id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 3 De rechter oordeelt onaantastbaar of uit de hem voorgelegde feiten blijkt dat een beklaagde voldoet aan de vermelde bestanddelen van strafbare deelneming; het Hof gaat na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Fiche 4 Het bewust en opzettelijk ter beschikking stellen van een bankrekening waarop een derde verborgen of verduisterde gelden kan overschrijven, is geen verzuim om te handelen, maar een positieve daad waarvan de rechter kan oordelen dat die een daad van deelneming aan die verduistering uitmaakt. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Wettelijke bepalingen:
Art. 66
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 491, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.0776.N I E. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, tegen Lieve DEHAESE, Johan DEHAESE en Jessie DECKMYN, met kantoor te 3500 Hasselt, Luikersteenweg 187, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement JB VITA nv, ON 0808.907.942, burgerlijke partijen, verweerders, met als raadsman mr. David Thoeng, advocaat bij de balie Limburg. II J. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Daerden, advocaat bij de balie Limburg, III BELITRUDO bv, met zetel te 3511 Hasselt, Rietvennestraat 22, ON 0466.709.659, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Laurens Evens, advocaat bij de balie Limburg, de cassatieberoepen II en III tegen 1. R. V., 2. Lieve DEHAESE, Johan DEHAESE en Jessie DECKMYN, reeds vermeld, met als raadsman mr. David Thoeng, advocaat bij de balie Limburg, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 mei 2025. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen II en III 1. In zoverre gericht tegen de vaststelling van het arrest dat de verweerder II.1-III.1 geen vordering meer stelt tegen de eisers II en III, zijn de cassatieberoepen II en III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de memorie van de eiseres III 2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres III haar memorie ter kennis heeft gebracht aan de verweerders III, zoals nochtans vereist door artikel 429 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke vorderingen van de verweerders III, is de memorie van de eiseres III niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I 3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 66 en 491, eerste lid, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de in de telastlegging A.2 bepaalde misdrijven van misbruik van vertrouwen en verduistering van activa omdat hij als gedelegeerd bestuurder van Belivita nv (nadien JB Vita
- nv)noodzakelijke hulp tot het plegen van de vermelde misdrijven heeft verleend en dit minstens door toe te laten dat er gedurende een periode van bijna twee jaar gelden ten bedrage van 89.055,86 euro zonder bedrijfsmatige verantwoording of onderliggende stavingstukken werden overgeschreven van de vennootschapsrekening van Belivita nv naar de eiseres III; aldus steunt het arrest de schuldigverklaring van de eiser I louter op zijn nalaten om deze overschrijvingen te verhinderen of te controleren; het arrest stelt echter niet vast dat de passieve houding van de eiser I een aanmoediging vormde tot het plegen van de strafbare feiten of dat de eiser I een nader bepaalde positieve rechtsplicht had om deze overschrijvingen te verhinderen en dat zijn stilzitten gebeurde met de bedoeling het misdrijf te bevorderen; aldus stelt het arrest een essentieel bestanddeel van de strafbare deelneming overeenkomstig artikel 66, derde lid, Strafwetboek niet vast. 4. De schuldigverklaring als mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mededader zijn medewerking verleent aan de misdaad of het wanbedrijf op een in dat artikel bedoelde wijze, hij weet dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleent en hij het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen. 5. Alleen een positieve daad die aan de uitvoering van het misdrijf voorafgaat of ermee samengaat, kan deelneming aan een misdaad of wanbedrijf opleveren. 6. Het verzuim om te handelen kan een dergelijke positieve daad van deelneming zijn wanneer, wegens de ermee gepaard gaande omstandigheden, het bewuste en opzettelijke verzuim om te handelen ondubbelzinnig een aansporing betekent tot het plegen van het misdrijf op één van de wijzen bepaald bij artikel 66 Strafwetboek. 7. Het is niet vereist dat op degene die verzuimt te handelen een positieve rechtsplicht rust om een bepaalde handeling te doen verrichten of te voorkomen. 8. De rechter oordeelt onaantastbaar of uit de hem voorgelegde feiten blijkt dat een beklaagde voldoet aan de vermelde bestanddelen van de strafbare deelneming. Het Hof gaat na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt. 9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 10. Het arrest oordeelt zoals hiervoor vermeld, alsook onder meer als volgt: - aan de eisers I en II werd in hun hoedanigheid van afgevaardigde bestuurders het beheer toevertrouwd van alle activa van Belivita nv. Zij dienden deze activa hetzij bij het einde van hun mandaat terug ter beschikking van de vennootschap te stellen, hetzij ze aan te wenden ten behoeve van de vennootschap in de verwezenlijking van haar doel; - de activiteiten van Belivita nv werden vanaf begin 2017 overgedragen aan Belirhea bv, opgericht op 18 januari 2017; - door gelden van Belivita nv over te dragen aan de eiseres III zonder daarvoor een bedrijfsmatige verantwoording te kunnen geven, namelijk de beweringen geloofwaardig te maken dat die betalingen managementsvergoedingen aan de eiser II uitmaakten, hebben de eisers I en II de hen toevertrouwde activa van Belivita nv niet gebruikt voor het doel waarmee zij aan hen waren toevertrouwd en hebben zij bewust de vennootschap waarvan zij bestuurder waren benadeeld ten voordele van een andere vennootschap; - de eisers I en II hebben als afgevaardigde bestuurders van Belivita nv, onder meer door middel van de feiten van de telastlegging A.2, duidelijk een constructie opgezet waarbij Belivita nv onvermogend werd gemaakt, teneinde niet te voldoen aan de op die vennootschap rustende verplichtingen. 11. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser I mededader is van de feiten van de telastlegging A.2 omdat zijn verzuim om te handelen een aansporing tot het plegen van die feiten inhield en hij daardoor wetens en willens noodzakelijke hulp tot het plegen van die feiten heeft verleend. 12. Met die redenen vermeldt het arrest eveneens de vereiste bestanddelen van het mededaderschap waaraan het de eiser I schuldig verklaart en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. 13. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I 14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 3, vierde lid, Probatiewet: het arrest verwerpt het verzoek van de eiser I om hem de opschorting van de uitspraak van de veroordeling toe te staan omdat het die gunst niet gepast acht rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten en omdat die gunst een onvoldoende stimulans voor de eiser I zou inhouden; het arrest zegt niets over de door de eiser I aangevoerde reclasserings- en socialiseringsperspectieven of over de maatschappelijke of professionele weerslag van een veroordeling zonder opschorting; evenmin worden de concrete persoonlijke omstandigheden van de eiser I besproken, terwijl deze in de conclusie uitvoerig waren toegelicht; aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eiser I niet. 15. Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 149 Grondwet volgt dat: - indien de rechter een verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende gronden daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing; - indien de beklaagde in een conclusie concrete elementen heeft aangevoerd tot staving van zijn verzoek om opschorting, de rechter die elementen moet beantwoorden zonder evenwel op elk argument te moeten ingaan; - de redenen voor de afwijzing van het verzoek ook kunnen blijken uit de motieven die de rechter vermeldt ter verantwoording van zijn keuze voor een effectieve bestraffing of de afwijzing van een verzoek om een welbepaalde straf; - indien een beklaagde concrete elementen heeft aangevoerd betreffende de gevolgen van de straf voor zijn reclassering en resocialisering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering. 16. Uit de redenen van het arrest inzake de straftoemeting (p. 36-37) blijkt dat de appelrechters het verzoek om de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en de door de eiser I aangevoerde stavende redenen daarvoor in aanmerking hebben genomen, de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de eiser I hebben afgewogen tegenover de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor eisers reclassering en resocialisering, eisers verweer hebben verworpen en beantwoord door hun standpunt in de plaats van dat verweer te stellen en de afwijzingsbeslissing op een nauwkeurige en voor de eiser I begrijpelijke wijze met redenen hebben omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II 17. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 66 en 491, eerste lid, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser II schuldig aan de telastlegging A.1 zonder te motiveren waaruit het moreel bestanddeel van de eiser II als deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan de in die telastlegging bepaalde misdrijven bestond en zonder het desbetreffende verweer van de eiser II te beantwoorden. 18. De schuldigverklaring als mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mededader zijn medewerking verleent aan de misdaad of het wanbedrijf op een in dat artikel bedoelde wijze, hij weet dat hij zijn medewerking aan die misdaad of dat wanbedrijf verleent en hij het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen. 19. Met de door het middel bekritiseerde reden oordeelt het arrest (p. 28) dat “[h]et bedrieglijk opzet ligt in het gegeven dat de overdracht van het handelsfonds van de nv Belivita werd uitgevoerd met de bedoeling dat de nv Belirhea de activiteiten van de nv Belivita zou kunnen verder zetten (en dit op de vestiging en o.a. met telefoonnummer, e-mailadres en toonzaal van de nv Belivita) zonder hiervoor een vergoeding te moeten betalen. Hierdoor werd de nv Belivita verarmd, ten voordele van de nv Belirhea en ten nadele van schuldeisers van de nv Belivita”. 20. Met die reden en de overige redenen waarmee het arrest (p. 20-28) oordeelt over de schuld van de beklaagden aan de feiten van de telastlegging A.1, alsook de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiser I, motiveert het arrest waarom het het mededaderschap van de eiser II aan de feiten van de telastlegging A.1 in de vermelde zin bewezen verklaart, beantwoordt het eisers desbetreffende verweer zonder op elke bijzonderheid daarvan te moeten ingaan en verantwoordt het de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II 21. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt niet wettig dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak van de eiser II niet is overschreden, gelet op de door hem aangevoerde periodes van stilstand die, anders dan het arrest oordeelt, niet te wijten zijn aan de complexiteit van het dossier. 22. Het arrest (p. 18-19) oordeelt, met opgave van de data waarmee het rekening houdt en met daarnaast een verduidelijking voor wat betreft de eiser I, dat het onderzoek een normaal verloop heeft gekend, dat er geen periodes waren waarin het onderzoek stillag en dat de enkele beperkte periodes waarin het onderzoek een tragere vooruitgang kende zijn toe te schrijven aan de technische aard en de complexiteit van het dossier, waardoor alle partijen tijd nodig hadden om de zaak in staat te stellen en een nota of conclusie op te stellen. 23. Uit die redenen kan het arrest wettig afleiden dat de redelijke termijn voor wat betreft de eiser II niet is overschreden en dit ongeacht of de door het arrest gegeven verduidelijking over de tijd die de partijen nodig hadden om hun vorderingen of verweer te organiseren specifiek betrekking had op de eiser II. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 24. In zoverre het middel opkomt tegen het oordeel van het arrest over de complexiteit van het dossier als reden voor de soms tragere vooruitgang van het onderzoek, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de overschrijding van de redelijke termijn en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel van de eiser II 25. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: uit de redenen op grond waarvan het arrest het verzoek van de eiser II tot het verlenen van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling verwerpt, blijkt niet dat er effectief een afweging werd gemaakt tussen eensdeels de ernst en de aard van de bewezenverklaarde feiten en persoonlijkheid van de eiser II en anderdeels de nadelige effecten van een bestraffing voor eisers reclassering en resocialisering, zoals door de eiser II concreet aangevoerd in zijn appelconclusie; het arrest houdt louter rekening met de aard en de ernst van de feiten. 26. Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 149 Grondwet volgt dat: - indien de rechter een verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende gronden daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing; - indien de beklaagde in een conclusie concrete elementen heeft aangevoerd tot staving van zijn verzoek om opschorting, de rechter die elementen moet beantwoorden zonder evenwel op elk argument te moeten ingaan; - de redenen voor de afwijzing van het verzoek ook kunnen blijken uit de motieven die de rechter vermeldt ter verantwoording van zijn keuze voor een effectieve bestraffing of de afwijzing van een verzoek om een welbepaalde straf; - indien een beklaagde concrete elementen heeft aangevoerd betreffende de gevolgen van de straf voor zijn reclassering en resocialisering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering. 27. Uit de redenen van het arrest (p. 36-37) inzake de straftoemeting blijkt dat de appelrechters eisers verzoek om hem de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te verlenen en de door hem daarvoor aangevoerde stavende redenen in aanmerking hebben genomen, de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de eiser II hebben afgewogen tegenover de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor eisers reclassering en resocialisering, eisers verweer hebben verworpen en beantwoord door hun standpunt in de plaats van dat verweer te stellen en de afwijzingsbeslissing op een nauwkeurige en voor de eiser II begrijpelijke wijze met redenen hebben omkleed, zonder zich daarbij te beperken tot louter de aard en de ernst van de feiten. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiseres III 28. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, zoals van toepassing: de eiseres III heeft in haar appelsyntheseconclusie aangevoerd dat zij als vehikel werd aangewend door haar zaakvoerder, de eiser II, zodat de strafbaarheid van haar handelen is weggenomen; het arrest oordeelt dat het gedrag en het beleid van de eiser II dermate overtuigend zijn dat ook bij de eiseres III het intentioneel element van de bewezen misdrijven is komen vast te staan; het oordeelt eveneens dat indien, zoals hier, blijkt dat de handelingen van een rechtspersoon volledig worden bepaald door de enige zaakvoerder, de rechter zich bij de beoordeling van het aanwezige moreel element kan laten leiden door het gedrag van de bestuurder; die redenen zijn tegenstrijdig; het arrest geeft immers impliciet aan dat de vennootschap geen keuze in haar beleid had ingevolge het overtuigende gedrag van haar zaakvoerder; bijgevolg kan het arrest op basis van het gedrag van de eiser II geen afzonderlijk intentioneel element bij de eiseres III aannemen en haar op die grond schuldig verklaren aan de telastleggingen A.2 en B.2. 29. De appelrechters oordelen niet dat het gedrag van de eiser II als bestuurder van de eiseres III, waaruit zij het moreel bestanddeel van de lastens de eiseres III bewezenverklaarde telastleggingen afleiden, van die aard is dat de eiseres III geen keuze in haar beleid had en derhalve louter als vehikel door de eiser II is gebruikt. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiseres III 30. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 66 en 491, eerste lid, Strafwetboek: het arrest neemt ten onrechte aan dat de eiseres III een deelnemingshandeling in de zin van artikel 66 Strafwetboek heeft gesteld; om te voldoen aan het deelnemingsopzet dient er een actieve handeling te worden gesteld of dient er sprake te zijn van een gekwalificeerde onthouding; het arrest omschrijft de deelnemingshandeling die de eiseres III zou hebben gesteld als het ter beschikking stellen van haar bankrekening waarop de gelden van Belivita nv konden worden overgeschreven; deze omschrijving betreft echter geen actieve deelnemingshandeling, maar een vorm van onthouding; immers, gelden komen niet toe op de rekening van de eiseres III door haar actieve daad van deelneming; zij ontvangt enkel gelden die derden op haar rekening storten en onthoudt zich zodoende van enige actieve handeling; het arrest laat na vast te stellen in welke mate deze onthouding een positieve aanmoediging vormde, dan wel in welke mate op de eiseres III de plicht rustte om deze overschrijvingen te verhinderen. 31. Het bewust en opzettelijk ter beschikking stellen van een bankrekening waarop een derde verborgen of verduisterde gelden kan overschrijven, is geen verzuim om te handelen, maar een positieve daad waarvan de rechter kan oordelen dat die een daad van deelneming aan die verduistering uitmaakt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel van de eiseres III 32. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 3, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet het verzoek van de eiseres III om haar de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te verlenen. 33. Het arrest (p. 37) oordeelt: “De gunst van de opschorting, dan wel een (geheel of gedeeltelijk) uitstel voor wat betreft de aan [de eisers I en II] opgelegde geldboetes, of een ruimer uitstel voor de geldboete opgelegd aan [de eiseres III], acht het hof (van beroep) niet gepast rekening houdend met de aard en de ernst van de feiten.” Aldus beantwoordt het arrest wel degelijk het vermelde verzoek van de eiseres III. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 34. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 293,22 euro, waarvan de eisers I, II en III elk 97,74 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.13 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180313.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210908.2F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230301.2F.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div