← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.6 Rolnummer: P.25.0746.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2025-12-05 Raadplegingen: 440 - laatst gezien 2026-06-16 08:12 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Artikel 62, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet laten de bijzondere bewijswaarde van de erin bepaalde vaststellingen niet afhangen van het overleggen van welbepaalde beelden of stukken; die bijzondere bewijswaarde kan immers enkel worden weerlegd door een sluitend tegenbewijs maar het aanvoeren van twijfel volstaat niet om dat tegenbewijs te leveren; de rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde slaagt in de op hem rustende verplichting het tegendeel te bewijzen van de vaststellingen die overeenkomstig artikel 62 Wegverkeerswet bijzondere bewijswaarde hebben en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0746.N N. V.P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 11 april

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 62 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt dat de aanvankelijke vaststellingen van de verbalisanten bijzondere bewijswaarde hebben; bijzondere bewijswaarde geldt slechts voor processen-verbaal van vaststellingen op het ogenblik van het misdrijf of kort nadien, maar niet voor latere vaststellingen, verstrekte inlichtingen, gegevens, gevolgtrekkingen of vermoedens; vaststellingen door technische apparatuur zijn geen zintuigelijke vaststellingen van een verbalisant die bijzondere bewijswaarde hebben; de bijzondere bewijswaarde is beperkt tot de vaststellingen door de verbalisant dat het meettoestel een welbepaald resultaat aangaf op het videoscherm; er kan geen bijzondere bewijswaarde worden toegekend aan de vaststellingen indien de geldende snelheidslimiet niet boven gerede twijfel vaststaat; de eiser kon wel degelijk de onjuistheid van de vaststellingen aantonen, gelet op de ontbrekende informatie vanwege het Vlaams Verkeerscentrum; het bestreden vonnis kan niet volstaan met een verwijzing naar de bijzondere bewijswaarde van de aanvankelijke vaststellingen en zodoende enige discussie over de juistheid van de vaststellingen uitsluiten.
  3. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de vaststelling van de snelheidsovertreding gebeurde door een onbemand automatisch werkend toestel, wat het bestreden vonnis niet vaststelt, mist het feitelijke grondslag.
  4. Artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat de door de Koning aangewezen overheidspersonen om toezicht te houden op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, de overtredingen vaststellen door processen-verbaal die bewijswaarde hebben zolang het tegendeel niet is bewezen. Die bijzondere bewijswaarde geldt alleen voor de in het proces-verbaal van overtreding opgenomen zintuiglijke vaststellingen die de verbalisant op het ogenblik van het misdrijf of kort nadien heeft gedaan en die betrekking hebben op de bestanddelen van het misdrijf en de ermee verbonden omstandigheden. Zij geldt niet voor latere vaststellingen of later verstrekte gegevens.
  5. Artikel 62, tweede lid, Wegverkeerswet bepaalt dat de vaststellingen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door bemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen, wanneer het gaat om overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.
  6. Die bepalingen laten de bijzondere bewijswaarde van de erin bepaalde vaststellingen niet afhangen van het overleggen van welbepaalde beelden of stukken. Die bijzondere bewijswaarde kan immers enkel worden weerlegd door een sluitend tegenbewijs. Het aanvoeren van twijfel volstaat niet om dat tegenbewijs te leveren.
  7. De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde slaagt in de op hem rustende verplichting het tegendeel te bewijzen van de vaststellingen die overeenkomstig artikel 62 Wegverkeerswet bijzondere bewijswaarde hebben. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Op grond van de voormelde bepalingen kan het bestreden vonnis wettig bijzondere bewijswaarde toekennen aan het in het aanvankelijk proces-verbaal vermelde feit dat de verbalisant die de vaststelling heeft gedaan, alvorens de snelheidsradar op te stellen, de werfsignalisatie en de RSS-borden fysiek heeft gecontroleerd en dienvolgens aan de vaststelling door de verbalisant dat het voertuig bestuurd door de eiser op 16 juli 2023 op de A11-E34 in Zwijndrecht, richting Antwerpen, ter hoogte van kilometerpaal 66.4 reed aan een gecorrigeerde snelheid van 131 kilometer per uur, terwijl de maximumsnelheid op dat moment en op die plaats 90 kilometer per uur bedroeg ingevolge de aanwezigheid vóór die plaats van een verkeersbord C43 dat die maximumsnelheid aangaf.
  10. Die bijzondere bewijswaarde, noch het doorslaggevend karakter dat de appelrechters aan de erdoor gedekte vaststellingen geven in de bewijsbeoordeling, worden tenietgedaan door de enkele omstandigheid dat de eiser het bestaan van de destijds geldende snelheidsbeperking betwist. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  11. Voor het overige komt het middel op, hetzij tegen overtollige redenen, hetzij tegen het onaantastbare oordeel van het bestreden vonnis over de sluitende aard van het door de eiser aangevoerde tegenbewijs. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Eerste middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces met inbegrip van het beginsel van de wapengelijkheid en van het recht van verdediging: niettegenstaande er geen uitsluitsel bestond over de snelheidsbeperking op de plaats en het tijdstip van de vaststellingen verklaart het bestreden vonnis de eiser schuldig aan het feit van de telastlegging en oordeelt het dat de voeging van de gevraagde stukken, te weten een foto van de flitscamera op het moment waarop het voertuig van de eiser wordt geflitst of een stuk over de eigenlijk dynamische signalisatie op dat ogenblik, niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding; aldus wordt de eiser manifest de mogelijkheid ontnomen om op doeltreffende wijze zijn recht van verdediging uit te oefenen en tegenspraak te voeren; hij kan immers niet zelf in het bezit komen van de informatie die de voeging van de bijkomende stukken kan ontkrachten; die bijkomende stukken kunnen wel degelijk een bewijselement à décharge opleveren en aldus leiden tot de vrijspraak of herkwalificatie van de telastlegging; aan het ontbreken van die gegevens kan niet worden geremedieerd door compenserende waarborgen (eerste onderdeel); opdat een debat ten gronde op een gedegen wijze kan worden gevoerd en de eiser de mogelijkheid krijgt om het bewijs van het tegendeel te leveren, is het noodzakelijk bijkomende informatie aan het dossier te laten voegen; de eiser is niet in de mogelijkheid om zelf enig aanvullend bewijs te leveren; enkel het openbaar ministerie kan in het bezit worden gesteld van die bijkomende stukken (tweede onderdeel).
  13. De rechter oordeelt onaantastbaar of het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van een beklaagde, in hun geheel genomen, al dan niet zijn miskend door het niet-voegen aan het strafdossier van stukken die een beklaagde stelt te moeten kunnen inzien met het oog op het leveren van het tegenbewijs tegen de vaststellingen die overeenkomstig artikel 62 Wegverkeerswet bijzondere bewijswaarde hebben. De rechter oordeelt eveneens onaantastbaar of aan die niet-voeging moet of kan worden geremedieerd met compenserende waarborgen en of die remediëring in de voorliggende zaak heeft plaatsgevonden. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Eensdeels oordeelt het bestreden vonnis op grond van de vaststellingen met bijzondere bewijswaarde vermeld in het antwoord op het tweede middel dat er wel degelijk uitsluitsel bestond over de snelheidsbeperking op de plaats en het tijdstip van de vaststelling van de snelheidsovertreding. Anderdeels oordeelt het bestreden vonnis als volgt: “De rechtbank is van oordeel dat uit het strafdossier geen schending van artikel 6 EVRM blijkt. [De eiser] heeft zowel schriftelijk als mondeling de gelegenheid gehad tegenspraak te voeren over wat hem ten laste wordt gelegd en over de aan de rechtbank overlegde gegevens. Hij is voldoende op de hoogte van de hem ten laste gelegde inbreuken en is in staat zijn rechten van verdediging ten volle uit te oefenen. Hij had recht op vrij verkeer met een advocaat, de mogelijkheid om het strafdossier in te kijken en kon rechtsmiddelen aanwenden tegen het gewezen vonnis. Bovendien werd door het Openbaar Ministerie tot tweemaal toe ingegaan op de verzoeken van [de eiser] tot het voegen van bijkomende stukken. Dit zijn in hun geheel passende remedies die hem toegelaten hebben zijn recht van verdediging ten volle uit te oefenen en zijn recht op een eerlijk proces waarborgen. Het voegen van de door [de eiser] gevraagde stukken is naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk voor de waarheidsvinding. De strafvordering voor de feiten onder de enige tenlastelegging is ontvankelijk.”
  15. Op grond van die redenen, samen met de feiten waarop het die redenen steunt, kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiser door het niet-voegen van de door hem gevraagde stukken niet zijn miskend en dat de strafvordering ontvankelijk is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het bestreden beantwoordt niet eisers bij appelconclusie gevoerde verweer over de bijzondere bewijswaarde van de aanvankelijke vaststellingen van de verbalisanten; de motivering van het bestreden vonnis is manifest onvolledig doordat het niet in concreto antwoordt op de aangevoerde inhoudelijke argumentatie over het ontbreken van bijzondere bewijswaarde van de aanvankelijke vaststellingen.
  17. Met de redenen die het (p. 5 en 6) vermeldt, beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  18. De schending van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR en de miskenning van algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zijn afgeleid uit het hiervoor vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.