← België

BOUWONDERNEMING EECKHOUT en ZONEN bv contra M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.8 Rolnummer: C.24.0274.N Zaak: BOUWONDERNEMING EECKHOUT en ZONEN bv contra M. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2025-12-11 Raadplegingen: 351 - laatst gezien 2026-06-15 09:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251127.1N.8 Fiches 1 - 3 De rechter oordeelt in feite of met de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning is gestart binnen twee jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 4.6.2, §1, eerste lid, 1°, VCRO zoals van toepassing voor de wijziging ervan door art. 4 Decreet van 6 juli
  1. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.6.2, § 1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.6.2, § 1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.6.2, § 1, eerste lid, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0274.N BOUWONDERNEMING EECKHOUT & ZONEN bv, met zetel te 8710 Wielsbeke, Eerste Linie-Regimentstraat 47, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0417.348.735, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 251/10, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen M. M., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart
  2. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft op 22 oktober 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. Krachtens artikel 4.6.2, § 1, eerste lid, 1°, VCRO, zoals van toepassing, vervalt een vergunning voor onbepaalde duur van rechtswege wanneer de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning niet binnen twee jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg wordt gestart. De rechter oordeelt in feite of met de verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning is gestart binnen twee jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  4. De appelrechters stellen vast dat: - de laatst nuttige dag om de werken aan te vatten 19 juli 2014 was, bij gebreke waaraan het verval op 20 juli 2014 is ingetreden; - uit het geheel van de gegevens waarvan zij vermogen kennis te nemen, naar voor komt dat de eiseres in de periode kort voor 20 juli 2012 weliswaar blijk heeft gegeven de stedenbouwkundige vergunning te willen verwezenlijken en zij daartoe voorbereidende handelingen stelde of liet stellen, doch dat zij met deze verwezenlijking eerst na het bouwverlof van 2014 een aanvang heeft genomen; - met name niet blijkt dat de eiseres in de periode voor 20 juli 2014 daartoe reeds vergunnigsplichtige werken heeft uitgevoerd of heeft laten uitvoeren; - uit de foto’s gevoegd aan het proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder I. van 14 juli 2014, in weerwil van wat de eiseres voorhoudt, niet valt op te maken dat op het terrein reeds vergunningsplichtige werken zouden zijn uitgevoerd; - ook op de foto’s gevoegd bij het proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder L. van 14 augustus 2014 geen grondwerken in de zin zoals voorgehouden door de eiseres vallen waar te nemen; - zelfs indien het zo zou zijn dat eind juni 2014 op een gedeelte van het terrein verhardingen zouden zijn uitgebroken en het terrein op die plaatsen opnieuw netjes zou zijn genivelleerd of ter installatie van de kraan de ondergrond lokaal wat verstevigd of genivelleerd zou zijn, dit dan nog geen vergunningsplichtige werken ter verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning betreffen, maar hoogstens voorbereidende werkzaamheden; - verdere door de eiseres ingeroepen activiteiten evenmin vergunningsplichtige werken ter verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning vormen maar hoogstens voorbereidende handelingen daartoe: (i) het sluiten van een overeenkomst omtrent het uitvoeren van sonderingen en het uitvoeren daarvan, (ii) opmetingswerken door de landmeter, (iii) het installeren van een werfkraan en (iv) het bewerken en leveren van allerlei metalen onderdelen; - ook het feit dat de eiseres op 9 juli 2014 aan de gemeente Wielsbeke heeft gemeld de werf aan te vatten, geen bewijs vormt van dergelijke werken; - aldus blijkt dat de eiseres voor het bouwverlof 2014 hoogstens een aantal voorbereidende handelingen heeft gesteld teneinde de werken te kunnen aanvatten of uitvoeren na dit bouwverlof, maar geenszins voor dat bouwverlof reeds vergunningsplichtige werken heeft aangevat ter verwezenlijking van de stedenbouwkundige vergunning van 12 juli
  5. Op grond van die vaststellingen konden de appelrechters naar recht oordelen dat de stedenbouwkundige vergunning van 12 juli 2012 met toepassing van artikel 4.6.2, § 1, eerste lid, 1°, VCRO vervallen is omdat de eiseres de verwezenlijking ervan niet binnen twee jaar na de afgifte ervan is gestart. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 919,36 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, Bart Wylleman, sectievoorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 27 november 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Frederic Vroman, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251127.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.