← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.1002.N P. V. H., beklaagde, eiser, met als raadsman Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, tegen

  1. H. D. G., burgerlijke partij, verweerder,
  2. P. B., burgerlijke partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes en mr. Fabrice Mourlon Beernaert, beiden advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 5 juni
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: met het oordeel dat zijn taak bestaat in het onderzoeken of de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde voormalige misdrijf, laat de appelrechter blijken dat zijn beoordeling niet is beperkt tot een toetsing of het gedrag van de eiser zoals dit blijkt uit het aanhangig gemaakte feit een fout oplevert die in oorzakelijk verband bestaat met de gevorderde schade.
  5. Uit artikel 6.2 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat indien een beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd en het appelgerecht ingevolge de afwezigheid van een hoger beroep op strafgebied enkel nog te oordelen heeft over de door de burgerlijke partijen tegen de beklaagde aanhangig gemaakte burgerlijke vordering gegrond op het feit waarvoor de vrijspraak werd verleend, het appelgerecht zich niet mag uitspreken over de vraag of de beklaagde zich aan dat misdrijf heeft schuldig gemaakt.
  6. Het appelgerecht mag in een dergelijk geval uitsluitend oordelen of het gedrag, zoals dat blijkt uit het met de strafvervolging aanhangig gemaakte feit, een fout oplevert in oorzakelijk verband met de schade waarvoor door de burgerlijke partijen vergoeding wordt gevorderd. De strafrechter bevindt zich in een dergelijk geval in dezelfde situatie als de burgerlijke rechter die zich moet uitspreken over een schadevergoedingsvordering die is gesteund op een strafbaar feit.
  7. De strafrechter moet, wil hij het door artikel 6.2 EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld niet miskennen, zich onthouden van bewoordingen waaruit de vaststelling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de betrokkene voor een feit waarvoor hij definitief is vrijgesproken, kan worden afgeleid.
  8. Dit belet evenwel niet dat de strafrechter, net als de burgerlijke rechter die kennis neemt van de burgerlijke vordering van een schadelijder tegen een schadeveroorzaker die is gegrond op een als een misdrijf omschreven feit, bij de beoordeling van het al dan niet foutief gedrag van de beklaagde rekening moet houden met de bestanddelen van het strafbare feit voorwerp van de strafvervolging, zonder zich evenwel te mogen uitspreken over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de beklaagde voor dat feit.
  9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest oordeelt als volgt: - de burgerlijke vordering voor de strafrechter is noodzakelijk gesteund op een bij de strafrechter aanhangig misdrijf zodat in eerste instantie moet worden onderzocht of de eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde voormalige misdrijf; - de strafrechter oordeelt daarbij echter niet meer over de gegrondheid van de tegen de voormalige beklaagde ingestelde strafvordering maar enkel nog over de vraag of de voormalige beklaagde een onrechtmatige daad heeft begaan die voldoet aan de constitutieve bestanddelen van het strafbaar feit dat hem werd ten laste gelegd. Noch met die overwegingen noch met andere overwegingen van het arrest spreekt de appelrechter zich uit over de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eiser aan het hem eertijds verweten misdrijf. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  11. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 443 en 445 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de burgerlijkepartijstelling van de verweerder 2 ontvankelijk is; het misdrijf lasterlijke aangifte maakt een persoonsgebonden misdrijf uit waarbij de aanduiding van de persoon op wie de aangifte betrekking heeft één van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf zelf uitmaakt; de rechter kan niet, zonder gebeurlijk een heromschrijving door te voeren van de bij hem aanhangig gemaakte feiten, wettig oordelen dat de burgerlijkepartijstelling van de verweerder 2 ontvankelijk is, aangezien de door de eiser ingediende klacht met burgerlijkepartijstelling enkel was gericht tegen de verweerder
  12. Geen van de als geschonden aangevoerde wetsbepalingen verzet zich ertegen dat de rechter oordeelt dat hij die aanvoert dat een klacht met een burgerlijkepartijstelling voor de onderzoeksrechter, hoewel enkel uitdrukkelijk gericht tegen een ander, in werkelijkheid ook tegen hem was gericht en bijgevolg ook wat hem betreft feiten omschreven als lasterlijke aangifte opleveren en hij zich op grond daarvan burgerlijke partij kan stellen tegen die aangever in de procedure tegen die aangever. De beoordeling van de burgerlijke vordering van de betrokkene tegen de aangever voor de strafrechter, vereist niet dat de rechter de omschrijving van de vervolgde feiten van lasterlijke aangifte vervolledigt door de toevoeging dat de aangifte ook betrekking had op de betrokkene. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert aan dat indien wordt aangenomen dat het met het eerste onderdeel geviseerde verweer geen antwoord behoeft omdat het vals karakter van de aantijging volgt uit de raadkamerbeschikking van 11 oktober 2019 van buitenvervolgingstelling, dan wordt de eiser gediscrimineerd; die buitenvervolgingstelling is gebaseerd op twijfel, terwijl de eiser op grond van dezelfde twijfel wordt vermoed lasterlijk te hebben gehandeld. Er wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schenden de artikelen 445, tweede lid, en 447 Strafwetboek de artikelen 10 en 11 Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 EVRM, in die zin dat twijfel over de werkelijkheid van de ten laste gelegde feiten niet in het voordeel werkt van de verdachte die wordt vervolgd wegens lasterlijke aangifte, terwijl diezelfde twijfel wel in het voordeel werkt van de verdachte die wordt vervolgd wegens de ten laste gelegde feiten?”
  14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de buitenvervolgingstelling werd verleend wegens twijfel. Het onderdeel dat aldus verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk.
  15. Gelet op de niet-ontvankelijkheid van het onderdeel is het Hof op grond van artikel 26, § 2, tweede lid, 1°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet ertoe gehouden de prejudiciële vraag te stellen. Eerste onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet het in zijn appelconclusie ontwikkelde verweer van de eiser dat er geen sprake is van een valse aantijging.
  17. Uit de redenen van het arrest blijkt dat het vals karakter van de aantijging volgt uit de beslissing van buitenvervolgingstelling. Daaruit volgt dat het door het onderdeel bedoelde verweer doelloos is en het arrest dit niet dient te beantwoorden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
  18. Het middel voert schending aan van de artikelen 443 en 445 Strafwetboek: het arrest leidt de aanwezigheid van het kwaadwillig opzet af uit de enkele vaststelling dat de eiser doelbewust vier jaar en vier maanden heeft gewacht vooraleer klacht neer te leggen en dit niettegenstaande de eiser aanvoerde dat de klachtneerlegging kaderde in een verdedigingsstrategie; op basis van deze enkele vaststelling kan het arrest niet wettig oordelen dat de eiser de feiten kwaadwillig pleegde.
  19. Het arrest grondt het oordeel betreffende de aanwezigheid van kwaad opzet bij de eiser niet uitsluitend op de met het middel bekritiseerde redenen, maar ook op de redenen die het arrest bevat onder de randnummers 23, 24 en 26 tot en met
  20. Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 110,41 euro, waarvan 75,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240423.2N.13 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241203.2N.16 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.26 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251007.2N.33 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.