id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -
Art. 187
- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Fiches 4 - 6 De kennisname door de bij verstek veroordeelde persoon van de betekening van de verstekbeslissing hangt niet af van enige vormvereiste en kan voortvloeien uit de in artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving; de rechter kan de datum van een dergelijke kennisgeving in aanmerking nemen voor het bepalen van de aanvangsdatum van de buitengewone termijn van verzet; opdat die termijn een aanvang zou nemen is vereist dat de kennisgeving de betrokkene informeert over het recht om tegen die beslissing verzet aan te tekenen, alsook de termijn en de vorm om dat te doen
(1); niet is vereist dat bij die kennisgeving de inhoud van de verstekbeslissing wordt vermeld.
(1)Zie Cass. 29 april 2025, AR P.24.0906.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.8; Cass. 22 juni 2021, AR P.21.0480.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.20 en zie Cass. 23 februari 2021, AR P.20.1146.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210223.2N.
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: VERZET Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 40, eerste en vierde lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1079.N F. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sofie Molenberghs, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 20 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste en tweede onderdeel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 187 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het verzet niet ontvankelijk is omdat het niet binnen de vijftien dagen na de kennisname van de betekening werd ingesteld; de termijn van verzet is niet beginnen te lopen omwille van het gebrek aan bewijs van het voldoen aan de informatieverplichtingen; het verstekvonnis van 2 februari 2022 werd niet correct betekend, omdat in het strafdossier geen bewijs aanwezig is dat bij de betekening van het verstekvonnis een bijlage werd gehecht met de informatie over de mogelijkheid om verzet aan te tekenen en over de daarbij te respecteren termijnen; het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser niet aannemelijk maakt dat de bijlage met de nodige informatie over de rechtsmiddelen niet werd gevoegd; nochtans oordeelt het ook dat er zich in het strafdossier enkel een kopie van de eerste pagina van de akte van betekening bevindt, zodat de rechtbank niet kon nagaan of de eiser effectief de informatie over het aanwenden van rechtsmiddelen heeft ontvangen; het is niet aan de eiser om die informatie bij te brengen, maar het bewijs van een correcte betekening ligt bij het openbaar ministerie; het bestreden vonnis kon niet beslissen dat de eiser de nodige informatie bij de betekening van het verstekvonnis heeft ontvangen; een kopie van die informatie is immers niet gevoegd aan het strafdossier. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 40 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het verzet wegens laattijdigheid niet ontvankelijk is; ook inzake de kennisgeving van 3 december 2023 van het rijverbod is er geen voldoende melding gebeurd van de rechten over het aanwenden van rechtsmiddelen; bij de kennisgeving van het alcoholslot werd geen melding gemaakt van de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel; op de kennisgeving van het rijverbod werd slechts zeer beperkt melding gemaakt van die mogelijkheid; de informatie die werd gegeven bij de kennisgeving van 3 december 2023 is te karig, zodat de buitengewone termijn van verzet door die kennisgeving niet is beginnen te lopen en het verzet van 14 januari 2025 wel ontvankelijk is.
- De regelmatigheid van de betekening van een verstekvonnis hangt niet af van de kennisgeving aan de betekende van de termijnen en de vormen waarin een rechtsmiddel tegen het verstekvonnis kan worden aangewend. De afwezigheid van een dergelijke kennisgeving heeft enkel tot gevolg dat de termijn om verzet aan te tekenen geen aanvang neemt.
- De kennisname door de bij verstek veroordeelde persoon van de betekening van de verstekbeslissing hangt niet af van enige vormvereiste en kan dan ook voortvloeien uit de in artikel 40, eerste en vierde lid, Wegverkeerswet bedoelde kennisgeving. De rechter kan dan ook de datum van een dergelijke kennisgeving in aanmerking nemen voor het bepalen van de aanvangsdatum van de buitengewone termijn van verzet.
- Opdat de termijn om verzet aan te tekenen een aanvang zou nemen is wel vereist dat de kennisgeving de betrokkene informeert over het recht om tegen die beslissing verzet aan te tekenen, alsook de termijn en de vorm om dat te doen. Niet is vereist dat bij die kennisgeving de inhoud van de verstekbeslissing wordt vermeld.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of aan die informatieverplichting is voldaan.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - uit het strafdossier blijkt dat aan de eiser op 3 december 2023 in persoon een kennisgeving werd betekend betreffende het verval van het recht tot sturen dat hem met het verstekvonnis van 2 februari 2022 was opgelegd; - de eiser werd daardoor persoonlijk in kennis gesteld van de betekening van dit verstekvonnis aan zijn woonst op 16 februari 2022; - in de kennisgeving van het verval van 3 december 2023 werd uitdrukkelijk verwezen naar de verstekbeslissing van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 2 februari 2022, waarbij de eiser voor de vermelde telastleggingen werd veroordeeld tot een verval van het recht tot sturen voor een periode van vier maanden, waarbij het herstel van dit recht werd afhankelijk gemaakt van het slagen in de vier examens en onderzoeken; - de eiser had bijgevolg ingevolge deze kennisgeving van het verval van het recht tot sturen de nodige kennis van zaken om de opportuniteit te beoordelen om tegen de verstekbeslissing van 2 februari 2022 al dan niet een rechtsmiddel aan te wenden; - in die kennisgeving van het verval van het recht tot sturen stond eveneens vermeld: “Indien u bij verstek werd veroordeeld: u heeft het recht om verzet aan te tekenen binnen de 15 dagen na huidige kennisgeving via gerechtsdeurwaardersexploot of verklaring aan de gevangenisdirecteur van de strafinrichting bij de rechtbank waar het verstek werd uitgesproken (…)”; - die vermelding is in voldoende duidelijke en leesbare bewoordingen opgesteld; - elke mogelijke twijfel die bij een leek zou kunnen rijzen bij het lezen van de kennisgeving over de mogelijkheid om nog een rechtsmiddel aan te wenden tegen het betreffende vonnis, waaronder het gebruik van de term definitieve beslissing in het document, wordt met de aangehaalde duidelijke vermelding aan het einde van de kennisgeving volledig weggenomen. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat het recht van de eiser op toegang tot de rechter werd gevrijwaard, dat de eiser voldoende werd geïnformeerd over zijn recht om tegen het verstekvonnis verzet aan te tekenen, alsook over de termijn en de wijze om dit te doen en dat bijgevolg de eerste rechter het verzet van de eiser terecht niet ontvankelijk heeft verklaard. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
- Voor het overige zijn de onderdelen gericht tegen overtollige redenen, kunnen ze niet tot cassatie leiden en zijn ze niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 68 Wegverkeerswet: de betekening van het verstekvonnis van 2 februari 2022 is niet rechtsgeldig gebeurd, zodat de gewone termijn van verzet niet is beginnen lopen en dit verstekvonnis nog niet in kracht van gewijsde is getreden; bijgevolg is de strafvordering voor de telastlegging A verjaard.
- Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het eerste en tweede onderdeel aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210223.2N.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.20 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div