten aanzien van personen die de in artikel 37/1, § 1, derde lid, vastgelegde niveaus van alcoholconcentratie behalen, terwijl die verplichting niet geldt ten aanzien van personen die deze niveaus niet behalen; het verschil tussen beide categorieën personen is niet redelijk verantwoord; het Grondwettelijk Hof heeft zich daarover nog niet uitgesproken. Het middel verzoekt om voor zover als nodig de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “- Schendt artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met de artikelen 3 en 6.1 EVRM en met de algemene rechtsbeginselen zoals het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van personalisering van niet-privaatrechtelijke straffen of maatregelen, in zoverre de rechter een alcoholslot dient uit te spreken, zonder mogelijkheid om hiervan af te wijken mits uitdrukkelijke motivering van de rechter, indien hij veroordeelt wegens een overtreding, zoals deze wetsbepaling voorschrijft, van artikel 36 Wegverkeerswet, indien het gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 Wegverkeerswet, indien de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, terwijl deze verplichting niet geldt ten overstaan van personen die eveneens worden veroordeeld wegens overtreding van artikel 36 Wegverkeerswet en het eveneens gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2, Wegverkeerswet?” “- Schendt artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet in samenhang met de artikelen 40 en 151 Grondwet en met het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, in zoverre de rechter een alcoholslot moet uitspreken, zonder de mogelijkheid om hiervan af te wijken mits uitdrukkelijke motivering van de rechter, indien hij veroordeelt wegens een overtreding, zoals deze wetsbepaling voorschrijft, van artikel 36 Wegverkeerswet, indien het gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 Wegverkeerswet, indien de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, terwijl deze verplichting niet geldt ten overstaan van personen die eveneens worden veroordeeld wegens overtreding van artikel 36 Wegverkeerswet en het eveneens gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 Wegverkeerswet?”
  14. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste en het tweede middel, kan het om de redenen vermeld in het antwoord op die middelen niet worden aangenomen.
  15. De door het middel aangevoerde discriminatie die ten grondslag ligt aan de voor het Hof opgeworpen prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof bestaat in essentie erin dat artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet de rechter die een beklaagde veroordeelt wegens recidiverende ernstige alcoholintoxicatie achter het stuur, enkel verplicht om, zonder mogelijkheid tot zo nodig gemotiveerde afwijking, de geldigheid van het rijbewijs van de betrokkene te beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot vanaf een bepaalde drempel, namelijk van zodra de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, terwijl onder de vermelde drempel die verplichting niet zonder meer geldt omdat de rechter in dat geval wel zo nodig gemotiveerd kan afwijken van de verplichting tot het beperken van de geldigheid van het rijbewijs van de betrokkene tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot.
  16. Het gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel is op geheel of gedeeltelijk analoge wijze gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 Grondwet en door artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Aldus kan het Hof overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of artikel 37/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet, door de in die bepaling verplichte sanctionering van een voor een verkeersovertreding veroordeelde beklaagde te laten afhangen van het al dan niet voldoen aan de in die bepaling omschreven drempel, de artikelen 10 en 11 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt.
  17. Eensdeels behoort het in de regel tot de beleidsvrijheid van de wetgever om, in het belang van de verkeersveiligheid, de feiten te bepalen die niet enkel strafbaar zijn, maar ook het opleggen van veiligheidsmaatregelen door de rechter vereisen. Daartoe behoort het bepalen van minimumdrempels die, wanneer zij worden overschreden, het opleggen van die veiligheidsmaatregelen verplicht maken. Het enkele feit dat de wetgever feiten waarvan hij oordeelt dat zij op een bijzonder zwaarwichtige wijze de verkeersveiligheid in het gedrang brengen, afzondert van andere feiten die eveneens de verkeersveiligheid in het gedrang brengen en dat de wetgever enkel met betrekking tot de aldus afgezonderde feiten de rechter ertoe verplicht om bepaalde veiligheidsmaatregelen op te leggen, houdt als dusdanig geen miskenning in van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, al dan niet in samenhang met verdragsrechtelijke bepalingen zoals de artikelen 3 en 6.1 EVRM of andere beginselen zoals het redelijkheidsbeginsel of het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechter.
  18. Anderdeels behoren personen die strafbare feiten plegen en daarmee voldoen aan de voorwaarden van zwaarwichtigheid op grond waarvan de wet op een duidelijke en voorzienbare wijze de rechter verplicht hen een bepaalde straf of veiligheidsmaatregel op te leggen, niet tot een categorie van personen die zich in een vergelijkbare rechtstoestand bevindt met een categorie van personen die, ook al plegen zij gelijkaardige feiten, niet voldoen aan de vermelde voorwaarden.
  19. De voorgestelde prejudiciële vragen worden niet gesteld. Vierde middel
  20. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 6.1 EVRM en de artikelen 10 en 11 Grondwet, zowel afzonderlijk beschouwd als gelezen in samenhang met de artikelen 3 en 6.1 EVRM, met het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van personalisering van niet-privaatrechtelijke straffen of maatregelen, het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de artikelen 40 en 151 Grondwet, alsook van artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof en artikel 38, § 6, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis schendt artikel 26, § 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof door te oordelen dat de door de eiser opgeworpen prejudiciële vragen niet moesten worden gesteld omdat het Grondwettelijk Hof reeds oordeelde dat artikel 38, § 6, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 6.1 EVRM niet schendt, terwijl het arrest nr. 27/2023 van het Grondwettelijk Hof van 16 februari 2023, waarnaar het bestreden vonnis verwijst, niet besliste over de verenigbaarheid van de verplichting tot het slagen voor examens en onderzoeken om hersteld te worden in het recht tot sturen met artikel 3 EVRM, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van personalisering van niet-privaatrechtelijke straffen of maatregelen, het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de artikelen 40 en 151 Grondwet; artikel 38, § 6, Wegverkeerswet schendt de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met de hiervoor vermelde bepalingen en beginselen, waar het de rechter ertoe verplicht om, indien voldaan is aan de in artikel 38, § 6, Wegverkeerswet bepaalde voorwaarden, het herstel van het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken, terwijl deze verplichting niet geldt voor personen die zich op dezelfde wijze herhaaldelijk schuldig maken aan verkeersovertredingen die eveneens de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen en die een overtreding van de derde graad zoals bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet uitmaken; het Grondwettelijk Hof heeft zich daarover nog niet uitgesproken. Het middel verzoekt om voor zover als nodig de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “- Schendt artikel 38, § 6, Wegverkeerwet de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met de artikelen 3 en 6.1 EVRM en in samenhang gelezen met de algemene rechtsbeginselen zoals het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van personalisering van niet- "het recht tot sturen afhankelijk moet maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken, zonder mogelijkheid te om hiervan af te wijken mits uitdrukkelijke motivering van de rechter, indien hij veroordeelt wegens een overtreding van één van de bepalingen waarop die bepaling betrekking heeft, die met een voertuig dat voor vervallenverklaring in aanmerking komt werd gepleegd binnen de drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis wegens een overtreding van één van de bedoelde bepalingen, dat in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl deze verplichting niet geldt ten overstaan van personen die zich op dezelfde wijze herhaaldelijk schuldig maken aan verkeersovertredingen die eveneens de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen en die werden gekwalificeerd als een overtreding van de derde graad zoals bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet?” “- Schendt artikel 38, § 6, Wegverkeerswet de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met de artikelen 40 en 151 Grondwet en het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, in zoverre de rechter het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moet maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken, zonder de mogelijkheid om hiervan af te wijken mits uitdrukkelijke motivering van de rechter, indien hij veroordeelt wegens een overtreding van één van de bepalingen waarop die bepaling betrekking heeft, die met een voertuig dat voor vervallenverklaring in aanmerking komt werd gepleegd binnen de drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis wegens een overtreding van één van de bedoelde bepalingen, dat in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl deze verplichting niet geldt ten overstaan van personen die zich op dezelfde wijze herhaaldelijk schuldig maken aan verkeersovertredingen die eveneens de veiligheid van personen rechtstreeks in gevaar brengen en die werden gekwalificeerd als een overtreding van de derde graad zoals bedoeld in artikel 29, § 1, tweede lid, Wegverkeerswet?”
  21. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste en het tweede middel, kan het om de redenen vermeld in het antwoord op die middelen niet worden aangenomen.
  22. De door het middel aangevoerde discriminatie die ten grondslag ligt aan de voor het Hof opgeworpen prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof heeft betrekking op de verplichting van de rechter om, in de gevallen van recidive zoals bepaald in artikel 38, § 6, Wegverkeerswet, het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste een bepaalde periode uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk te maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, Wegverkeerswet.
  23. Het gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel is op geheel of gedeeltelijk analoge wijze gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 Grondwet en door artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR. Aldus kan het Hof overeenkomstig artikel 26, § 4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof onderzoeken of artikel 38, § 6, Wegverkeerswet, door de in die bepaling verplichte sanctionering van een voor een verkeersovertreding veroordeelde beklaagde te laten afhangen van het al dan niet voldoen aan de in die bepaling bepaalde voorwaarden, de artikelen 10 en 11 Grondwet klaarblijkelijk niet schendt.
  24. Eensdeels behoort het in de regel tot de beleidsvrijheid van de wetgever om, in het belang van de verkeersveiligheid, de feiten te bepalen die niet enkel strafbaar zijn, maar ook het opleggen van veiligheidsmaatregelen door de rechter vereisen. Daartoe behoort het bepalen van voorwaarden die, wanneer eraan is voldaan, het opleggen van die veiligheidsmaatregelen verplicht maken. Het enkele feit dat de wetgever feiten waarvan hij oordeelt dat zij op een bijzonder zwaarwichtige wijze de verkeersveiligheid in het gedrang brengen, afzondert van andere feiten die eveneens de verkeersveiligheid in het gedrang brengen en dat de wetgever enkel met betrekking tot de aldus afgezonderde feiten de rechter ertoe verplicht om bepaalde veiligheidsmaatregelen op te leggen, houdt als dusdanig geen miskenning in van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, al dan niet in samenhang met verdragsrechtelijke bepalingen zoals de artikelen 3 en 6.1 EVRM of andere beginselen zoals het redelijkheidsbeginsel of het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechter.
  25. Anderdeels behoren personen die strafbare feiten plegen en daarmee op een duidelijke en voorzienbare wijze voldoen aan de voorwaarden van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet, niet tot een categorie van personen die zich in een vergelijkbare rechtstoestand bevindt met een categorie van personen die feiten plegen die de verkeersveiligheid weliswaar eveneens in het gedrang brengen en die zijn bedoeld in artikel 29, § 1, Wegverkeerswet, maar die niet voldoen aan de specifieke voorwaarden van artikel 38, § 6, Wegverkeerswet.
  26. De voorgestelde prejudiciële vragen worden niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten van zijn cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211214.2N.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.