id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 38 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0943.N M. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ali Fadili, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 16 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.1.1°, 8.1.4°, 8.1.5°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 8 Probatiewet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht, het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het beginsel van de procesautonomie in strafzaken: het bestreden vonnis legt ambtshalve, zonder vordering van het openbaar ministerie en zonder voorafgaande tegenspraak, een bijkomende sanctie op, te weten het slagen in een theoretisch rijexamen om te worden hersteld in het recht tot sturen; dit is een autonome maatregel met belangrijke praktische gevolgen; het bestreden vonnis verzwaart de straf zonder dat de eiser zich op die herstelmaatregel heeft kunnen verdedigen; de eiser werd overvallen door die maatregel. Het eerste onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis die herstelmaatregel enkel met algemene, abstracte en standaardmatige bewoordingen en dus zonder enige feitelijke concretisering motiveert; het bestreden vonnis houdt geen rekening met het tijdsverloop sinds de feiten, met het blanco strafregister van de eiser en met een aantal concrete feitelijke elementen, waaronder het feit dat geen ongeval werd veroorzaakt, dat er geen aanwijzing van alcoholgebruik, drugs, agressie of verkeersagressie is en het feit dat iedereen op dezelfde wijze aan het rijden was; het beginsel van de individuele straftoemeting vereist dat die elementen worden meegenomen in de beoordeling; evenmin houdt het bestreden vonnis rekening met verschillende concrete en verzachtende omstandigheden; bovendien heeft die herstelmaatregel praktische gevolgen; de eiser werd de mogelijkheid ontnomen om zich te verdedigen over de noodzaak en de proportionaliteit van de maatregel. Het tweede onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis de door de eiser neergelegde stukken negeert en geen rekening houdt met de omgangsregeling van de eiser voor zijn minderjarige kinderen; de rechter mag zijn appreciatievrijheid niet aanwenden om concrete elementen van het dossier selectief te negeren of zonder voldoende motivering als ongeloofwaardig te bestempelen; daardoor miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van de geschriften waarnaar het tot staving van zijn beslissing verwijst; de eiser heeft in de procedure ook relevante bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat hij een rijbewijs nodig heeft; het bestreden vonnis heeft deze elementen niet besproken noch in aanmerking genomen; het bestreden vonnis is niet zorgvuldig en verifieerbaar gemotiveerd. Het derde onderdeel voert aan dat de eiser in zijn grievenformulier en tijdens de rechtszitting verzachtende omstandigheden heeft aangehaald; die blijken uit de ingediende stukken; de opgelegde herstelmaatregel is buitenproportioneel en motiveert niet waarom geen toepassing wordt gemaakt van de mogelijkheden die artikel 8 Probatiewet biedt om uitstel of opschorting toe te passen; het bestreden vonnis beantwoordt de omstandige aanvoeringen van de eiser in het appelgrievenformulier niet.
- Er bestaat geen beginsel van de procesautonomie in strafzaken.
- Uit artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces kan niet worden afgeleid dat de rechter de beveiligingsmaatregel van het afhankelijk maken van het herstel van recht tot sturen van een motorvoertuig van het slagen in één of meerdere examens en onderzoeken slechts kan opleggen indien het opleggen van die maatregel werd gevorderd door het openbaar ministerie of indien over die maatregel een tegensprekelijk debat wordt gehouden. De beklaagde dient bij zijn verdediging rekening ermee te houden dat deze bij wet bepaalde en dus voorzienbare maatregel door de rechter kan worden opgelegd.
- De rechter moet niet antwoorden op ingediende stukken maar enkel op een regelmatig ingediende conclusie. Indien een beklaagde wenst dat de rechter standpunt inneemt over door hem ingediende stukken, dient hij over die stukken te concluderen.
- Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter weliswaar om het verweer van een beklaagde over de straftoemeting te beantwoorden, zoals onder meer ontwikkeld in een appelgrievenformulier, maar niet om te antwoorden op elk argument dat een beklaagde aanvoert ter ondersteuning van zijn verweer over de straftoemeting.
- Uit de artikelen 195, vijfde lid, en 211 Wetboek van Strafvordering volgt voor de rechter de verplichting om de keuze voor de uitgesproken straffen en maatregelen en hun maat, die de wet aan zijn vrije beoordeling overlaat, nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
- Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter de beslissing waarbij uitstel wordt geweigerd indien dit wordt gevraagd, nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
- De rechter kan het verzoek om de maatregel van het uitstel van tenuitvoerlegging afwijzen door het opgeven van redenen ter verantwoording van een effectieve straf.
- Indien de beklaagde de rechter niet uitdrukkelijk verzoekt om de uitspraak van veroordeling op te schorten moet het vonnis geen motivering bevatten betreffende het niet-uitspreken van die maatregel.
- Een cassatiemiddel dat miskenning aanvoert van de bewijskracht van akten is slechts ontvankelijk indien het preciseert van welke geschrift of geschriften de rechter een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de door hem opgelegde bestraffing niet disproportioneel is. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het middel preciseert niet van welke akten het bestreden vonnis een uitlegging geeft die onverenigbaar is de bewoordingen ervan. In zoverre is het middel bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser heeft aangevoerd dat de feiten gebeurden in een euforie na een voetbalmatch, de eiser zelfstandige is, hij een aannemingsbedrijf heeft dat grondverzet uitvoert en dat hij onder meer werkt voor E. Daaruit volgt dat het appelgerecht deze omstandigheden bij de beoordeling over de straftoemeting heeft betrokken. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser op verkeersrechtelijk vlak reeds werd veroordeeld en bijgevolg dat hij geen blanco strafrechtelijk verleden heeft. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel aanvoert dat de eiser op de rechtszitting ook andere feitelijke omstandigheden, desgevallend als verzachtende omstandigheden, heeft aangevoerd, of is gesteund op feitelijke gegevens die niet blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
- Het bestreden vonnis oordeelt betreffende de aan de eiser op te leggen straffen en maatregelen als volgt: - er moet rekening worden gehouden met de aard, de omvang en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de concrete feitelijke omstandigheden, de persoonlijke omstandigheden van de eiser en zijn strafregister; - de eiser werd in 2019 politioneel veroordeeld voor het rijden zonder verzekering en voor een vluchtmisdrijf zonder gekwetsten; - de telastleggingen zijn ernstig en getuigen van een gebrek aan verantwoordelijkheidszin voor de verkeersveiligheid; - het hinderen van het verkeer en zeer gevaarlijk rijgedrag houden een maatschappelijk onaangepast rijgedrag in, gelet op het stijgend ongevalsrisico; - de eiser werd op zijn interpretatie van het begrip feesten al aangesproken, maar heeft daaruit geen lering getrokken; - er wordt niet ingegaan op het verzoek van de eiser om het verval van het recht tot sturen uit te voeren tijdens de weekends en de feestdagen. Het toestaan van de gunst van het weekendverval van het recht tot sturen zou een onvoldoende signaal aan de eiser geven betreffende de ernst van de feiten; - een geldboete van 40,00 euro en een verval van het recht tot sturen van vijftien dagen zijn een correcte en passende bestraffing rekening houdend met de ernst van de feiten en het strafregister van de eiser; - het verval van vijftien dagen is hiertoe een uitermate gepast sanctioneringsmiddel door de impact van het verval van het recht tot sturen op het dagelijks leven van de eiser zonder dat dit disproportioneel is; - gelet op de aard, de omvang en de ernst van de feiten wordt het herstel van het recht tot sturen afhankelijk gemaakt van het slagen voor het theoretisch examen. Het onverantwoord rijgedrag van de eiser toont aan dat hij nood heeft aan een opfrissing van de regels van het wegverkeer; - een dergelijke bestraffing beantwoordt in zijn geheel het beste aan de repressieve en preventieve doeleinden van de straf en een zwaardere bestraffing zou disproportioneel zijn.
- Daaruit volgt dat: - de appelrechters wel degelijk de maatregel van het afhankelijk maken van het herstel van het verval in het recht tot sturen van het slagen in een theoretisch examen grondt op concrete feitelijke elementen en dat de motieven voor die beslissing niet louter algemeen, abstract en standaardmatig zijn, maar integendeel geïndividualiseerd; - de appelrechters wel degelijk de door de eiser in zijn appelgrievenschrift bedoelde verweren beantwoorden, zonder dat zij op elk argument dienen te antwoorden dat louter tot staving van die verweren worden aangevoerd; - de appelrechters niet dienen te antwoorden op feitelijke omstandigheden die naar de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, door de eiser niet worden aangevoerd; - de appelrechters te kennen geven dat er geen verzachtende omstandigheden zijn die een mildere bestraffing kunnen verantwoorden; - nauwkeurig motiveren waarom geen uitstel van tenuitvoerlegging kan worden toegekend.
- Op grond van die redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de aan de eiser opgelegde bestraffing niet disproportioneel is.
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 38, § 3, Wegverkeerswet, alsmede miskenning van de overschrijding van de rechtsmacht: het bestreden vonnis legt ten onrechte ambtshalve en zonder vordering van het openbaar ministerie een bijkomende sanctie op, namelijk de verplichting tot het slagen in een theoretisch examen om hersteld te worden in het recht tot sturen; het laat verder na die sanctie te motiveren.
- Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel en moet om de in het antwoord op dit middel vermelde redenen worden verworpen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div