← België

POLE MAT SARL c. HD HYUNDAI CONSTRUCTION EQUIPMENT EURO

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 1

, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1961072709 Wet 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies

Art. 4

, eerste en tweede lid - 03 ELI link Pub nr 1961072709 Wet 27 juli 1961 betreffende eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies

Art. 6

- 03 ELI link Pub nr 1961072709 Fiche 2 Artikel 1135 Oud Burgerlijk Wetboek laat niet toe dat de rechter op grond van de billijkheid de inhoud van een overeenkomst wijzigt

(1).
(1)Zie Cass. 7 september 2012, AR C.11.0630.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120907.1, AC 2012, nr. 452; Cass. 20 april 2006, AR C.03.0084.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060420.8, AC 2006, nr.
  1. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1135 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0213.N POLE MAT sarl, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 77260 La Ferté-sous-Jouarre (Frankrijk), La Croix Gosset, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen HD HYUNDAI CONSTRUCTION EQUIPMENT EUROPE nv, met zetel te 3980 Tessenderlo, Hyundailaan 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0454.495.082, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 8 november
  2. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Krachtens artikel 6 van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, zoals van toepassing, zijn de bepalingen van deze wet van toepassing niettegenstaande hiermee strijdige overeenkomsten, gesloten voor het einde van het contract waarbij de concessie is verleend. Ingevolge artikel 1, § 1, van deze wet zijn, niettegenstaande ieder strijdig beding, de daarin opgesomde concessieovereenkomsten onderworpen aan de bepalingen van deze wet. Artikel 4, eerste lid, van deze wet bepaalt dat de benadeelde concessiehouder, bij de beëindiging van een verkoopconcessie met uitwerking voor het gehele Belgische grondgebied of een gedeelte ervan, in elk geval de concessiegever in België kan dagvaarden, hetzij voor de rechter van zijn eigen woonplaats, hetzij voor de rechter van de woonplaats of zetel van de concessiegever. Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling, zal, ingeval het geschil voor een Belgische rechtbank wordt gebracht, deze rechtbank uitsluitend de Belgische wet toepassen.
  4. Uit voormelde wetsbepalingen alsmede uit de wetgeschiedenis van de wet van 27 juli 1961, blijkt dat, wanneer de verkoopconcessie uitsluitend buiten het Belgische grondgebied uitwerking heeft, in geval van beëindiging van die verkoopconcessie, de dwingende bepalingen van de voormelde wet in beginsel niet van toepassing zijn. De dwingende bepalingen van die wet zijn in dit geval alleen van toepassing wanneer de overeenkomst tussen concessiehouder en concessiegever die wet van toepassing verklaart op de overeenkomst tussen de partijen. Wanneer de partijen bij het sluiten van de overeenkomst de bedoeling hebben slechts één artikel van deze wet van toepassing te verklaren, is de toepassing van die wet tot dat artikel beperkt zonder dat daardoor de volledige imperatieve wet van toepassing wordt op de overeenkomst. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede middel
  5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiseres nalaat voldoende naar recht te bewijzen dat een vergoeding voor het aangebrachte cliënteel, de betaling van de gemaakte kosten die nog voordelen opleveren en het rouwgeld een verbintenis betreft die voortvloeit uit de overeenkomst; - de overeenkomst tussen de partijen een expliciete en duidelijke verwijzing bevat naar de modaliteiten met betrekking tot de beëindiging van de overeenkomst en de partijen hieromtrent hebben aangegeven dat enkel artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 de rechten en plichten van de partijen bepaalt. Aldus stellen de appelrechters vast dat de partijen artikel 3 van de wet van 27 juli 1961 dat bepaalt dat de concessiehouder onder bepaalde voorwaarden aanspraak kan maken op een billijke vergoeding geraamd in functie van de bekende meerwaarde inzake cliënteel die door de concessiehouder is aangebracht en die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van het contract, de kosten die de concessiehouder gedaan heeft met het oog op de exploitatie van de concessie en die aan de concessiegever voordelen mochten opleveren na het eindigen van het contract en het rouwgeld dat de concessiehouder verschuldigd is aan het personeel dat hij verplicht is te ontslaan ten gevolge van de beëindiging van de verkoopconcessie, buiten het toepassingsgebied van hun overeenkomst hebben gelaten en de partijen derhalve niet in een verbintenis tot betaling van een cliënteelvergoeding hebben voorzien. In zoverre het middel miskenning aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel van de bindende kracht van de overeenkomsten en artikel 1134, eerste en derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek kan het niet worden aangenomen.
  6. In zoverre het middel aanvoert dat, buiten de toepassing van de wet van 27 juli 1961, een gebruik bestaat krachtens hetwelk aan de distributeur door de medecontractant een vergoeding moet worden uitbetaald, indien deze laatste, het door de distributeur aangebracht cliënteel behoudt, nodigt dit het Hof uit tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  7. Krachtens artikel 1135 Oud Burgerlijk Wetboek verbinden overeenkomsten niet alleen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk is bepaald maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend. Deze wetsbepaling laat evenwel niet toe dat de rechter op grond van de billijkheid de inhoud van een overeenkomst wijzigt. In zoverre het middel aanvoert dat, ondanks de vaststelling van de appelrechters dat de partijen enkel artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 van toepassing hebben verklaard op de overeenkomst en zij niet in een verbintenis tot betaling van een cliënteelvergoeding hebben voorzien, aan de distributeur door de medecontractant een vergoeding wegens aangebracht cliënteel dient te worden uitbetaald, beoogt het een wijziging van de inhoud van de overeenkomst in strijd met voormelde wetsbepaling. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  8. De appelrechters oordelen niet alleen dat (i) de eiseres nalaat voldoende naar recht te bewijzen dat een vergoeding voor het aangebrachte cliënteel, de betaling van de gemaakte kosten die nog voordelen opleveren en het rouwgeld een verbintenis betreft die voortvloeit uit de overeenkomst, (ii) de partijen hebben aangegeven dat enkel artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 de rechten en plichten van partijen bepaalt en (iii) enige gerechtigheid aan de zijde van de eiseres op grond van de artikelen 1134 en 1135 Oud Burgerlijk Wetboek op een vergoeding voor het aangebrachte cliënteel, de betaling van de gemaakte kosten die nog voordelen opleveren en het rouwgeld een aantasting zou inhouden van de wil van de partijen bij het aangaan van de overeenkomst, maar ook dat de gerechtigdheid op een dergelijke vergoeding evenmin in lijn kan worden gebracht met de verwachtingen die de partijen hadden bij het aangaan van de overeenkomst. Daarbij merken de appelrechters op dat voor de eiseres dergelijke verwachtingen onvoldoende worden bewezen aangezien op de markt waar zij actief is dergelijke vergoedingen evenmin worden bepaald in het nationale recht bij de beëindiging van de distributierelatie en wijzen ze andermaal op de expliciete geïsoleerde keuze door de eiseres voor artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 en als dusdanig de uitsluiting van andere artikelen uit deze wet die wel voorzien in de gevorderde vergoedingen. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters met verwijzing naar het Franse recht niet uitsluitend het Belgische recht hebben toegepast, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 705,72 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, Bart Wylleman, sectievoorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 27 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060406.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060420.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120907.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.