Obsah (4)
Art. 66Art. 491Art. 42Art. 43bisid="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 491
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Wettelijke bepalingen:
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 491
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 4 Voor de verbeurdverklaring van een vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit een misdrijf is verkregen, zoals bepaald in de artikelen 42, 3°, en 43bis, eerste lid, Strafwetboek, volstaat het dat er een causaal verband bestaat tussen dat vermogensvoordeel en het bewezen verklaarde misdrijf; dat vermogensvoordeel is dan ook niet beperkt tot een voordeel dat zonder tussenschakel uit het bewezen verklaarde misdrijf is verkregen, maar omvat elk economisch voordeel uit dat misdrijf, met inbegrip van opbrengsten verkregen uit navolgende handelingen die zijn gesteld met betrekking tot goederen die met aanwending van dat vermogensvoordeel zijn verkregen of tot stand zijn gekomen
(1).
(1)Zie Cass. 10 oktober 2023, AR P.23.0600.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.8. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 8 De wettelijke vereiste dat volgens artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek de verbeurdverklaring toepasselijk op de in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken door de rechter slechts kan worden uitgesproken voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd, belet niet dat het aan de rechter staat te bepalen welke de door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken zijn die de in de schriftelijke vordering vermelde en bewezen verklaarde misdrijven hebben opgeleverd en welke de omvang is van de verbeurd te verklaren zaken, dan wel van de met die zaken overeenstemmende geldwaarde krachtens artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek; door de schriftelijke vordering is de mogelijkheid van een verbeurdverklaring van de door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken of de overeenstemmende geldwaarde, alsook het bedrag ervan, in het debat maar de in die vordering vermelde bedragen aan verbeurd te verklaren vermogensvoordelen of aan ermee overeenstemmende bedragen vormen geen bovengrens voor de door de rechter uit te spreken verbeurdverklaring; hieruit volgt dat wanneer de verkrijging of de totstandkoming van een goed is gefinancierd met geld verkregen uit het misdrijf van misbruik van vertrouwen, het uit dat misdrijf verkregen vermogensvoordeel, dat de rechter kan verbeurdverklaren, niet enkel kan bestaan uit het bedrag zelf dat is verduisterd, ook al is enkel dat bedrag opgenomen in de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie, maar eveneens uit de meerwaarde die nadien met de verkoop van dat goed is gerealiseerd. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 491
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 491
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 491
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43bis
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 491
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 9 - 10 Geen enkele bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel sluit uit dat de rechter bij de beoordeling van de redelijke termijn de proceshouding van een beklaagde of een medebeklaagde in rekening brengt, wanneer die proceshouding een vertraging veroorzaakt in het onderzoek of de behandeling van de zaak; dit impliceert niet dat de rechter de proceshouding van een beklaagde negatief beoordeelt
(1).
(1)Zie Cass. 28 oktober 2025, AR P.25.0925.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0711.N M. M., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Kris Beirnaert, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Brusselstraat 51, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen Pierre-Luc MARCHAL, met kantoor te 5100 Namen, Avenue Prince de Liège 91, bus 9, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement FAMO CONSTRUCT bv, ON 0622.699.248, burgerlijke partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 april
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest beperkt de schuldigverklaring van de eiseres aan de telastlegging B.1 tot een bedrag van 273.100,96 euro. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 491 Strafwetboek, zoals van toepassing: het arrest verklaart de eiseres schuldig aan het misdrijf van misbruik van vertrouwen voor onder meer het bedrag van 259.300,96 euro ten nadele van Famo Construct bv (hierna Famo Construct); dit is een vennootschap die destijds werd bestuurd door aanvankelijk medebeklaagde E., zijnde de ex-echtgenoot van de eiseres met wie zij volgens het arrest nauwe banden is blijven onderhouden; het arrest oordeelt dat het bedrag van 259.300,96 euro het onbetaalde saldo uitmaakt van de facturen die Famo Construct heeft gericht aan de eiseres en die voor het overgrote deel betrekking hebben op de levering van bouwmaterialen en de aankoop van materialen, welke Famo Construct heeft bekostigd en verwerkt in het nieuwbouwproject van de eiseres te Kruibeke; het arrest oordeelt verder dat de schuld van de eiseres aan Famo Construct nadien werd omgezet naar een schuld in rekening-courant van E. aan Famo Construct, teneinde te ontsnappen aan uitvoering van die schuld op haar onroerend goed; hierdoor zijn er volgens het arrest gelden aan de vennootschap onttrokken wegens het gebruik van die gelden voor niet aan de vennootschap gerelateerde doeleinden, waarbij het nooit de bedoeling is geweest de facturen te betalen; het arrest stelt echter niet vast dat het bedrag van 259.300,96 euro voorafgaandelijk was overhandigd aan de eiseres of aan E. en evenmin dat zij zich persoonlijk een dergelijk bedrag aan vennootschapsgelden hebben toegeëigend; de voormelde vaststellingen doen daaraan niets af; die vaststellingen betreffen immers enkel een niet nader bepaald overgroot deel van de facturen en houden dus niet de vaststelling in dat het ganse beweerdelijk verduisterde bedrag van 259.300,96 euro betrekking zou hebben op een door de vennootschap voorgefinancierde kost van materialen; uit die vaststelling volgt, integendeel, noodzakelijkerwijs dat een niet nader bepaald ander deel van de facturen voor het nieuwbouwproject geen betrekking had op de doorrekening van een door de vennootschap voorgefinancierde kost van materialen; voor dat niet nader bepaald ander deel bevat het arrest dus geen vaststelling dat dit overeenstemt met een bedrag aan vennootschapsgelden van Famo Construct dat persoonlijk werd toegeëigend; aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord en laat het arrest het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
- De schuldigverklaring als mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mededader zijn medewerking verleent aan een misdaad of een wanbedrijf op een in dat artikel bedoelde wijze, dat hij weet dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleent en dat hij het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen. Die schuldigverklaring vereist niet dat alle bestanddelen van het misdrijf in de deelnemingshandelingen begrepen zijn. Bijgevolg moet ten aanzien van de mededader van het misdrijf van misbruik van vertrouwen niet vaststaan dat hij zich de door de hoofddader verduisterde zaak persoonlijk heeft willen toe-eigenen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 16-19) verklaart de eiseres schuldig als deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan het misdrijf van misbruik van vertrouwen, erin bestaande dat E. bedrieglijk gelden waarvan hij als bestuurder van Famo Construct het precair bezit had, aan deze vennootschap heeft onttrokken voor niet aan de vennootschap gerelateerde doeleinden door op kosten van Famo Construct werken voor de bouw van een nieuwbouwproject van de eiseres te Kruibeke te laten uitvoeren tegen de uitreiking van facturen voor een thans nog openstaand saldobedrag van 259.300,96 euro, waarvan het in onderlinge samenspraak tussen E. en de eiseres nooit de bedoeling was ze te betalen, dan wel de inning ervan mogelijk te maken. Daarbij oordeelt het arrest onder meer dat de gelden aan de vennootschap werden onttrokken in het persoonlijk belang van de eiseres en dat de eiseres met kennis van zaken de goederen voor dat project heeft laten leveren.
- De enkele omstandigheden dat uit de redenen van het arrest volgt dat een beperkt deel van de door Famo Construct aan de eiseres gerichte facturen geen betrekking had op de levering van bouwmaterialen en de aankoop van materialen door Famo Construct voor het bouwproject van de eiseres te Kruibeke en dat het arrest dit deel van de facturen niet nader specificeert, verhindert niet dat het eveneens valt onder het totale door Famo Construct gefactureerde bedrag van 259.300,96 euro, waarvan het arrest onaantastbaar oordeelt dat het voor niet aan de vennootschap gerelateerde doeleinden en onder meer in het persoonlijk belang van de eiseres werd onttrokken aan de vennootschap.
- Hieruit volgt dat het arrest, met de redenen die het bevat en die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole uit te oefenen, de beslissing dat de eiseres mededader is van het misdrijf van misbruik van vertrouwen voor het volledige bedrag van 259.300,96 euro, regelmatig motiveert en naar recht verantwoordt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 491 Strafwetboek, zoals van toepassing: het arrest kan op grond van de feiten die het vaststelt niet wettig oordelen dat het nooit de intentie van de eiseres of van E. was om de onttrokken gelden terug te laten komen aan Famo Construct; dat oordeel is immers onverzoenbaar met de vaststellingen dat de eiseres wel degelijk betalingen aan Famo Construct heeft gedaan; aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord, laat zij het Hof niet toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
- Het enkele feit dat de eiseres aan Famo Construct, eensdeels, een bedrag van 40.500,00 euro heeft betaald, bedrag dat in mindering is gebracht van de telastlegging B.1 en, anderdeels, in de loop van de incriminatieperiode de bedragen van 1.000,00 en 1.800,00 euro aan Famo Construct heeft of zou hebben betaald, belet het arrest niet om in de feitelijke omstandigheden die het vaststelt en die zijn aangewezen in het antwoord op het eerste onderdeel, te oordelen dat de eiseres zich als deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf van misbruik van vertrouwen voor de bedragen van 259.300,96 euro en 13.800,00 euro, onder meer omdat zij ingevolge de onderlinge samenspraak met E. nooit van plan is geweest om die bedragen te restitueren aan Famo Construct. Evenmin heeft dat enkele feit tot gevolg dat het Hof zijn wettigheidstoezicht niet kan uitoefenen of dat het arrest tegenstrijdige redenen bevat. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 7, 42, 3° en 43bis, eerste lid, Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het persoonlijk karakter van de straf en het gezag van gewijsde in strafzaken: het arrest beveelt lastens de eiseres de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van een bedrag van 200.000,00 euro als vermogensvoordeel dat de eiseres zou hebben verkregen uit de telastlegging B.1; de eerste rechter beval lastens de eiseres op basis van de telastlegging B.1 (misbruik van vertrouwen voor een totaalbedrag van 307.718,98 euro) de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen ten bedrage van 129.650,48 euro en hij beval lastens E. op basis van de telastleggingen B.1 en B.2 (misbruik van vertrouwen voor een totaalbedrag van 340.425,00 euro) samen de verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen ten bedrage van 623.934,97 euro; de totale som van de volgens de telastleggingen B.1 en B.2 verduisterde bedragen is 648.143,98 euro; bij gebrek aan precisering in het beroepen vonnis welk deel van het lastens E. verbeurdverklaarde bedrag betrekking heeft op de vermogensvoordelen uit de telastlegging B.1 en welk deel op de vermogensvoordelen uit de telastlegging B.2, is het redelijk om het totale vermogensvoordeel te verdelen over de beide telastleggingen; bijgevolg kan het arrest, opdat het totale bedrag van de verbeurdverklaringen het bedrag van de uit de telastlegging B.1 verkregen vermogensvoordelen niet zou overschrijden, lastens de eiseres enkel nog de verbeurdverklaring bevelen van maximaal, naargelang de berekening, 11.493,30 euro of 24.209,01 euro; het oordeel van de appelrechters dat zij niet gebonden zijn door de aan E. opgelegde verbeurdverklaring en dat het niet aan hen of aan de eiseres is om bij afwezigheid van precisering in het beroepen vonnis de lastens E. bevolen verbeurdverklaring zelf te gaan verdelen over de telastleggingen B.1 en B.2, is in strijd met het persoonlijk karakter van de straf en het gezag van gewijsde in strafzaken; evenmin juist is het oordeel van het arrest dat de vermogensvoordelen uit de telastlegging B.1 niet beperkt zijn tot het bedrag vermeld in deze telastlegging omdat het onttrekken van gelden in het kader van het project te Kruibeke meer dan die vermogensvoordelen heeft opgeleverd, nu het is verkocht voor een zeer omvangrijk bedrag waarvan een substantieel gedeelte betrekking heeft op de ruwbouw die gebeurde met materialen betaald door of met gelden van Famo Construct; de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie beoogde immers enkel de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen bestaande in de volgens de telastleggingen B.1 en B.2 verduisterde geldsommen, dit is 307.718,98 euro en 340.425,00 euro; die vordering beoogde dus niet de verbeurdverklaring van andere vermogensvoordelen die desgevallend het onrechtstreekse gevolg zouden zijn van verdere handelingen met betrekking tot het goed dat werd verworven mede aan de hand van de verduisterde bedragen.
- Voor de verbeurdverklaring van een vermogensvoordeel dat rechtstreeks uit een misdrijf is verkregen, zoals bepaald in de artikelen 42, 3°, en 43bis, eerste lid, Strafwetboek, volstaat het dat er een causaal verband bestaat tussen dat vermogensvoordeel en het bewezen verklaarde misdrijf. Dat vermogensvoordeel is dan ook niet beperkt tot een voordeel dat zonder tussenschakel uit het bewezen verklaarde misdrijf is verkregen, maar omvat elk economisch voordeel uit dat misdrijf, met inbegrip van opbrengsten verkregen uit navolgende handelingen die zijn gesteld met betrekking tot goederen die met aanwending van dat vermogensvoordeel zijn verkregen of tot stand zijn gekomen.
- Artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat de verbeurdverklaring toepasselijk op de in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken door de rechter kan worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd.
- Dit wettelijk vereiste heeft tot doel de partijen te verwittigen dat voor de in de schriftelijke vordering bepaalde misdrijven een verbeurdverklaring van de door artikel 42, 3° of 43bis, tweede lid, Strafwetboek bedoelde zaken of overeenstemmende geldwaarde kan worden bevolen, zodat daarover een debat kan worden gevoerd en het recht van verdediging wordt gewaarborgd.
- Dat vereiste belet niet dat het aan de rechter staat te bepalen welke de door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken zijn die de in de schriftelijke vordering vermelde en bewezen verklaarde misdrijven hebben opgeleverd en welke de omvang is van de verbeurd te verklaren zaken, dan wel van de met die zaken overeenstemmende geldwaarde krachtens artikel 43bis, tweede lid, Strafwetboek.
- Door de schriftelijke vordering is de mogelijkheid van een verbeurdverklaring van de door artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken of de overeenstemmende geldwaarde, alsook het bedrag ervan, in het debat. De in die vordering vermelde bedragen aan verbeurd te verklaren vermogensvoordelen of aan ermee overeenstemmende bedragen vormen geen bovengrens voor de door de rechter uit te spreken verbeurdverklaring.
- Hieruit volgt dat wanneer de verkrijging of de totstandkoming van een goed is gefinancierd met geld verkregen uit het misdrijf van misbruik van vertrouwen, het uit dat misdrijf verkregen vermogensvoordeel, dat de rechter kan verbeurdverklaren, niet enkel kan bestaan uit het bedrag zelf dat is verduisterd, ook al is enkel dat bedrag opgenomen in de schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie, maar eveneens uit de meerwaarde die nadien met de verkoop van dat goed is gerealiseerd.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het middel op tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt op grond van een gedraging van de beklaagden dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak van de eiseres niet is overschreden in de periode tussen 7 juni 2021 en 5 oktober 2021; het oordeelt namelijk dat de beklaagden geen klaarheid schepten en slechts mondjesmaat stukken bijbrachten; minstens stelt het arrest niet vast dat de stilstand van het onderzoek in de vermelde periode is veroorzaakt door de vermelde houding van de beklaagden.
- De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de aard en de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de met het onderzoek, de opsporing, de vervolging en de berechting belaste instanties en het belang van de zaak voor de beklaagde.
- Geen enkele bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel sluit aldus uit dat de rechter bij de beoordeling van de redelijke termijn de proceshouding van een beklaagde of een medebeklaagde in rekening brengt, wanneer die proceshouding een vertraging veroorzaakt in het onderzoek of de behandeling van de zaak. Dit impliceert niet dat de rechter de proceshouding van een beklaagde negatief beoordeelt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Eerst wijst het arrest (p. 9) erop dat de rechter bij de beoordeling van de redelijke termijn rekening moet houden met de procedure in haar geheel en dat een eventuele vertraging in een bepaalde fase van de procedure hem niet verplicht tot de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. Vervolgens oordeelt het arrest dat het, anders dan de eerste rechter, de periode tussen 7 juni 2021 en 5 oktober 2021, waarin de onderzoeksrechter nog een kantschrift maakte ter herinnering aan het gevraagde nazicht van de boekhouding, niet aanziet als een onverantwoorde stilstand die aanleiding geeft tot een beperkte overschrijding van de redelijke termijn, omdat er een analyse van in beslag genomen stukken diende te gebeuren die enige tijd in beslag neemt en omdat het verloop van vier maanden voor dit onderzoek niet van aard is om te leiden tot een overschrijding van de redelijke termijn, rekening houdende met het geheel van de procedure in een technisch dossier dat onderzoek van bankrekeningen en boekhouding vereist en waarin beklaagden geen klaarheid schepten en slechts mondjesmaat stukken bijbrachten.
- Met die redenen weegt het arrest de duur van de periode van ogenschijnlijke stilstand in de voortgang van het gerechtelijk onderzoek tussen 7 juni 2021 en 5 oktober 2021 af tegen de specifieke omstandigheden van de zaak die het vaststelt, in het bijzonder de techniciteit van het dossier, de tijdens de vermelde periode vereiste onderzoeksdaden en de impact van de houding van de beklaagden op het ganse procedureverloop. Aldus is de beslissing dat die periode geen overschrijding van de redelijke termijn heeft veroorzaakt, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest steunt de beslissing dat de redelijke termijn niet is overschreden op het verwijt aan de eiseres dat zij slechts laattijdig stukken heeft bijgebracht en dus geen actieve medewerking heeft verleend aan het lastens haar gevoerde proces.
- Uit de bewoordingen van het arrest kan niet worden afgeleid dat de appelrechters de eiseres verwijten dat zij niet heeft meegewerkt aan de bewijsgaring, noch dat de appelrechters de beoordeling van de redelijke termijn voor wat betreft de eiseres steunen op een dergelijk verwijt. Uit die bewoordingen blijkt enkel dat het arrest de feitelijke gegevens vermeldt die de termijn voor de behandeling van de zaak van de eiseres in haar geheel verklaren en die niet te wijten zijn aan de houding van de betrokken overheidsinstanties. Aldus schendt het arrest de in het onderdeel vermelde bepalingen niet. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel en kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest grondt het oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden mede op de vaststelling dat het gaat om het onttrekken van vermogen aan een vennootschap en de eiseres over een groot vermogen blijkt te beschikken, waaruit het arrest afleidt dat de zaak niet van groot belang is voor de eiseres; die omstandigheden houden geen verband met de straf die aan de eiseres kon worden opgelegd of met de psychologische weerslag van de duur van de strafprocedure, die de kern van het redelijketermijnvereiste uitmaken, en kan dus onmogelijk verantwoorden dat de zaak geen groot belang heeft voor de eiseres; de redenering van de appelrechters kan bovendien ook intrinsiek niet worden aanvaard, want zij komt erop neer dat de redelijke termijn langer mag zijn wanneer de beklaagde wordt vervolgd wegens het onttrekken van vermogen aan een vennootschap of wanneer de beklaagde vermogend is, wat op geen enkele mogelijke wijze kan worden verantwoord.
- De appelrechters kunnen bij de beoordeling van het belang van de zaak voor de eiseres in het kader van het onderzoek van de door haar aangevoerde overschrijding van de redelijke termijn, rekening houden met alle feitelijke omstandigheden van de zaak die regelmatig zijn voorgebracht en aan tegenspraak zijn onderworpen. Daaronder kunnen de in het onderdeel vermelde feitelijke gegevens behoren, zonder dat de appelrechters die gegevens uitdrukkelijk moeten betrekken op de schadelijke gevolgen die een overschrijding van de redelijke termijn kan teweegbrengen voor de eiseres. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 160,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 25 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251028.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div