← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.6 Rolnummer: P.25.1126.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2025-12-08 Raadplegingen: 654 - laatst gezien 2026-06-17 10:56 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 De rechter mag het verzoek om taalwijziging als bedoeld in artikel 23 Taalwet Gerechtszaken afwijzen indien er objectiveerbare omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het aangewezen is dat hijzelf de zaak beoordeelt; de rechter oordeelt onaantastbaar over de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden maar het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt

(1).
(1)Cass. 31 december 2024, AR P.24.1356.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.29; Cass. 5 september 2023, AR P.23.0703.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.9 en Cass. 19 november 2019, AR P.19.0758.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.11, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23, tweede en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23, tweede en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23, tweede en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23, tweede en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiche 5 Het gegeven dat een beklaagde in een eerdere procedure zijn recht op taalwijziging niet heeft uitgeoefend, kan niet tot gevolg hebben dat hij zich in een latere procedure niet meer op dat recht zou kunnen beroepen; evenmin kan de omstandigheid dat de beklaagde de hem ten laste gelegde feiten niet betwist een objectiveerbare omstandigheid eigen aan de zaak uitmaken in de zin van artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In hoger beroep - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23, vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1126.N I en II M. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gilles Rousseau, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbanken Brussel, zetelend in verenigde vergadering, van 9 september 2024 (hierna bestreden vonnis I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 18 juni 2025 (hierna het bestreden vonnis II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
  2. Het bestreden vonnis I verklaart eisers hoger beroep ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep I bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet, de artikelen 203 e.v. Gerechtelijk Wetboek en artikel 23 Taalwet Gerechtszaken, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en de bewijskracht van een akte: het bestreden vonnis I wijst eisers verzoek om taalwijziging niet af op grond van objectiveerbare omstandigheden eigen aan de zaak; de eiser is het Nederlands niet machtig en drukt zich gemakkelijker uit in het Frans; het bestreden vonnis I wijst eisers verzoek om taalwijziging af omdat hij bij zijn verzetten tegen de verstekvonnissen op grond waarvan de actuele vervolging wegens overtreding van artikel 48, eerste lid, 1°, en 2°, Wegverkeerswet is gesteund geen taalwijziging heeft gevraagd, alsook omdat hij de telastlegging niet betwist; het gegeven dat een beklaagde in het verleden werd vervolgd voor soortgelijke feiten door een Nederlandstalige rechtbank is geen objectiveerbare omstandigheid eigen aan de zaak die de inwilliging van een verzoek om taalwijziging belet; uit het strafdossier en het grievenformulier blijkt dat de eiser zijn schuld wel heeft betwist.
  4. Artikel 23, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat een beklaagde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt, wanneer hij terechtstaat voor een politierechtbank waarvan de taal van de rechtspleging het Nederlands is, kan vragen dat de rechtspleging in het Frans geschiedt.
  5. Artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat in voorkomend geval de rechtbank de verwijzing gelast naar het dichtstbij gelegen gerecht van dezelfde rang, waarvan de taal van de rechtspleging de taal is die door de beklaagde is gevraagd, maar dat de rechtbank evenwel kan beslissen wegens de omstandigheden van de zaak niet op de aanvraag van de beklaagde te kunnen ingaan.
  6. Uit deze bepalingen volgt voor een beklaagde in beginsel het recht om in de in die bepaling bedoelde gevallen de verwijzing te horen bevelen naar een gerecht waar de taal van de rechtspleging die is welke de beklaagde kent of waarin hij zich gemakkelijker uitdrukt.
  7. De rechter mag het verzoek om taalwijziging evenwel afwijzen indien er objectiveerbare omstandigheden zijn eigen aan de zaak die maken dat het aangewezen is dat hijzelf de zaak beoordeelt.
  8. De rechter oordeelt onaantastbaar over de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden.
  9. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  10. Het bestreden vonnis I verklaart het hoger beroep van de eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om taalwijziging ongegrond omdat hij bij het instellen van verzet tegen de Nederlandstalige verstekvonnissen waarop de vervolging wegens inbreuken op artikel 48, eerste lid, 1° en 2°, Wegverkeerswet (telastleggingen D en E) geen taalwijziging heeft gevraagd, alsook omdat de eiser de telastleggingen niet zou hebben betwist.
  11. Beide feitelijkheden zijn geen objectiveerbare omstandigheden eigen aan de zaak in de zin van artikel 23, vierde lid, Taalwet Gerechtszaken. Het gegeven dat een beklaagde in een eerdere procedure zijn recht op taalwijziging niet heeft uitgeoefend, kan niet tot gevolg hebben dat hij in een latere procedure zich nooit meer op dat recht zou kunnen beroepen. Verder heeft de wetgever het recht op taalwijziging niet willen voorbehouden aan beklaagden die betwisting voeren over de hen ten laste gelegde feiten. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
  12. De vernietiging van het bestreden vonnis I, in de mate dat dit eisers beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om taalwijziging ongegrond verklaart, leidt tot de vernietiging van het bestreden vonnis II dat er een gevolg van is. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis I behoudens waar dit het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart. Vernietigt het bestreden vonnis II. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis I en van het vernietigde vonnis II. Verwerpt het cassatieberoep I voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van het cassatieberoep I. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbanken Brussel, zetelend in verenigde vergadering, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 195,97 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 2 december 2025 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191119.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241231.2N.29 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.