id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 13 mei 1955 houdende goedkeuring van het EVRM, ondertekend op 4 november 1950, te Rome, en van het Additioneel Protocol bij dit Verdrag, ondertekend op 20 maart 1952, te Parijs - 13-05-1955 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1955051306 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 5 - 7 Bij afwezigheid van specifiek daarover bij conclusie gevoerd verweer, dient de rechter niet uitdrukkelijk vast te stellen dat een plaatsbetreding als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid, Wet Politieambt is uitgevoerd met eerbiediging van de vereisten van controleerbaarheid, legaliteit, proportionaliteit en legitimiteit; die vaststelling kan alsdan blijken uit enig welke reden van de beslissing in verband met de regelmatigheid van die maatregel. Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 8 - 12 Onder de bescherming van artikel 8.1 EVRM en de artikelen 15 en 22 Grondwet vallen ook bedrijfsruimten, maar enkel in zoverre de daar ontwikkelde activiteiten een privékarakter vertonen of er vertrouwelijke briefwisseling wordt bewaard; de loutere mogelijkheid dat die omstandigheden zich kunnen voordoen in een voor het publiek toegankelijke plaats, zoals in een winkel tijdens de openingsuren, impliceert echter niet dat die plaats onder de vermelde bepalingen valt
(1).
(1)Zie Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0671.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.3, AC 2020, nr. 8; Cass. 8 april 2014, AR P.13.0080.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140408.1, AC 2014, nr. 275; Cass. 30 november 2004, AR P.04.0823.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041130.8, AC 2004, nr. 577. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: HANDELSZAAK Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 5 augustus 1992
Art. 26- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.
1 TOT 99) - Artikel 15 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiche 13 Onder de bescherming van artikel 8.1 EVRM en de artikelen 15 en 22 Grondwet vallen ook bedrijfsruimten, maar enkel in zoverre de daar ontwikkelde activiteiten een privékarakter vertonen of er vertrouwelijke briefwisseling wordt bewaard; de loutere mogelijkheid dat die omstandigheden zich kunnen voordoen in een voor het publiek toegankelijke plaats, zoals in een winkel tijdens de openingsuren, impliceert echter niet dat die plaats onder de vermelde bepalingen valt
(1).
(1)Zie Cass. 7 januari 2020, AR P.19.071.N, AC 2020, nr. 8; Cass. 8 april 2014, AR P.13.0080.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140408.1, AC 2014, nr. 275; Cass. 30 november 2004, AR P.04.0823.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041130.8, AC 2004, nr. 577. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 22 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 14 - 17 Noch artikel 63 Btw-wetboek noch artikel 319 WIB92 ontneemt aan politieambtenaren de bevoegdheid om in die wetboeken omschreven misdrijven op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen en zaken in beslag te nemen die met die misdrijven verband houden, zoals bepaald in artikel 15 Wet Politieambt en de politieambtenaren kunnen daarbij gebruik maken van de maatregelen bepaald in de Wet Politieambt, waaronder deze bepaald in artikel 26 van die wet. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 15
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 319 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 15
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 319 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 15
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 319 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 15
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 319 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiches 18 - 19 Artikel 26, eerste en tweede lid, Wet Politieambt vereist niet dat de politieambtenaren die op grond van die bepalingen overgaan tot het betreden van een publiek toegankelijke plaats, beschikken over een opdracht daartoe vanwege het openbaar ministerie of de onderzoeksrechter, noch dat zij de voorafgaande toestemming verkrijgen van een persoon bij wie de plaatsbetreding wordt uitgevoerd; dat het plaatsbezoek een gerechtelijke finaliteit heeft, in die zin dat het ertoe strekt het bestaan van een misdrijf vast te stellen, doet daaraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 20 - 21 Uit de enkele omstandigheid dat meerdere politieambtenaren, dan wel meer politieambtenaren dan volgens een beklaagde vereist, deelnemen aan een plaatsbetreding of dat die politieambtenaren behoren tot een welbepaalde politiedienst, kan niet worden afgeleid dat er ten aanzien van degene bij wie de plaatsbetreding wordt uitgevoerd ongeoorloofde fysieke of psychische dwang wordt uitgeoefend om vrijwillig af te zien van zijn grondrechten en bewijzen ter beschikking van de politieambtenaren te stellen; die omstandigheid vereist evenmin een bijzondere verantwoording of motivering vanwege die politieambtenaren of vanwege de rechter die de regelmatigheid van hun optreden beoordeelt. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 26
- 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 22 - 24 De rechter oordeelt op grond van de concreet voorliggende gegevens onaantastbaar of de politieambtenaren die een plaats betreden op grond van artikel 26, eerste en tweede lid, Wet Politieambt, de in die bepalingen voorgeschreven vereisten, alsook de vereisten die gelden voor elk politioneel optreden, hebben nageleefd en of zij door hun optreden al dan niet het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op eigendom van de persoon bij wie het plaatsbezoek wordt uitgevoerd, hebben miskend; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: POLITIE Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 5 augustus 1992
Art. 26
, eerste en tweede lid - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 25 - 26 De verplichting voor de rechter om de bewijskracht van akten te eerbiedigen houdt niet in dat hij een stuk waarnaar hij verwijst, in zijn geheel moet aanhalen; die verplichting belet de rechter integendeel niet om zijn beslissing over een voor hem aangevoerde betwisting te steunen op een welbepaald gegeven dat hij put uit een stuk dat meerdere gegevens vermeldt. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijskracht Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.17 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.18 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.17 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.18 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0713.N M. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 9 januari 2025 (hierna tussenarrest) en 24 april 2025 (hierna eindarrest). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.2 en 8 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 15, 22 en 149 Grondwet, artikel 26, eerste en tweede lid, Wet Politieambt, artikel 63 Btw-wetboek en artikel 319 WIB92, almede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van loyaliteit bij de bewijsvoering in strafzaken, van het recht van verdediging en van de motivering van gerechtelijke uitspraken dat uit de ingeroepen rechtsnormen voortvloeit: het tussenarrest verwerpt ten onrechte de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering; artikel 26 Wet Politieambt heeft enkel betrekking op onderzoeksactiviteiten met betrekking tot feitelijke elementen die voorafgaandelijk werden vastgesteld; het betreden van een woning in de zin van artikel 8 EVRM en artikel 15 Grondwet, waaronder ook een publieke plaats zoals de winkel van de eiser valt, moet met het oog op de eerbiediging van die artikelen, alsook van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, op een controleerbare wijze voldoen aan de vereisten van legaliteit, proportionaliteit en legitimiteit; het tussenarrest beoordeelt die vereisten niet; de afstapping van zeven leden van de dienst Drugs van de lokale recherche in de bescheiden winkel van de eiser, met enkel het oog op mogelijke btw-inbreuken en fiscale fraude, vereiste een duidelijk controleerbaar gerechtelijk mandaat en een verklaring ter verantwoording van de massale betreding en de onbeperkte controle in de winkel; het gaat in werkelijkheid om een vermomd proactief onderzoek waarbij de waarborgen van artikel 63 Btw-wetboek en artikel 319 WIB92 worden ontdoken; de massale politieaanwezigheid had tot doel de eiser te intimideren en hem te dwingen akkoord te gaan met de afstand van zijn rechtsbescherming; dit geeft blijk van fysiek en psychisch geweld en van partijdigheid van de verbalisanten; aan de eiser werd voorafgaandelijk geen toelating gevraagd om zijn winkel te betreden.
- Artikel 149 Grondwet, dat een formele verplichting inhoudt, vereist niet dat de rechter aan een door een partij als geschonden aangevoerde wetsbepaling een inhoudelijk juiste draagwijdte geeft. Evenmin bestaat er voor wat betreft de motiveringsverplichting van de rechter een algemeen rechtsbeginsel met die strekking. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het tussenarrest stelt niet vast dat: - de optredende politieambtenaren in de winkel van de eiser een onbeperkte controle hebben uitgevoerd; - aan het betreden van de winkel geen vaststellingen zijn voorafgegaan die verband houden met het plegen van een misdrijf; - in de winkel activiteiten werden uitgeoefend die tot de privésfeer behoren. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het tussenarrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Artikel 26 Wet Politieambt bepaalt: “De politieambtenaren kunnen steeds de voor het publiek toegankelijke plaatsen alsook de verlaten onroerende goederen betreden teneinde toe te zien op de handhaving van de openbare orde en de naleving van de politiewetten en -verordeningen. Zij kunnen steeds diezelfde plaatsen betreden teneinde opdrachten van gerechtelijke politie uit te voeren. Met inachtneming van de onschendbaarheid van de woning kunnen zij hotelinrichtingen en andere logiesverstrekkende inrichtingen bezoeken. Zij kunnen zich door de eigenaars, exploitanten of aangestelden van die inrichtingen de inschrijvingsdocumenten van de reizigers doen overleggen.”
- Artikel 26, eerste en tweede lid, Wet Politieambt laat de politieambtenaren die op grond van die bepalingen een publiek toegankelijke plaats betreden, enkel toe om zintuiglijke waarnemingen te doen van de betreden plaats en van wie of wat zich in die plaats bevindt. Die bepalingen beletten de optredende politieambtenaren weliswaar niet om vragen te stellen aan aanwezige personen, maar zij laten als dusdanig niet toe dat de politieambtenaren overgaan tot het nemen van dwangmaatregelen. Bijgevolg heeft die betreding in de regel geen impact op het eigendomsrecht zoals beschermd door artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM.
- Bij afwezigheid van specifiek daarover bij conclusie gevoerd verweer, dient de rechter niet uitdrukkelijk vast te stellen dat een plaatsbetreding als bedoeld in artikel 26, eerste en tweede lid, Wet Politieambt is uitgevoerd met eerbiediging van de vereisten van controleerbaarheid, legaliteit, proportionaliteit en legitimiteit. Die vaststelling kan alsdan blijken uit enig welke reden van de beslissing in verband met de regelmatigheid van die maatregel.
- Onder een woning in de zin van artikel 15 Grondwet moet worden verstaan, de plaats met inbegrip van de erdoor omsloten eigen aanhorigheden, die een persoon bewoont om er zijn werkelijke verblijfplaats te vestigen en waar hij uit dien hoofde recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, zijn rust en meer in het algemeen zijn privéleven.
- Onder de bescherming van artikel 8.1 EVRM en de artikelen 15 en 22 Grondwet vallen ook bedrijfsruimten, maar enkel in zoverre de daar ontwikkelde activiteiten een privékarakter vertonen of er vertrouwelijke briefwisseling wordt bewaard. De loutere mogelijkheid dat die omstandigheden zich kunnen voordoen in een voor het publiek toegankelijke plaats, zoals in een winkel tijdens de openingsuren, impliceert echter niet dat die plaats onder de vermelde bepalingen valt.
- Noch artikel 63 Btw-wetboek noch artikel 319 WIB92 ontneemt aan politieambtenaren de bevoegdheid om in die wetboeken omschreven misdrijven op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen en zaken in beslag te nemen die met die misdrijven verband houden, zoals bepaald in artikel 15 Wet Politieambt. De politieambtenaren kunnen daarbij gebruik maken van de maatregelen bepaald in de Wet Politieambt, waaronder deze bepaald in artikel 26 van die wet.
- Artikel 26, eerste en tweede lid, Wet Politieambt vereist niet dat de politieambtenaren die op grond van die bepalingen overgaan tot het betreden van een publiek toegankelijke plaats, beschikken over een opdracht daartoe vanwege het openbaar ministerie of de onderzoeksrechter, noch dat zij de voorafgaande toestemming verkrijgen van een persoon bij wie de plaatsbetreding wordt uitgevoerd. Dat het plaatsbezoek een gerechtelijke finaliteit heeft, in die zin dat het ertoe strekt het bestaan van een misdrijf vast te stellen, doet daaraan geen afbreuk.
- Uit de enkele omstandigheid dat meerdere politieambtenaren, dan wel meer politieambtenaren dan volgens een beklaagde vereist, deelnemen aan een plaatsbetreding of dat die politieambtenaren behoren tot een welbepaalde politiedienst, kan niet worden afgeleid dat er ten aanzien van degene bij wie de plaatsbetreding wordt uitgevoerd ongeoorloofde fysieke of psychische dwang wordt uitgeoefend om vrijwillig af te zien van zijn grondrechten en bewijzen ter beschikking van de politieambtenaren te stellen. Die omstandigheid vereist evenmin een bijzondere verantwoording of motivering vanwege die politieambtenaren of vanwege de rechter die de regelmatigheid van hun optreden beoordeelt.
- De rechter oordeelt op grond van de concreet voorliggende gegevens onaantastbaar of de politieambtenaren die een plaats betreden op grond van artikel 26, eerste en tweede lid, Wet Politieambt, de in die bepalingen voorgeschreven vereisten, alsook de vereisten die gelden voor elk politioneel optreden, hebben nageleefd en of zij door hun optreden al dan niet het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op eigendom van de persoon bij wie het plaatsbezoek wordt uitgevoerd, hebben miskend. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het tussenarrest oordeelt onder meer als volgt: - in het aanvankelijk proces-verbaal is er enkel sprake van het “betreden van de kledingwinkel”. De eiser deelde nog mee aan de verbalisanten dat hij zijn woonplaats had op een ander adres, waar wel een inschrijving in de KBO was gebeurd; - het hof van beroep kan niet vaststellen dat er een huiszoeking is gebeurd waardoor een schending van artikel 26 Wet Politieambt zou voorliggen; - de Wet Politieambt legt geen beperkingen op aan de uitoefening van bevoegdheden bepaald in deze wet voor leden van een bepaalde politiedienst; - het dagontvangstenboek, het kasboek en de aankoop- en verkoopfacturatie bevonden zich bij eisers boekhouder en werden daar met zijn akkoord opgehaald; - de eiser voert aan dat hij door het aantal aanwezige politieambtenaren een niet nader omschreven onaanvaardbare en onevenredige druk op zijn recht van verdediging zou hebben ondergaan. De overhandiging zou niet als vrijwillig kunnen worden aanzien; - het aanvankelijk proces-verbaal vermeldt ter zake: “[De eiser] wenst volledig mee te werken met onze diensten en heeft er geen problemen mee dat wij de boekhoudkundige stukken inkijken. Hij bezorgt ons daarop de gegevens van zijn boekhouder: […]”; - uit de loutere aanwezigheid van zeven politiemensen kan niet worden afgeleid dat de eiser geen toestemming zou hebben gegeven, maar onder druk zou gezet zijn om de gevraagde boekhoudkundige stukken te laten overhandigen door zijn boekhouder. Dat de handelszaak van de eiser naderhand werd verzegeld, doet hieraan geen afbreuk; - volledigheidshalve merkt het hof van beroep op dat deze stukken bestonden onafhankelijk van de wil van de eiser en onveranderd bleven ongeacht de mededeling ervan. Er bestaat geen concreet risico op onbetrouwbaarheid van het aldus verkregen bewijsmateriaal; - artikel 63 Btw-wetboek en artikel 319 WIB92 doen geen afbreuk aan de bevoegdheden die voortvloeien uit onder meer de Wet Politieambt en beperken evenmin deze bevoegdheden.
- Op grond van die redenen kan het tussenarrest wettig oordelen dat de bekritiseerde plaatsbetreding regelmatig is uitgevoerd. Met die redenen beantwoordt dat arrest ook eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De schending van artikel 6.1 en 6.2 EVRM is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 8 EVRM en de artikelen 15 en 22 Grondwet.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.
- In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.1.2°, 8.1.4°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het tussenarrest oordeelt dat er in het aanvankelijk proces-verbaal enkel sprake is van het “betreden van de kledingwinkel”; het aanvankelijk proces-verbaal beperkt zich echter niet tot deze vaststelling, maar citeert een geheel aan feitelijke vaststellingen die tot de controle aanleiding geven; de eiser heeft op grond van een geheel van de feitelijke omstandigheden aangevoerd dat het onderzoek “ab initio” door de kennelijke onwettigheid van de uitgevoerde controle was aangetast; de appelrechters hebben de bewijskracht van het aanvankelijk proces-verbaal en de ingeroepen bewijsstukken miskend door de interventie zonder gerechtelijk mandaat van zeven politieambtenaren van de sectie Drugs van de gerechtelijke politie Antwerpen met het oog op een onbeperkte controle en fouillering van eisers kledingwinkel te aanvaarden en door, na een zeer summiere beoordeling van de boekhouding, de beslissing van de procureur des Konings tot de onmiddellijke gerechtelijke sluiting te valideren; de draagwijdte van de uitgevoerde controle kon niet beperkt en herleid worden tot “de betreding van de kledingwinkel”, gezien de andere feitelijke vaststellingen; de werkelijke inhoud en draagwijdte van het aanvankelijk proces-verbaal is met deze feitelijke motivering en rechterlijke kwalificatie niet verzoenbaar.
- De verplichting voor de rechter om de bewijskracht van akten te eerbiedigen houdt niet in dat hij een stuk waarnaar hij verwijst, in zijn geheel moet aanhalen. Die verplichting belet de rechter integendeel niet om zijn beslissing over een voor hem aangevoerde betwisting te steunen op een welbepaald gegeven dat hij put uit een stuk dat meerdere gegevens vermeldt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met het oordeel dat in het aanvankelijk proces-verbaal enkel sprake is van het “betreden van de kledingwinkel”, geeft het tussenarrest van de bewoordingen van dat proces-verbaal een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige voert het onderdeel weliswaar formeel een miskenning van de bewijskracht van akten aan, maar komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het tussenarrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.2 en 8 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 15, 22 en 149 Grondwet, artikel 26, eerste en tweede lid, Wet Politieambt, artikel 63 Btw-wetboek en 319 WIB92, almede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van loyaliteit bij de bewijsvoering in strafzaken, het recht van verdediging en de motivering van gerechtelijke uitspraken dat uit de ingeroepen rechtsnormen voortvloeit: het tussenarrest verwerpt de door de eiser bij appelconclusie aangevoerde partijdigheid van het onderzoek en het verweer dat er sprake is van een “fishing expedition”, waarbij de werkelijke bedoeling erin bestond om eisers handelszaak onmiddellijk te sluiten door middel van een gerechtelijke verzegeling; die verzegeling, gesteund op alsdan louter oppervlakkige vermoedens van fraude, is niet gemotiveerd en volstrekt onredelijk; aldus werd aan de eiser zonder afdoende grondslag en zonder concrete verantwoording een onredelijk zware last opgelegd, die een inbreuk vormt op zijn eigendomsrecht.
- Het tussenarrest stelt niet vast dat de betreding van de winkel van de eiser een “fishing expedition” betreft, waarbij de werkelijke bedoeling erin bestond om eisers handelszaak onmiddellijk te sluiten door middel van een gerechtelijke verzegeling, gesteund op alsdan louter oppervlakkige vermoedens van fraude. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel en kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de motivering van gerechtelijke uitspraken: het tussenarrest verwerpt de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering onder meer omdat er geen concreet risico op onbetrouwbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal bestaat; evenwel heropent het tussenarrest tevens het debat betreffende de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de bewijsvoering; meer bepaald oordeelt het tussenarrest dat uit het door de eiser bijgebrachte verslag van een bedrijfsrevisor en de daaraan gehechte stukken kon blijken dat het politioneel-fiscaal verslag geen rekening heeft gehouden met het feit dat bepaalde goederen vermeld op leveringsbonnen wel degelijk waren verwerkt in uitgaande facturen; eveneens geeft het tussenarrest aan de partijen de gelegenheid om desbetreffend eventueel bijkomende stukken bij te brengen en standpunt in te nemen over de berekening van in het bijzonder de personenbelasting; het eindarrest oordeelt dat de eiser aannemelijk maakt dat een aantal leveringsbonnen reeds waren opgenomen in zijn boekhouding door het boeken van de bijhorende facturen en het brengt dienvolgens 628 dubbel getelde artikelen in mindering voor de berekening van de fiscale vordering; aldus oordeelt het eindarrest dat deze bewijsexceptie onder de schuld van de eiser diende te worden beoordeeld, aangezien de exceptie over de ontvankelijkheid van de strafvordering en de rechtmatigheid van de bewijsvoering reeds was beoordeeld door het tussenarrest en de rechtsmacht van het hof van beroep op dat punt bijgevolg was uitgeput; ingevolge de algemene kritiek van de eiser op het gevoerde strafonderzoek had het tussenarrest ook de beslissing over de ontvankelijkheid van de strafvordering, de wettigheid, de volledigheid en de betrouwbaarheid van het overgelegde bewijs en het partijdige verloop van het onderzoek moeten uitstellen; de aangevoerde bewijsgebreken waren relevant om de partijdigheid en de vooringenomenheid van het onderzoek aan te tonen; door de voorbarige beslissing van het tussenarrest werd nadien elk debat over de regelmatigheid en de betrouwbaarheid van het bewijs en de ontvankelijkheid van de strafvordering aan de hand van de onverschoonbaarheid van de door de verbalisanten begane vergissingen onmogelijk; aldus is het recht van verdediging van de eiser miskend; het tussenarrest is bovendien onwettig gemotiveerd nu het oordeelt dat er voor de onbetrouwbaarheid van het bewijsmateriaal geen concreet risico bestond, terwijl het het debat heropent om aan de eiser de gelegenheid te geven de kennelijke onjuiste opsomming van het aanzienlijk aantal geweerde “ontbrekende” facturen, gekoppeld aan de bestelbonnen, verder aan te tonen; de eiser is hierin ook geslaagd; dit betreft juist de betrouwbaarheid van het bewijs van het openbaar ministerie.
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, kan het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen niet worden aangenomen.
- Het tussenarrest (p. 15-16) oordeelt dat, rekening houdend met het door de eiser bijgebrachte verslag van een door hem aangestelde bedrijfsrevisor, mogelijks andere facturen dan deze vermeld in de bevindingen van de verbalisanten zouden kunnen worden gekoppeld aan de in rekening gebrachte bestelbonnen. Het stelt vast dat de eiser daarover geen stukken heeft bijgebracht of standpunt in detail heeft ingenomen, maar louter het verslag van de bedrijfsrevisor, dat op dit punt wellicht onvolledig of minstens onduidelijk is, heeft overgenomen. Het oordeelt verder: “Het past om de debatten te heropenen teneinde partijen toe te laten eventueel bijkomende stukken bij te brengen en standpunt in te nemen, specifiek en louter betreffende de koppeling van bestelbons aan facturen in voormelde tabel evenals over de eventuele gevolgen van een koppeling op de gebeurlijk verschuldigde belastingen, in het bijzonder de berekening van de personenbelasting.” Met die redenen heropent het tussenarrest het debat niet met betrekking tot de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de bewijsvoering als dusdanig, noch met betrekking tot de door de eiser aangevoerde niet-ontvankelijkheid van de strafvordering wegens de onregelmatigheid of het eenzijdige karakter van het gevoerde strafonderzoek, maar enkel, op grond van de door de eiser tijdens de procedure bijgebrachte stukken, met betrekking tot de juistheid van de berekening door de verbalisanten van de in eisers boekhouding ontbrekende artikelen.
- Het eindarrest verbetert in het voordeel van de eiser de berekeningen van de verbalisanten door het aantal aan de eiser geleverde artikelen dat volgens die berekeningen niet terug te vinden is op uitgaande facturen en in nog aanwezige voorraden, te verminderen op grond van de gegevens bijgebracht in het verslag en de aanvullende nota van de door de eiser aangezochte bedrijfsrevisor, samen met de daarbij overgelegde stukken. Vervolgens verklaart het eindarrest de eiser schuldig aan onder meer de telastleggingen E (fraude btw) en F (fraude inkomstenbelastingen), in zoverre bewezen na de verbetering van de vaststellingen van de verbalisanten, en motiveert het die beslissing met omstandige redenen. Daarbij oordeelt het eindarrest (nr. 9, p. 13-14) onder meer als volgt: “Met de 628 artikelen die ten onrechte in aanmerking werden genomen als aangekochte goederen op basis van de leveringsbonnen, wordt aldus ook geen rekening gehouden door het hof (van beroep). Deze aanpassing tegenover de bedragen vastgesteld in de processen-verbaal, maakt de daarin opgenomen vaststellingen, waardoor het hof (van beroep) als strafrechter overigens niet gebonden is, echter niet willekeurig. De aanpassing is gebeurd op basis van specifieke bijkomende stukken inzake de overeenstemming tussen leveringsbonnen en facturen gevraagd aan de leverancier, waarover de verbalisanten niet of minstens niet volledig beschikten en die [de eiser] overigens reeds veel vroeger eenvoudig zelf had kunnen opvragen en bijbrengen.”
- Met de redenen die het eindarrest aldus bevat, oordelen de appelrechters niet dat zij met de door de eiser aangevoerde bewijsexceptie enkel nog kunnen rekening houden bij de beoordeling van de schuld van de eiser omdat zij met het tussenarrest hun rechtsmacht over de ontvankelijkheid van de strafvordering en de rechtmatigheid van de bewijsvoering hadden uitgeput. Uit die redenen blijkt evenmin dat de appelrechters de door hen doorgevoerde rechtzetting van de bevindingen van de verbalisanten betrekken op de betrouwbaarheid en de rechtmatigheid van het strafonderzoek en de bewijsvoering of op de ontvankelijkheid van de strafvordering. Daaruit blijkt wel dat de appelrechters de door hen doorgevoerde cijfermatige rechtzetting enkel toerekenen op de omvang van de fiscale vordering en in verband daarmee op de mate van schuldigverklaring van de eiser aan de telastleggingen E en F.
- In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het tussenarrest en het eindarrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, de artikelen 12 en 149 Grondwet en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van loyaliteit bij de bewijsvoering in strafzaken: het tussenarrest verwerpt de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering; het oordeelt dat er geen onregelmatigheden zijn vast te stellen betreffende de wijze waarop de bewijselementen werden verzameld en het strafdossier werd samengesteld, alsook dat, indien er toch sprake zou zijn van enige politionele onregelmatigheid bij de opvraging van de boekhoudkundige stukken, het bewijs niet nietig is op grond van de toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; de appelrechters passen die bepaling in het licht van de concrete, in het middel vermelde gegevens van de zaak onterecht toe en hanteren daarbij een onwettige, minstens dubbelzinnige motivering, onder meer omdat zij de begane onregelmatigheden niet identificeren; zij oordelen eveneens ten onrechte dat er bij de optredende politieambtenaren geen sprake is van opzet of grove nalatigheid.
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste en het tweede middel, kan het om de in het antwoord op die middelen vermelde redenen niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 173,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041130.8 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140408.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div