Obsah (6)
Art. 1341Art. 1347Art. 1354Art. 1355Art. 1322Art. 1323id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 1341
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1347
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 ecli_input ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.3N ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour CASS ecli_cour_old CASS ecli_annee 2007 ecli_ordre ARR.20071220.3N ecli_typedec ARR ecli_datedec 20071220 ecli_chambre ecli_nosuite 3N Invalid ECLI ID - no_ordre - Invalid no suite 3N ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.3N invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - Invalid no suite 3N De buitengerechtelijke bekentenis bedoeld in de artikelen 1354 en 1355 Oud Burgerlijk Wetboek is een eenzijdige daad waaruit een bewijs kan worden gehaald, ook van rechtshandelingen betreffende een som of een waarde die 375 euro te boven gaat; ze moet uitgaan van de partij tegen wie ze wordt aangevoerd, maar moet niet bestemd zijn om voor de tegenpartij als bewijs te dienen
(1)
(2).
(1)Ratione temporis waren de bepalingen van het Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing op het geschil.
(2)Cass. 20 december 2007, AR C.07.0161.N, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.3N, AC 2007, nr. 652; Cass. 7 februari 1997, AR C.95.0127.N, ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970207.10, AC 1997, nr. 71 en Cass. 7 maart 1991, AR 7197, AC 1990-91, nr. 358. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bekentenis Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1354
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1355
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 Een afschrift van een ondertekend geschrift, dit is een getrouwe weergave van het origineel maar waarop een originele handtekening ontbreekt, heeft niet de wettelijke bewijswaarde van een onderhandse akte, die, krachtens de artikelen 1322 en 1323 Oud Burgerlijk Wetboek immers berust op een erkende originele handtekening; een dergelijk afschrift kan evenwel een begin van bewijs vormen in de zin van artikel 1347 Oud Burgerlijk Wetboek of een buitengerechtelijke bekentenis in de zin van de artikelen 1354 en 1355 Oud Burgerlijk Wetboek, wanneer vaststaat dat dit afschrift uitgaat van de partij tegen wie het wordt ingeroepen, doordat zij zich de inhoud van dit afschrift heeft toegeëigend; dit is het geval indien die partij de conformiteit van het afschrift met het origineel niet daadwerkelijk heeft betwist
(1).
(1)Ratione temporis waren de bepalingen van het Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing op het geschil. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Geschriften - Algemeen Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1322
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1323
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1347
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1354
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 1355- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.
C.24.0422.N G.V.B., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M.V., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 mei
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 15 oktober 2025 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De appelrechter oordeelt dat “[de verweerster] (…) een document voorlegt gedateerd 1 januari
- Er is geen enkele aanwijzing dat dit document vals zou zijn en [de eiser] heeft zijn handtekening hierop niet formeel ontkend. Het feit dat het origineel van dit document niet wordt voorgelegd, tast de bewijswaarde ervan niet aan. Enkel indien zou zijn gebleken dat het hier gaat om een vals stuk, zou het document elke bewijswaarde verliezen. Noch voor de strafrechter, noch voor de burgerlijke rechter heeft [de eiser] de echtheid van dit document aangevochten, zodat het hof ervan uit dient te gaan dat dit document echt is.”
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter met deze redenen niet dat aan het document van 1 januari 2011 de wettelijke bewijswaarde toekomt van een onderhandse akte. In zoverre het onderdeel op die grond schending aanvoert van de artikelen 8.4 Burgerlijk Wetboek en 1322, 1323, 1324 en 1334 Oud Burgerlijk Wetboek, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 1341, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, moet een akte voor een notaris of een onderhandse akte worden opgemaakt als bewijs van een rechtshandeling met betrekking tot een som of een waarde die 375 euro te boven gaat. Krachtens artikel 1322, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, heeft een onderhandse akte die erkend is door degenen tegen wie men zich daarop beroept of die wettelijk voor erkend wordt gehouden, tussen de ondertekenaars van de akte en tussen hun erfgenamen en rechtverkrijgenden dezelfde bewijswaarde als de authentieke akte. Artikel 1323, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, bepaalt dat hij tegen wie men zich op een onderhandse akte beroept, verplicht is zijn schrift of zijn handtekening op stellige wijze te erkennen of te ontkennen. Krachtens artikel 1334 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, leveren afschriften, wanneer de oorspronkelijke titel nog bestaat, alleen bewijs op van wat voorkomt in de titel, waarvan de vertoning altijd kan worden gevorderd.
- Krachtens artikel 1347, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, lijdt de regel van artikel 1341 van dat wetboek uitzondering wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is. Het tweede lid bepaalt dat een begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte is die is uitgegaan van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt. Het begin van bewijs door geschrift kan dus bewijs opleveren van een rechtshandeling met betrekking tot een som of een waarde die 375 euro te boven gaat, voor zover dit wordt aangevuld met een ander bewijsmiddel, getuigen en vermoedens inbegrepen.
- De buitengerechtelijke bekentenis bedoeld in de artikelen 1354 en 1355 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, is een eenzijdige daad waaruit een bewijs kan worden gehaald, ook van rechtshandelingen betreffende een som of een waarde die 375 euro te boven gaat. Ze moet uitgaan van de partij tegen wie ze wordt aangevoerd, maar moet niet bestemd zijn om voor de tegenpartij als bewijs te dienen.
- Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen volgt dat een afschrift van een ondertekend geschrift, dit is een getrouwe weergave van het origineel maar waarop een originele handtekening ontbreekt, niet de wettelijke bewijswaarde van een onderhandse akte heeft, die, krachtens de artikelen 1322 en 1323 Oud Burgerlijk Wetboek immers berust op een erkende originele handtekening. Een dergelijk afschrift kan evenwel een begin van bewijs vormen in de zin van artikel 1347 Oud Burgerlijk Wetboek of een buitengerechtelijke bekentenis in de zin van de artikelen 1354 en 1355 Oud Burgerlijk Wetboek, wanneer vaststaat dat dit afschrift uitgaat van de partij tegen wie het wordt ingeroepen, doordat zij zich de inhoud van dit afschrift heeft toegeëigend. Dit is het geval indien die partij de conformiteit van het afschrift met het origineel niet daadwerkelijk heeft betwist.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - partijen op 1 januari 2011 een document ondertekenden met als titel “leningsovereenkomst en afspraak”; - de verweerster als stuk 1 van haar stukkenbundel een afschrift van dit document heeft voorgelegd en de eiser de overlegging van het origineel ervan heeft gevorderd; - er geen enkele aanwijzing is dat dit document vals zou zijn en de eiser zijn handtekening hierop niet formeel heeft ontkend; - het feit dat het origineel van dit document niet wordt voorgelegd, de bewijswaarde ervan niet aantast en enkel indien zou zijn gebleken dat het gaat om een vals stuk, het document elke bewijswaarde zou verliezen; - de eiser noch voor de strafrechter, noch voor de burgerlijke rechter de echtheid van dit document heeft aangevochten, zodat het hof ervan dient uit te gaan dat dit document echt is. De appelrechter geeft aldus te kennen dat de eiser de conformiteit van het afschrift van het door hem ondertekende document van 1 januari 2011 niet daadwerkelijk heeft betwist.
- Op die grond oordeelt hij vervolgens naar recht dat: - dit document een buitengerechtelijke bekentenis door de eiser vormt van het rechtsfeit dat hij in 2008 een bedrag van 40.000 euro van de verweerster heeft geleend, zodat die lening en de verplichting van de eiser om dit bedrag aan de verweerster terug te betalen, worden bewezen; - dit document een begin van bewijs door geschrift vormt van de op 1 januari 2011 aangegane wederkerige overeenkomst waarbij de eiser zich ertoe verbond om een eenmalige te indexeren vergoeding van 30.000 euro aan de verweerster te betalen voor de prestaties geleverd en te leveren ter afwerking van het huis van partijen en de verweerster zich ertoe verbond om het huis af te werken en naast en boven deze eenmalige vergoeding geen aanspraak meer te maken op enige andere vergoeding voor de afwerking van het huis; - dit begin van bewijs door geschrift wordt aangevuld door verschillende schriftelijke getuigenverklaringen waaruit afdoende blijkt dat de verweerster in uitvoering van deze overeenkomst de quasi-volledige last van de afwerking en inrichting van het huis van partijen heeft gedragen, zodat de wederkerige overeenkomst en de betalingsplicht van de eiser ten aanzien van de verweerster worden bewezen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Een afschrift van een ondertekend geschrift, dit is een getrouwe weergave van het origineel maar waarop een originele handtekening ontbreekt, heeft niet de wettelijke bewijswaarde van een onderhandse akte, die, krachtens de artikelen 1322 en 1323 Oud Burgerlijk Wetboek, immers berust op een erkende originele handtekening.
- De appelrechter oordeelt dat: - partijen in het document van 1 januari 2011 zijn overeengekomen om het door de eiser aan de verweerster terug te betalen ontleende bedrag van 40.000 euro te indexeren op datum van de terugbetaling; - het niet gaat om een eenzijdige verbintenis tot betaling van een geldsom maar om een overeenkomst waarbij de eiser aanbiedt om, als vergoeding voor de toegestane lening, het geïndexeerde bedrag terug te betalen en de verweerster dit aanbod aanvaardt; - deze passus van dit document dus niet is onderworpen aan de vormvereisten van artikel 8.21 Burgerlijk Wetboek; - deze overeenkomst geen wederkerige, maar een eenzijdige overeenkomst is omdat enkel de eiser zich ten aanzien van de verweerster verbindt, zodat zij niet is onderworpen aan de vormvereisten van artikel 1325 Oud Burgerlijk Wetboek; - de verweerster aan de hand van het door partijen ondertekende document van 1 januari 2011, waarvan zij een afschrift heeft overgelegd, het bestaan van de indexeringsovereenkomst bewijst.
- Door aldus aan het afschrift van het ondertekende document van 1 januari 2011 de wettelijke bewijswaarde van een onderhandse akte toe te kennen, waaruit hij het bewijs afleidt van het bestaan van een indexeringsovereenkomst met betrekking tot het door de eiser ontleende bedrag van 40.000 euro, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit oordeelt over het bewijs van het bestaan van een indexeringsovereenkomst met betrekking tot het bedrag van 40.000 euro en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Bruno Lietaert, Michael Traest en Eva Van Hoorde en in openbare rechtszitting van 1 december 2025 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251201.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970207.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div