id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 1418
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De echtgenoot die slechts instemt met een handeling die onder het gezamenlijke bestuur valt, wordt geen contractspartij. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1418
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 De echtgenoot die toestemt of instemt met een handeling die onder het gezamenlijke bestuur valt, doet afstand van het recht om achteraf de nietigverklaring van de bestuurshandeling te vorderen. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALGEMEEN Fiche 4 Een stilzwijgende toestemming achteraf of een instemming kan slechts worden afgeleid uit elementen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn; het loutere stilzitten van de niet-handelende echtgenoot en het laten verstrijken van de termijn van een jaar om de nietigverklaring te vorderen overeenkomstig de artikelen 1422-1423 Oud Burgerlijk Wetboek, kan bijgevolg niet worden beschouwd als een stilzwijgende toestemming of instemming. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1418
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1422
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1423
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 5 Een verkoop van een onroerend goed dat behoort tot een huwelijksgemeenschap, die is aangegaan door een echtgenoot zonder de toestemming of instemming van de andere echtgenoot, is niet nietig maar slechts vernietigbaar overeenkomstig de artikelen 1422-1423 Oud Burgerlijk Wetboek; bij gebrek aan tijdige vordering tot nietigverklaring kan dergelijke verkoop niet meer worden betwist op grond van een gebrek aan toestemming of instemming van de andere echtgenoot. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1422
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1423- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.
C.24.0110.N VOET INVEST bv, met zetel te 8600 Diksmuide, Gasthuisstraat 12 bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0436.779.122, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- J.B.,
- M.V.,
- R. B.,
- F.V.N., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 10 januari
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 22 september 2025 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF
- Krachtens artikel 1416 Oud Burgerlijk Wetboek wordt het gemeenschappelijk vermogen bestuurd door de ene of door de andere echtgenoot die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, onder gehoudenheid voor ieder van hen om de bestuurshandelingen van de andere te eerbiedigen. Het in dit artikel bedoelde gelijktijdige of concurrentiële bestuur geldt als algemene en residuaire bestuursvorm voor het gemeenschappelijk vermogen.
- Krachtens artikel 1418 Oud Burgerlijk Wetboek is voor de in deze bepaling opgesomde, zwaarwichtige handelingen, waaronder het verkrijgen, vervreemden of met zakelijke rechten bezwaren van voor hypotheek vatbare goederen, de toestemming van beide echtgenoten vereist. Dit gezamenlijke bestuur geldt als uitzonderlijke bestuursvorm. De in dit artikel bedoelde toestemming is niet aan vormvoorwaarden onderworpen en dus vormvrij. Zij kan zowel schriftelijk als mondeling en zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend worden gegeven. De toestemming of instemming kan zowel op het ogenblik van het stellen van de bestuurshandeling zelf als achteraf worden gegeven. De echtgenoot die slechts instemt met een handeling die onder het gezamenlijke bestuur valt, wordt geen contractspartij.
- Krachtens artikel 1422, eerste lid, 1°, Oud Burgerlijk Wetboek kan de familierechtbank elke handeling die de echtgenoot heeft verricht in strijd met artikel 1418 Oud Burgerlijk Wetboek nietig verklaren op verzoek van een der echtgenoten die bewijst dat hij een wettig belang heeft en onverminderd de rechten van de te goeder trouw zijnde derden. Krachtens artikel 1423, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek moet de vordering tot nietigverklaring op straffe van verval worden ingesteld binnen een jaar na de dag waarop de handeling van de andere echtgenoot ter kennis is gekomen van de eiser, en uiterlijk voor de definitieve vereffening van het vermogensstelsel. De echtgenoot die toestemt of instemt met een handeling die onder het gezamenlijke bestuur valt, doet afstand van het recht om achteraf de nietigverklaring van de bestuurshandeling te vorderen. Een stilzwijgende toestemming achteraf of een instemming kan slechts worden afgeleid uit elementen die voor geen andere uitleg vatbaar zijn. Het loutere stilzitten van de niet-handelende echtgenoot en het laten verstrijken van de termijn van een jaar om de nietigverklaring te vorderen overeenkomstig de artikelen 1422-1423 Oud Burgerlijk Wetboek, kan bijgevolg niet worden beschouwd als een stilzwijgende toestemming of instemming.
- Een verkoop van een onroerend goed dat behoort tot een huwelijksgemeenschap, die is aangegaan door een echtgenoot zonder de toestemming of instemming van de andere echtgenoot, is niet nietig maar slechts vernietigbaar overeenkomstig de artikelen 1422-1423 Oud Burgerlijk Wetboek. Bij gebrek aan tijdige vordering tot nietigverklaring kan dergelijke verkoop niet meer worden betwist op grond van een gebrek aan toestemming of instemming van de andere echtgenoot.
- De appelrechter stelt vast dat: - de verweerders onverdeelde mede-eigenaars zijn van een perceel bouwgrond; - het aandeel van de eerste en de tweede verweerders toebehoort aan hun gemeenschappelijke vermogen; - het aandeel van de derde en de vierde verweerders eveneens toebehoort aan hun gemeenschappelijke vermogen; - de eerste en de derde verweerders op 27 februari 2021 een onderhandse overeenkomst ondertekenden waarbij de bouwgrond werd verkocht aan een nader te bepalen koper waaronder de eiseres; - de tweede en de vierde verweersters deze akte niet ondertekenden; - de eerste en de derde verweerders vervolgens per aangetekende brief van 25 maart 2021 aan de koper verklaarden dat de overeenkomst van 27 februari 2021 volgens hen niet rechtsgeldig was, onder meer omdat hun echtgenoten daarmee niet akkoord gingen; - de tweede en de vierde verweersters dit bevestigden bij aangetekende brief van dezelfde datum; - de eiseres zich niettemin beschouwde als koper en op de verdere uitvoering van de overeenkomst van 27 februari 2021 stond, inzonderheid het verlijden van de authentieke akte voor de notaris; - de verweerders weigerden daaraan gevolg te geven.
- De appelrechter oordeelt dat: - de eiseres de stilzwijgende toestemming achteraf of de instemming van de tweede en de vierde verweersters meent te kunnen afleiden uit de omstandigheid dat zij niet binnen de in artikel 1423, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn een vordering tot nietigverklaring van de verkoopovereenkomst hebben ingesteld; - het enkele verzuim van de tweede en de vierde verweersters om een vordering overeenkomstig de artikelen 1422-1423 Oud Burgerlijk Wetboek in te stellen echter niet kan worden uitgelegd of beschouwd als een toestemming achteraf of een instemming met de door hun echtgenoten aangegane overeenkomst van 27 februari 2021; - immers geen andere elementen voorhanden zijn die wijzen op of concorderen met een toestemming achteraf of een instemming van de tweede en de vierde verweersters; - de tweede en de vierde verweersters integendeel binnen de in artikel 1423, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn bij aangetekende brief uitdrukkelijk hebben te kennen gegeven dat zij niet toestemden met, en dat zij zich daarentegen verzetten tegen de verkoop van de bouwgrond; - het bewijs van de vereiste toestemming van de tweede en de vierde verweersters voor de rechtsgeldige totstandkoming van de overeenkomst van 27 februari 2021, waarvan de eiseres de gedwongen uitvoering vordert, bijgevolg niet voorhanden is.
- De appelrechter die oordeelt dat de overeenkomst van 27 februari 2021 niet rechtsgeldig is tot stand gekomen omdat de toestemming achteraf of de instemming van de tweede en de vierde verweersters ontbreekt en dat de eiseres geen contractuele rechten kan putten uit deze overeenkomst, terwijl hij vaststelt dat geen vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst met toepassing van artikel 1422-1423 Oud Burgerlijk Wetboek werd ingesteld, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest en Eva Van Hoorde en in openbare rechtszitting van 1 december 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251201.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div