id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 2.3 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr.
4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op
Art. 3
.2 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 45.1 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 21.1 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op
Art. 2.1 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr.
4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op
Art. 2.3 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr.
4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op
Art. 3
.2 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 45.1 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 21.1 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op
Art. 2.1 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr.
4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op
Art. 2.3 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr.
4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op
Art. 3
.2 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 45.1 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 21.1 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Thesaurus CAS: BEVOLKINGSREGISTER Wettelijke bepalingen: Aanvullend protocol nr. 4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op
Art. 2.1 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr.
4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op
Art. 2.3 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Aanvullend protocol nr.
4 bij het EVRM, tot het waarborgen van de bepaalde rechten en vrijheden die reeds in het Verdrag en in het eerste aanvullend protocol daarbij zijn opgenomen, opgemaakt te Straatsburg op
Art. 3
.2 - 31 Link Justel databank 19630916-31 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 45.1 Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 21.1 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Tekst van de beslissing Nr. S.24.0045.N E.B., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, en die optreedt op vordering en naar concept, tegen RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.737.484, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Laurierlaan 1, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 25 april
- Raadsheer Michael Traest heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eiser recht heeft op werkloosheidsuitkeringen omdat hij wel degelijk verblijft te Zemst en hij slechts voor maximum drie maanden in het Groothertogdom Luxemburg verbleef, nodigt het het Hof uit tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 34.1 Handvest Grondrechten EU erkent en eerbiedigt de Unie het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming bieden in gevallen zoals moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, afhankelijkheid of ouderdom, alsmede bij verlies van arbeid, onder de door het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden. Artikel 34.2 Handvest Grondrechten EU bepaalt dat eenieder die legaal in de Unie verblijft en zich daar legaal verplaatst, recht heeft op socialezekerheidsvoorzieningen en sociale voordelen overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken. Waar deze bepaling voorziet in een recht op werkloosheidsuitkering, is dit recht voorbehouden aan personen die legaal verblijven in een lidstaat. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, verhindert dit niet dat het verkrijgen van een werkloosheidsuitkering in België afhankelijk wordt gesteld van een effectief verblijf in België. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- Krachtens artikel 6.1 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG hebben burgers van de Unie het recht gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Krachtens artikel 5.1 van deze richtlijn kan het gastland voor verblijven van meer dan drie maanden burgers van de Unie de verplichting opleggen om zich bij de bevoegde autoriteiten te laten inschrijven. Uit voormelde bepalingen volgt niet dat, wanneer een Belgische onderdaan werd ingeschreven in een andere lidstaat en daar werd afgeschreven, deze vermoed wordt zijn hoofdverblijfplaats in België te hebben. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 6.1 van Richtlijn 2004/38/EG en is het niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- De appelrechters oordelen niet alleen dat de arbeidsgerechten op basis van het arrest van de Raad van State kunnen vaststellen dat de weigering van de gemeente Zemst om de eiser aldaar in te schrijven en zijn afschrijving naar het buitenland te behouden, terecht was en het dan ook geen zin heeft om in te gaan op de argumentatie van de eiser met betrekking tot die onderzoeken, dat arrest van de Raad van State met inbegrip van de problematiek van ‘vrijheid van verkeer en verblijf’ en ‘vestiging en terugkeerrecht’ en het daarop betrekking hebbende Unierecht alsook op de in dat kader voorgestelde prejudiciële vragen, maar ook dat: - de eiser aan de hand van de aangereikte stukken niet aantoont dat hij effectief en gewoonlijk in Zemst verbleef; - rekeninguittreksels, getuigenverklaringen, bewijzen van aankopen en verbruiksgegevens van nutsvoorzieningen aldaar immers ontbreken; - de eiser via het lokaal postkantoor een aantal zendingen verstuurde en ook wat facturen op zijn naam op dat adres toekwamen, maar dat niet volstaat om met afdoende zekerheid voor waar te kunnen aannemen dat hij alsdan effectief in Zemst verbleef; - dit ook geldt voor het door hem ingeroepen Belgisch autokeuringsbewijs, de BTW-aangifte alhier, het verzoek tot betaling van een ziekenfondsbijdrage, de beperkte periodes van tewerkstelling in België en zijn aanwezigheid op bemiddelingssessies alhier.
- Deze in het tweede onderdeel vergeefs bekritiseerde redenen dragen de beslissing van de appelrechters dat de eiser niet voldeed aan de voorwaarde van effectief verblijf in België in de zin van artikel 66, eerste lid, Werkloosheidsbesluit en dus geen recht had op werkloosheidsuitkeringen vanaf 26 november
- In zoverre het onderdeel gericht is tegen het oordeel van de appelrechters dat zij aan de onderzoeken en het arrest van de Raad van State niet kunnen tornen en zij op basis van het arrest van de Raad van State kunnen vaststellen dat de weigering van de gemeente Zemst om de eiser aldaar in te schrijven en zijn afschrijving naar het buitenland te behouden terecht was, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 2.1 vierde aanvullend protocol bij het EVRM heeft eenieder die zich wettig op het grondgebied van een Staat bevindt, het recht zich daar vrij te verplaatsen en er in vrijheid woonplaats te kiezen. Krachtens artikel 2.3 vierde aanvullend protocol bij het EVRM mag de uitoefening van deze rechten aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die welke bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ‘s lands veiligheid of van de openbare veiligheid, ter handhaving van de openbare orde, ter voorkoming van strafbare handelingen, ter bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Krachtens artikel 3.2 vierde aanvullend protocol bij het EVRM mag niemand het recht worden ontnomen het grondgebied te betreden van de Staat waarvan hij onderdaan is. Krachtens artikel 45.1 Handvest Grondrechten EU heeft iedere burger van de Unie het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven. Krachtens artikel 21.1 VWEU heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Deze bepalingen verhinderen niet dat de inschrijving in het bevolkingsregister afhankelijk wordt gesteld van een effectief of feitelijk verblijf op het grondgebied van een Staat. In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. Tweede en derde middel
- De appelrechters oordelen niet alleen dat de eiser niet is ingeschreven in Zemst en uit onderzoeken van de gemeente, de politie en de inspectie en uit het arrest van de Raad van State blijkt dat hij geen hoofdverblijfplaats in België had maar ook dat de eiser aan de hand van de aangereikte stukken niet aantoont dat hij effectief en gewoonlijk in Zemst verbleef. Deze laatste in het eerste middel vergeefs bekritiseerde redenen dragen de beslissing van de appelrechters dat de eiser niet voldeed aan de voorwaarde van effectief verblijf in België in de zin van artikel 66, eerste lid, Werkloosheidsbesluit en dus geen recht had op werkloosheidsuitkeringen vanaf 26 november
- De middelen kunnen niet tot cassatie leiden en zijn bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Kosten
- Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de verweerder te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de verweerder tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 243,27 euro en op de som van 24 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest en Eva Van Hoorde en in openbare rechtszitting van 1 december 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251201.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div